Home > Atletiek > Waar komt het woord ‘doping’ vandaan?
AtletiekVraag het de redactie

Waar komt het woord ‘doping’ vandaan?

Is het een Engels woord? Is het een Nederlands woord?

Taalkundige Ewoud Sanders vroeg zich in 2016 in het NRC Handelsblad af waar het woord doping eigenlijk vandaan komt. Hij schreef onder meer: “In de betekenis ‘het toedienen van stimulerende middelen om hogere prestaties te leveren’, is doping een relatief jong woord, geleend uit het Engels. In het Amerikaans-Engels is het in 1889 voor het eerst geregistreerd. Het was een succesvol neologisme dat snel door andere talen werd overgenomen. Zo kent het Frans het Engelse leenwoord doping sinds 1900, het Nederlands sinds 1903 en het Duits sinds 1908.”

Volgens deze theorie is doping dus een Engels woord, maar zo zeker is dat niet. De stam van dit woord is namelijk dop of doop, en dat begrip is afkomstig uit het Nederlands. Indien dat zo is, is doping een Nederlands woord!

Er zijn twee verhalen over de oorsprong van het begrip dop of doop, die eeuwen teruggaan in de tijd en te maken hebben met het koloniale verleden van ons land. De oudste variant is van de zeventiende eeuw toen Nederlanders in Amerika nederzettingen bouwden, de voorloper van het huidige New York. Eén daarvan was Fort Nassau.

Via de oorspronkelijke bewoners kwamen de kolonisten in aanraking met een opwekkend drankje, dat ze doop noemden. Volgens het Etymologisch woordenboek van het Nederlands kwam dit begrip in 1623 in onze taal terecht. Dat is dus al 400 jaar geleden.

Zulk opwekkend materiaal werd in die tijd natuurlijk niet gebruikt voor de sport, want die bestond nog niet. Soldaten gebruikten het wel vaak, vooral als ze moesten vechten op leven en dood.

Een andere variant voert naar Zuid-Afrika, waar ook Nederlandse kolonisten zaten. Plaatselijke stammen dronken tijdens religieuze bijeenkomsten een drank waardoor ze in trance raakten. Zelf noemden ze dat dop, wat door de Nederlanders werd overgenomen. Hierover zegt het Etymologisch woordenboek van het Nederlands echter dat dit minder geloofwaardig is.

In bovenstaande gevallen had die doping dus niets te maken met het verbeteren van sportieve prestaties. Sanders noemt de jaren ’20 van de vorige eeuw het moment waarop doping voor de eerste keer werd genoemd als verschijnsel onder sporters.

Dat is heel goed mogelijk, omdat de sport in diezelfde periode – meteen na de Eerste Wereldoorlog – steeds meer belangstelling trok van medici. En als er iets medisch is, dan is het doping wel; ook al is het niet toegestaan. Door de groeiende medische kennis over sport werd ook duidelijker wat doping kon betekenen.

De eerste sport die dat onderkende, was – nota bene – atletiek door in 1928 op een congres in Amsterdam vast te leggen dat dopinggebruik voortaan werd verboden. Niet dat er iets werd afgesproken over controles en straffen, maar toch.

Doping in de definitie van “het toedienen van stimulerende middelen om hogere prestaties te leveren” is daarom inderdaad een moderne uitdrukking, die via het Engels de wereld over is gegaan. In de woordgeschiedenis zelf speelt de Nederlandse taal echter een beslissende rol, zodat we het woord ook als Nederlands mogen beschouwen.

Waarmee doping één van de beroemdste woorden uit onze taal is – net als apartheid en baas.

Jurryt van de Vooren
http://Sportgeschiedenis.nl
Jurryt van de Vooren is sporthistoricus. Auteur van 'Amsterdam 1928' en de Bosatlas van het Nederlandse voetbal. Bezig met boekenserie over Amsterdam en sport. Nog steeds de enige Amsterdammer die is afgestudeerd op Feyenoord.