BoekenNieuwSport en politiek

Bijzondere sportvrouwen in de 20-ste eeuw

Door Jan de Leeuw

Dit jaar is het precies 100 jaar geleden dat vrouwen actief kiesrecht kregen. Dit was een belangrijk succes in de strijd voor gelijke rechten van vrouwen eind negentiende, begin twintigste eeuw (eerste feministische golf). Dit is ook de periode dat de moderne Nederlandse sport zich vormde vanuit een drietal bronnen: Duitse turnen en gymnastiek, Engelse sportcultuur en een deel van de oudhollandse sporten (Van Buren en Mol 2000).

In de eerste decennia van de vorige eeuw raakte een aantal van oorsprong Engelse sporten in Nederland geïnstitutionaliseerd in verenigingen, bonden en sportkoepels. Voorbeelden van Engelse sporten zijn voetbal, tennis, wielrennen, hockey, rugby, cricket, atletiek, golf en zwemmen.

Afgelopen jaar verscheen het boek 1001 Vrouwen in de 20ste eeuw van Els Kloek. Deze uitgave is een vervolg op 1001 vrouwen in de Nederlandse geschiedenis (2013), dat in 2016 door lezers van het Historisch Nieuwsblad tot beste geschiedenisboek aller tijden werd uitgeroepen.

In het boek 1001 Vrouwen in de 20ste eeuw zijn ook lemma’s opgenomen over vrouwen die verdiensten hebben gehad in de (top)sport.

Een verzameling van 1001 bijzondere vrouwenlevens

Het boek bevat 1001 portretten van bijzondere vrouwen in de twintigste eeuw. Het gaat om vrouwen die zich onderscheidden in de samenleving (sociaal, cultureel, politiek) of een belangrijke rol speelden in de emancipatiestrijd van de vrouw in de 20-ste eeuw. De vrouwen waren actief in allerlei beroepen: als verpleegkundige, arts, maatschappelijk werkster, lerares, onderwijskundige, wetenschapster, journaliste, schrijfster, redactrice, politica, onderneemster, actrice, pianiste, kunstenares, zangeres, danseres, museumdirectrice, etc. In de uitgave is teven aandacht voor vrouwen die bekend werden omdat ze slachtoffer waren van misdrijven (bv. Marianne Vaatstra) of omdat ze een dubieuze rol speelden in bepaalde sociale processen, zoals misdaad en oorlog (denk aan de weduwe Rost van Tongeren).

Ook vrouwen die bijzondere betekenis hebben gehad in de sportwereld worden door Kloek beschreven. Het betreft ongeveer twintig vrouwen: zes atleten, drie schaatssters en schaaksters. Verdere twee hockeysters, een tennisster, zwemster, kunstschaatsster, motorcrossster, skiester en een bergbeklimster. We komen bekende namen tegen als Marie (Zus) Braun, Fanny Blankers-Koen, Rie Mastenbroek, Mien van Bree, Foekje Dillema, Atje Keulen-Deelstra en hockeyster Det de Beus. Vrouwelijke topsporters van de vorige eeuw die nog leven, ontbreken in de uitgave. Denk aan sporticonen als Sjoukje Dijkstra, Ada Kok, Bettine Vriesekoop, Yvonne van Gennip, Ellen van Langen, Marianne Timmer, Inge de Bruijn, Anky van Grunsven, Leontien Zijlaard-Van Moorsel en Esther Vergeer.

Geen sport, dan ook geen bijzondere sportvrouwen

Het boek hanteert vijf ‘generatiecohorten’: geboren vóór 1870; geboren 1870-1889; geboren 1890-1909; geboren 1910-1929; geboren ná 1930. In het tijdsbestek geboren vóór 1870 ontbreken sportvrouwen in de uitgave. In de volgende twee tijdsperiodes (geboren 1870-1909) zijn vijf lemma’s gewijd aan sportvrouwen. Het gaat om Jiske Gaastra (schaatsen), Jenny Visser-Hooft (bergbeklimmen), Toos Roodzant-Glimmerveen (schaken), Madzy Rollin Couquerque (hockey, tennis) en Coosje Wolters (motorrace).

Vijf lemma’s voor sportvouwen op een totaal van 431 lemma’s in deze periode: dat lijkt weinig. Toch is dat betrekkelijk als we rekening houden met twee zaken. In de eerste plaats bereikte de moderne sport pas in het eerste kwart van de vorige eeuw een serieuze vorm van institutionalisering, waardoor nationale en internationale kampioenschappen mogelijk werden (De Leeuw 2018). Daarom is het logisch dat van vrouwen die geboren zijn voor 1909 geen ‘Europese of wereldkampioenen’ bekend zijn. Jiske Gaastra (geboren 1888) wist zich te onderscheiden in een oudhollandse sport: schaatsen.

Ze deed mee met de tweede Friese Elfstedentocht in 1912, samen met haar oudere broer Jikke. “Met haar broer schaatste ze ‘opgelegd’ (ofwel ‘aan de stok’)”, aldus Kloek. Ze was de eerste vrouwelijke deelneemster aan de Elfstedentocht. Ook schaken, dat door Toos Roodzant-Glimmerveen werd beoefend, kan gezien worden als oudhollandse sport. Al in de achttiende eeuw was schaken in Nederland algemeen bekend (Huygens ING 2018).

Jenny Visser-Hooft was actief met bergbeklimmen, een activiteit waarvan het sportkarakter niet vanzelfsprekend was in de eerste helft van de 20-ste eeuw. Madzy Rollin Couquerque deed aan hockey en tennis, twee Engelse sporten die voorop liepen wat betreft participatie van vrouwen.

Een tweede verklaring voor de kwantitatief beperkte representatie van sportvrouwen was dat vrouwen geen of beperkte toegang hadden tot sport eind 19-de, begin 20-ste eeuw (Steendijk-Kuypers 2000).  Men achtte vrouwen veelal ongeschikt voor sport omdat men de waarden die men associeerde met de ‘vrouwelijke natuur’ niet vond passen bij sport. Sport stond voor agressie, kracht, snelheid, dominantie en leiderschap. In het tijdsbeeld van toen waren dat vooral ‘mannelijke’ waarden.

Vanuit de medische wetenschap waren er inzichten dat de vrouw economisch moest omgaan met haar energie, zeker met het oog op haar bestemming als moeder. Men veronderstelde dat vrouwen nerveuze, kwetsbare wezens waren. Volgens de gangbare normen had het ‘zwakke geslacht’ rekening te houden met de beperkte fysieke mogelijkheden, maar ook met de heersende opvattingen over schoonheid en moraal (Steendijk-Kuypers 2010).

Meer waardering voor vrouw en sport

In het begin van de twintigste eeuw groeide de waardering voor sport en lichamelijke oefening (Elling en Knoppers 2006). Men zag voordelen voor de gezondheid van de vrouw, vooral voor de vrouw uit de hogere burgerij. Die werd in het dagelijks leven fysiek niet echt uitgedaagd. Ze had veelal een slechte conditie. In sommige sporten kon de vrouw in deze tijd een plaats veroveren, zoals in golf, tennis, roeien, turnen, handboogschieten, wandelen en schoonrijden (schaatsen). Er was wel nadrukkelijk aandacht voor de sportkleding: deze diende decent te zijn en niet in strijd met de zedelijkheid. Zo werd door de tennisdames lange tijd een witte hoed gedragen, een traditie waarmee pas gebroken werd rond 1920, door de tennisrivalen Suzanne Lenglen en Helen Wills Moody.

Tegenstanders van sportende vrouwen gebruikten ook het argument dat vrouwen hun vrouwelijkheid zouden verliezen door te sporten. Dit argument boezemde de dames angst in: hun kansen op de huwelijksmarkt zouden er door afnemen. Ook vanuit de christelijke traditie waren er veel aarzelingen bij sportende vrouwen. Na verloop van tijd – in een zich doorzettende verzuiling – ging het christendom (vooral het katholicisme) sport positiever waarderen (Derks 2013 en Stuurman 1983).

Bij sommige sporten duurde het heel lang voordat deelname van vrouwen volledig geaccepteerd was. Bij andere sporten ging het sneller. Tijdens de eerste moderne Olympische Spelen in Athene 1896 mochten alleen mannen meedoen. Dat veranderde in 1900 bij de Spelen in Parijs. In de Franse hoofdstad stonden voor het eerst onderdelen voor vrouwen op het programma: tennis en golf. Charlotte Cooper was de eerste vrouwelijke Olympische kampioen. Ze won het enkelspel bij het tennis.

Vrouwelijke topsporters en de genderkwestie

De weerstanden tegen sport door vrouwen waren zichtbaar in de praktijken van de vrouwen die toch een topsportcarrière realiseerden, zo laat de uitgave van Kloek zien. Schaakster Toos Roodzant-Glimmerveen moest tot 1935 wachten voordat ze kon deelnemen aan een NK schaken. In dat jaar werd het nationaal dameskampioenschap voor het éérst georganiseerd. Coosje Wolters (bijnaam De Haagse duivelin) was de eerste Nederlandse vrouw met een motorrijbewijs. Ze deed mee aan motorraces in 1936. Wolters kreeg veel kritiek te verduren. Sommigen vonden het ongepast dat ze op een motorfiets reed.

Ze noemden haar ‘een vent’. Schaatsster Sjoerdtje Faber mocht in 1940 niet meedoen aan de wedstrijd van de Elfstedentocht, maar wel aan de toertocht. Als enige vrouw in het gezelschap bereikte ze de finish. Ze werd derde. Van de 2700 toerrijders reden slechts 27 de tocht uit, waaronder Faber. Ook in 1947 mochten vrouwen niet meedoen aan de wedstrijdtocht. Faber reed in totaal negen keer de toertocht van de Elfstedentocht uit.

Atje Keulen-Deelstra was lange tijd een topper in kortebaanwedstrijden schaatsen. Ze onderbrak haar schaatsloopbaan toen de kinderen (drie) werden geboren. Vervolgens ging ze over op het langebaanschaatsen. In 1969 verhinderde de KNSB dat ze meeging met de dameskernploeg naar Inzell. Men vond dat ze thuis hoorde, bij de kinderen. Toen ze bij het NK de hele concurrentie naar huis reed, ging de KNSB overstag. Keulen-Deelstra werd vier keer wereldkampioen allround en won medailles op de Olympische Spelen. Ze kreeg als bijnaam: De schaatsende moeder. Dat reflecteerde het idee dat een vrouw, ook een sportende vrouw, toch vooral met haar moederrol werd geïdentificeerd.

Tollien Schuurman en Willy Stähle

Belangrijke sportvrouwen, zoals Blankers-Koen, Mastenbroek en Keulen-Deelstra hebben een plaats gekregen in 1001 vrouwen in de 20-ste eeuw. Daarnaast ook sportvrouwen die minder bekend zijn omdat ze niet het hoogste punt van de Olympus bereikten, omdat ze een sport beoefenden met een lagere statuswaarde of omdat ze vanuit een emancipatieperspectief extra interessant zijn.

Mooi is dat er ook aandacht is voor een sportvrouw als Tollien Schuurman. Zij offerde vanuit haar principes een deel van haar sportcarrière op. Schuurman was een van de beste atletes in het interbellum. Zij weigerde deel te nemen aan de Olympische Spelen in Berlijn 1936 (Nazi Games). De atlete kwam uit een socialistisch gezin. Socialisten en communisten werden door de nazi’s’ als eersten naar de kampen gestuurd. Schuurman weigerde te sporten in een land waar socialisten – mensen zoals haar ouders – als misdadigers werden opgesloten. Schuurman: “Ik loop niet voor Hitler en zijn trawanten. (…) Menselijke aspecten moeten niet worden gescheiden van de sport” (Kok 2016).

Zijn er sportvrouwen die we missen in deze uitgave? Selectie bij een dergelijke immense uitgave, met meer dan 1000 vrouwen, is lastig en soms arbitrair. Willy Stähle (1954-2015) is niet opgenomen in de uitgave. Het programma Andere Tijden Sport maakte een aantal jaren geleden een indrukwekkende uitzending over haar leven. Stähle was een waterski-legende. Ze werd in 1971 wereldkampioen bij het onderdeel figuren. In datzelfde jaar werd Stähle uitgeroepen tot sportvrouw van het jaar.

Tijdens de Olympische Spelen in München (1972) was waterskiën een demonstratiesport. Stähle behaalde goud op het onderdeel figuren en zilver bij slalom. Ze had als bijnamen blonde fee en godin van het water  (De Waard, 2015). Na haar sportcarrière werkte Stähle als fysiotherapeute. In 1983 voltrok zich een drama in haar leven. Door een ongeluk bij parachutespringen liep ze een dwarslaesie op. Stähle moest stoppen met haar werk. Ze leefde later een teruggetrokken bestaan en overleed in 2015.

Een rijke uitgave

Het boek 1001 Vrouwen in de 20ste eeuw is een rijke uitgave. De ene na de andere bijzondere biografie komt bij lezing aan je voorbij. Het zijn allemaal juweeltjes. De uitgave is een nuttig naslagwerk voor informatie over vrouwen die zich hebben onderscheiden, zeker ook bijzondere sportvrouwen.

Het beperkt aantal lemma’s dat is gewijd aan sportvrouwen laat zien dat de moderne sport zich pas ‘laat’ ontwikkelde in de moderne maatschappij. Daardoor was er sprake van beperkte representatie van vrouwen. De beschrijving van de levens van de sportvrouwen maakt duidelijk dat sport een heel lange tijd werd gezien als een activiteit die niet vanzelfsprekend bij vrouwen paste.

In Amsterdam is er tot 10 maart 2019 een tentoonstelling te zien over 1001 vrouwen in de 20-ste eeuw.

Dank

Met dank aan Jacinta Kannekens en Sandra Meeuwsen voor adviezen.

Boek en website

Els Kloek (red.) (2018), 1001 Vrouwen in de 20ste eeuw. Uitgeverij Vantilt, Nijmegen. ISBN 9789460043864. Website: www.1001-vrouwen.nl.

Tentoonstelling

1001 vrouwen in de 20-ste eeuw.
4 oktober 2018 tot en met 10 maart 2019.
Amsterdam Museum, Kalverstraat 92 in Amsterdam.

Verder lezen:

  1. van Bottenburg, Verbreiding en onderscheiding. Enige hoofdlijnen in de sociale geschiedenis van sport in Nederland. In: W. van Buren en P. Mol (2000), In het spoor van de sport, hoofdlijnen uit de Nederlandse sportgeschiedenis, Arcadia, Haarlem.
  2. Derks (2013), Gespierd katholicisme, Priesters en religieuzen als schakel in de Nederlandse sportgeschiedenis, 1900-1940, in: De Sportwereld, nr. 67, Stichting De Sportwereld, Amsterdam.
  3. Elling en A. Knoppers, Sport en gender, in: P. de Knop, B. Vanreusel, J. Scheerder (2006), Sportsociologie, Het spel en de spelers, Elsevier, Maarssen.

Huygens ING (2018), Algemene schaakgeschiedenis, www.sportgeschiedenis.nl, 22 februari.

  1. de Leeuw (2018), De sportwereld voor het HBO, Arko Sports Media, Nieuwgein (hoofdstuk 2).
  2. de Leeuw (2018), Het sportbeleid voor het HBO, Arko Sports Media, Nieuwgein (hoofdstuk 5).
  3. Steendijk-Kuypers (2010), Humor als katalysator in de geschiedenis van de vrouwensport, in: De Sportwereld, nr. 56, Amsterdam.
  4. Steendijk-Kuypers (2000), De entree van vouwen in de sportwereld, in: W. van Buren en P. Mol (2000), In het spoor van de sport, hoofdlijnen uit de Nederlandse sportgeschiedenis, Arcadia, Haarlem.
  5. Stuurman (1983), Verzuiling, Kapitalisme en Patriarchaat; aspecten van de ontwikkeling van de moderne staat in Nederland, SUN Nijmegen.
  6. de Waard (2015), Willy Stähle (1954-2015), blonde fee op waterski’s, www.volkskrant.nl, 28 september.

Advertentie

Reserveer bij bol.com