BoekenNieuw

Uit de biografie van Kees Kooman: de ouders van Anton Geesink

Op 27 augustus is het tien jaar geleden dat Anton Geesink stierf. Kees Kooman schreef de biografie, een bewerking van eerder werk uit 2009. Sportgeschiedenis publiceert een deel over de ouders van de legende uit Utrecht. 

De burgemeester van Utrecht huldigt Anton Geesink in 1961 na het winnen van de wereldtitel. Foto’s ingekleurd zonder nabewerking

Hoe trots de ouders van Anton Geesink waren op de ontwikkeling van hun zoon die je gemakkelijk een gedaanteverwisseling mag noemen, valt moeilijk te omschrijven. Auteur Henk van Veenendaal doet in de zestiger jaren toch een poging nadat hij de familie op een winderige avond overvalt in hun huisje aan de Zaagstraat nummer 13. ‘Een klein huisje, doch er wordt geleefd.’

Moeder Mien haalt maar meteen een foto tevoorschijn, een soort staatsieportret van de hele familie op zijn paasbest. ‘Hier heeft Anton zo’n lekker smoeltje, hé meneer. De jongens staan er als nette jongeheren op, maar gelooft u maar gerust dat ze eerst verschrikkelijk hebben gevochten op de trap van de fotograaf.’

Zij, ‘een niet zo grote gezette vrouw’, heeft dezelfde donkere ogen als de jongen over wie we het hebben, zwart als kool, ‘en een breed plooiende glimlach.’ De bezoeker moet luid spreken, want moeder is al een beetje doof. Het is 1961 of 1962 wanneer met een verwijzing naar het lekkere smoeltje niet geheel ten onrechte wordt vastgesteld ‘dat zelfs de beroemdste helderziende zou hebben gefaald bij de vraag wat er uit dat kleine knaapje worden zou.’

Voor Mien zal het knaapje, ‘een best kereltje’, altijd het lieve jochie blijven dat hij was. En echt, het is waar dat hij vroeger, toen hij nog klein was, altijd het mikpunt was geweest van jongens met losse handjes. Het was toch verschrikkelijk dat hij vanuit Parijs, waar hij zo vaak was voor trainingen en wedstrijden, geen centen had om een ansichtkaart te sturen! ‘Arm als Job waren we.’

Heeft ze al verteld hoe goed hij was met knutselen en hoe graag hij met zijn broertjes ’s avonds bij pa in bed luisterde naar diens verhalen over dieren, het liefst leeuwen, over boze mensen en rampen? Na zijn schooltijd, zo vertelt pa, zag je hem als het ware groeien dankzij het verorberen van veel brood, flink veel spek, schapenvet als je ziek was en natuurlijk hard werken.

Gerardus Johannes Geesink lag in het ziekenhuis, toen zijn oogappel voor het eerst wereldkampioen werd. Het mocht eigenlijk niet van de artsen, ‘maar ik dacht: ik ga me piekfijn aankleden.’ En daar zag hij, bij de huldiging in Tivoli, Anton. Zijn Anton. ‘Weet u wat er in me omging…….nou meneer, ik dacht: wat is die Anton van mij toch een heer geworden. Ja, we zijn trots op hem. En ik moet u eerlijk zeggen dat ik het nooit achter hem gezocht had. Hij was een doodgewoon kereltje. Soms een slungel, een beetje smal. En dat wordt opeens een boom van een kerel. Ik geloof dat hij geen vijanden heeft.’ Moeder weet het ook zeker. Het kan simpelweg niet dat hij die heeft. ‘Het is een doodgoed joch. Altijd geweest.’

Voordat het doodgoede joch de Japanse hegemonie voor het eerst zal doorbreken, heeft hij in Europa een reputatie opgebouwd van een man die altijd wint, onder alle omstandigheden. Legendarisch is het gevecht met Charles Stuart Palmer, de latere voorzitter van de internationale judofederatie en een voorvechter van olympische erkenning. In 1958 moet bij de Europese kampioenschappen in Barcelona het duel tussen de Brit, een stuk kleiner en vier jaar ouder, en Geesink de beslissing brengen in het landenklassement. Op zeker moment belandt Palmer, die zich hevig verzet, bij een beenworp buiten de mat tegen een houten obstakel.

Met zijn gezin 

De faciliteiten bij judo waren nog verre van optimaal. Het duel moet worden onderbroken als blijkt dat een van de schouders uit de kom is geschoten, een zeer pijnlijke kwetsuur. Palmer zet de tanden op elkaar, terwijl de scheidsrechter – zo meldt het vechtsport-magazine Black Belt – het lichaamsdeel weer op de juiste plaats schuift.

Anton Geesink neemt, zoals verwacht, weer snel het initiatief en de dappere Brit belandt even later in de houdgreep. Daarbij schiet opnieuw de schouder uit de kom, en weer zorgt de scheidsrechter voor verlossing, alsof het een dagelijks klusje betreft. Iedereen gaat er nu vanuit dat Geesink, door opgave van de tegenstander, wordt uitgeroepen tot winnaar. Maar dan staat Palmer vanuit zittende positie snel op en hervat, met één functionerende arm, de wedstrijd.

Het publiek begint te loeien. David moet Goliath verslaan! Geesink laat dit wonder niet geschieden. Het kost hem weinig moeite de invalide Brit even later tegen de mat te drukken. Ippon. ‘Maar Anton Geesink, de grote Anton Geesink heeft me niet kunnen werpen!’, aldus wordt Charles Stuart Palmer triomfantelijk geciteerd. De judoka, die op 71-jarige leeftijd overleed, zou een zo mogelijk nog kleurrijker reputatie krijgen dan de Nederlander. Hij stak de ene na de andere, reusachtige sigaar op en gaf bij reizen de voorkeur aan zijn zilverkleurige Rolls Royce boven vliegen. Terwijl hij in bezit was van een vliegbrevet. En twee casino’s.

In 1961 is er bij het doodgoede joch uit Utrecht ‘iets lichamelijks’ niet helemaal in orde, maar dat weet vrijwel niemand. Ze blijken bij de ceremonie protocollaire eenzelfde bril te dragen, titelhouder Koji Sone en zijn opvolger Anton Geesink: een montuur met donkere brede randen boven de ogen en langs de slaap, als horizontale, dreigende uitroeptekens. Bij de lach die schuilgaat achter de glazen en bestemd is voor elkaar, is vijandigheid ver te zoeken.

Het is in de nacht van 3 op 4 december wanneer Geesink zich voor het eerst tot ’s werelds sterkste kroont in Stade de Coubertin, de Parijse sporthal die is vernoemd naar een van de grondleggers van de olympische gedachte. Deelnemen belangrijker dan winnen? Daar moeten we vandaag toch even niet aan denken. Zijn ouders wonen niet meer aan de verdoemde Kroonhof.

Maar in het huisje waar het ’s zomers te warm was en ’s winters te koud ligt de basis voor het succes van de beroemdste zoon van Utrecht. Antonius Johannes Geesink leerde er overleven op een instinctmatige wijze. Bij wat hij deed, hoefde nooit lang te worden nagedacht. Je staat, zo probeerde hij eens journalisten uit te leggen, bij wijze van spreken naakt op de mat. De kleren heb je thuis gelaten. Alles is echt aan je. Niets kun je veinzen. De Indonesische kampioen Sudjono krijgt van hem in Parijs negen seconden in de eerste ronde. Waarom niet even doen alsof? ‘Het instinct om een karwei zo snel mogelijk af te maken zit in jezelf.’

De archieven van Anton Geesink

Waardeer dit artikel!

Dit artikel las je gratis. Vond je het de moeite waard? Dan kun je je waardering laten blijken met een kleine financiële bijdrage.

 
Mijn gekozen waardering € -