EncyclopedieGymnastiekgeschiedenis

Algemene gymnastiekgeschiedenis

De neutrale gymnastiekorganisatie

Gymnastiek werd in de eerste helft van de negentiende eeuw in Nederland geïntroduceerd.1 In 1816 en in 1828 schreef de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen een prijsvraag uit over respectievelijk “De gezondheidsregelen voor den kinderlijken leeftijd” en “De hygiëne voor het volk”.2 De Groningse onderwijzer R.G. Rijkens begon in 1839 op zijn school met gymnastiekonderwijs naar de ideeën van de Zwitsere volkspedagoog Pestalozzi. Hij publiceerde in 1843 zijn methode in Practische handleiding voor kunstmatige ligchaams-oefeningen, bedoeld voor gebruik in huisgezinnen en instellingen voor onderwijs en opvoeding. Hij was ook de eerste in ons land die op zijn school te Onnen (Groningen) gymnastiek onderwees.3 In de volgende jaren verschenen meerdere publicaties van de hand van militairen en burgers, waarin het belang van gymnastiek voor de jeugd werd benadrukt. Zo publiceerde J.C. Smits, eerste luitenant bij het Regiment der Grenadiers en Jagers, in 1845 De gymnastiek als volksonderwijs voor allen bevattelijk gemaakt. In 1848 verscheen de Handleiding voor het onderwijs in de gymnastiek, uitgegeven met voorkennis van het Departement van Oorlog. In 1853 betoogde C. Euler in een brochure De gymnastiek en hare invoering in Nederland, dat gymnastiek in gereglementeerde vorm zou kunnen bijdragen aan de discipline en de gehoorzaamheid van de jeugd.4 In 1857 gaf J.R.A. Cromjongh een Beknopte handleiding voor de gymnastiek voor alle standen, benevens eene afbeelding der werktuigen uit.5

In 1846 diende het hoofdbestuur van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen een verzoek in bij koning Willem I om de lichamelijke opvoeding wettelijk in te voeren, maar dit leverde geen resultaat op. Het Nut besloot vervolgens zelf gymnastiekscholen op te richten. In 1852 waren er Nutsgymnastiekscholen in Amsterdam, Arnhem, Goes, Groningen, Haarlem, Rotterdam en Zwolle. In de volgende vijf jaren kwamen er nog afdelingen bij in Appingedam, Barneveld, Delfshaven, Doesburg, Dordrecht, Drachten, Elburg, Enkhuizen, Harlingen, Den Helder, Krommenie, Leeuwarden, Leiden, Lochum, Maassluis, Marum, Meeden, Meppel, Middelburg, Nieuw-Lekkerland, Sneek, Twisk, Vianen, Vlissingen en Wageningen.6 In de jaren zestig ontstonden de eerste “echte” gymnastiekverenigingen als de Scherm- en Turnvereeniging ’s Gravenhage (opgericht 27 juni 1862), de Turnvereeniging Olympia in Amsterdam (3 maart 1863) en de Amsterdamsche Gymnastiekvereeniging (22 april 1863).

Op 15 maart 1868 werd het Nederlandsch Gymnastiek Verbond (hieronder verder als N.G.V.) opgericht op de bovenzaal van “De Roode Leeuw” in Amsterdam. Zes clubs uit de hoofdstad waren aanwezig: de Amstels G.V., de Amsterdamsche G.V., Hercules, Hollandsche G.V., Lycurgus en de Onderwijzersvereeniging E.V.O.K.7 Er sloten zich in de volgende jaren steeds meer clubs aan, waarvan sommige naast gymnastiek ook schermen aanboden. In 1879 ontstonden de eerste damesgymnastiekverenigingen, namelijk de damesafdelingen van Amstels Gymnastiekvereeniging, Goessche Gymnastiekvereeniging en van Olympia Den Haag. In 1882 werd de eerste damesturnclub zonder connectie met een “mannelijke vereniging” in Dordrecht opgericht.8

In 1888 namen de clubs van het N.G.V. een nieuwe bondswet aan, waarbij onderscheid werd gemaakt in gewone en buitengewone leden; de laatstgenoemde waren clubs met koninklijke goedkeuring.9 Deze maatregel zal waarschijnlijk genomen zijn om problemen inzake aansprakelijkheid te voorkomen, mocht het verbond in financiële problemen geraken.

In 1918 bestond het N.G.V. vijftig jaar, maar dit werd vanwege de Eerste Wereldoorlog pas in 1919 gevierd. Bij deze gelegenheid kreeg het Verbond als eerste sportorganisatie het predikaat Koninklijk. Tevens gaf het Verbond het gedenkboek Beknopt historisch overzicht van het werken en streven van het Nederlandsch Gymnastiekverbond 1868 15 maart 1918 uit. Dit gedenkboek, geschreven door Joh. Heijnen, bevat een Overzicht van alle 747 clubs die tussen 1868-1917 lid van het Verbond waren.10

Vanaf de jaren twintig maakte het K.N.G.V. in het huishoudelijk reglement onderscheid in vier categorieën leden:

1. Gewone leden zijn gymnastiekverenigingen in Nederland gevestigd, die rechtspersoonlijkheid bezitten en de gymnastiekafdelingen van andere rechtspersoonlijkheid bezittende verenigingen;

2. Buitengewone leden kunnen zijn gymnastiekverenigingen in Nederland gevestigd, die geen rechtspersoonlijkheid bezitten en aan de gymnastiek gewijde afdelingen van andere niet koninklijk goedgekeurde verenigingen;

3. Ondersteunende leden zijn personen, verenigingen of instelling, die het Verbond door een jaarlijkse geldelijke bijdrage steunen.

4. Ereleden zijn personen, die wegens hun verdiensten op het gebied van de gymnastiek door een algemene vergadering met een meerderheid van minstens drie vierde der uitgebrachte stemmen als zodanig zijn benoemd.11

Verenigingen moesten minimaal tien leden hebben om in aanmerking te komen voor het lidmaatschap. Later konden gymnastiekclubs ook proeflid worden van het K.N.G.V. die hen dan bij één van de Turnkringen indeelde.12

J.J.Th. Bakker, Het Koninklijk Nederlandsch Gymnastiek Verbond. Belangrijke factor voor het herstel der Nederlandse volkskracht. Historische groei, organisatorische opbouw en culturele betekenis (Bergen op Zoom [1947]), p. 99.

Onderverdelingen

In 1888 werd voor het eerst een onderverdeling in Gewesten gemaakt:

  1. Gewest Noord-Holland
  2. Gewest Zuid-Holland en Zeeland
  3. Middengewest (bestaande uit provincies Utrecht, Overijssel en Gelderland, benoorden Rijn en Lek)
  4. Noordergewest (provincies Friesland, Groningen en Drenthe)
  5. Zuidergewest (provincies Noord-Brabant, Limburg en Gelderland, bezuiden Rijn en Lek).13

In 1895 werd een nieuwe gewestelijke indeling ingevoerd door de instelling van het gewest Zeeland (provincie Zeeland en de clubs in westelijk Brabant). Het gewest Zuid-Holland werd de gelijknamige provincie en het Zuidergewest Limburg en Noord-Brabant tot de lijn Breda-Baarle Nassau en de gemeenten bezuiden Rijn en Lek van de provincie Gelderland.14 In 1902 werd het gewest Zeeland opgeheven, waarna de resterende clubs in het Zuidergewest werden ingedeeld. In 1904 werd het gewest Zeeland echter heropgericht. In 1913 werd besloten om het Noordergewest te splitsen in twee gewesten: het gewest Friesland (provincie Friesland en Overijssel ten noorden van het Meppelerdiep en Zwolsche Diep en de gemeente Meppel) en het Noordergewest (provincies Groningen en Drenthe behalve Meppel).15

In 1919 werd een reorganisatieplan goedgekeurd, waarbij de zeven gewesten worden onderverdeeld in Turnkringen:

Gewest Friesland: Turnkringen Leeuwarden, Sneek, Gorredijk en Heerenveen.

Noordergewest: Turnkringen Appingedam, Groningen (stad), Zuidoost Groningen en Drenthe.

Middengewest: Turnkringen Noorderkwartier, Twentsche Turnkring, Sallandsche Turnkring, Neder-Veluwsche Turnkring, De Graafschap en Stichtsche Turnkring.

Gewest Noord-Holland: Turnkringen Hollands Noorderkwartier, Westfriesche Turnkring, Alkmaar en Omstreken, Kennemer Turnkring, Zaansche Turnkring, Noord-Hollands Zuiderkwartier, Amsterdamsche Turnbond, Gooische Turnkring en Purmerend en Omstreken.

Gewest Zuid-Holland: Turnkringen Den Haag en Omstreken, Leiden en Omstreken, Rotterdamsche Turnkring (Turnkring Rotterdam en Omstreken), Dordrecht en Omstreken, Gouda en Omstreken.

Zuidergewest: Noord-Brabantsche-Geldersche Turnkring, Meierijsche Turnkring en Zuid-Limburgsche Turnkring. Deze indeling werd in 1920 ingevoerd.

Gewest Zeeland: Turnkringen Breda, Bergen op Zoom, Noord- en Zuid Beveland en Walcheren. In 1922 verenigden de Turnkringen Breda en Bergen op Zoom zich tot Turnkring West-Brabant.16

Op 1 januari 1927 werden de Gewesten officieel opgeheven en werden er 29 turnkringen ingesteld.17

Officieel orgaan

In 1880 gaf het N.G.V. voor het eerst een bondsblad uit met De Turnvriend, tijdschrift gewijd aan de lichamelijke opvoeding des volks.18 Vanaf 1 januari 1883 werden de Maandberichten van het Nederlandsch Gymnastiek Verbonduitgegeven.19 Deze bladen werden in 1888 samengebracht onder de naam Het Tijdschrift van het Nederlandsch Gymnastiek Verbond.20 In 1903 begon het Verbond met de uitgave van Het Turnblad, dat in wisselende frequentie (1x per week, later 1x per 2 weken en daarna 1x per maand) uitkwam.21

De christelijke gymnastiekorganisatie

In 1857 werd het Nederlandsch Jongelings Verbond (N.J.V.) opgericht, waaruit later de eerste (mannen)-gymnastiekverenigingen voortkwamen.22 In september 1909 kwam een groepje jongelingen bijeen in het Militair Tehuis aan het Wed te Utrecht. Zij vertegenwoordigden zestien verenigingen uit het Verbond. Zij stelden een commissie aan, die de plannen voor de oprichting van een bond met statuten en reglement moest uitwerken.23

Op 26 maart 1910 werd de Christelijke Bond van Gymnastiek Vereenigingen in Nederland in het genoemde Militair Tehuis opgericht. Dit gebeurde door afgevaardigden van elf clubs, te weten Sparta (Meppel), Excelsior (Amsterdam), Oranje Nassau (Den Haag), Excelsior (Delft), S.S.S. (Apeldoorn), Prins Hendrik (Haarlem), Wilhelmina (Amersfoort), Fraternitas (Utrecht), Kracht en Vriendschap (Groningen), O.D.I. (Leiden) en De Heere Is Onze Banier (Enkhuizen). Alle 33 gymnastiekafdelingen van het N.J.V. werden aangeschreven om lid te worden, maar slechts elf werden lid en vier zonden sympathiebetuigingen.24

Op 18 februari 1911 werd op de eerste jaarvergadering te Utrecht met 9 stemmen voor en 3 blanco goedgekeurd, dat alle christelijke gymnastiekverenigingen lid van het Verbond konden worden met gelijke rechten en plichten. Op de jaarvergadering van 28 oktober 1911 werd de toetreding van damesafdelingen in de Bond aangenomen.25

Op 28 december 1923 werd de naam van de Bond veranderd in het Nederlandsch Christelijk Gymnastiek Verbond (verder N.C.G.V.).26 Het Verbond telde voortaan deze categorieën leden:

1. Gewone bondsleden zijn vereenigingen bij de Bond aangesloten en die koninklijke goedkeuring op hun statuten hebben verkregen, of afdeelingen zijnde van een koninklijk goedgekeurde vereeniging;

2. Buitengewone leden zijn vereenigingen, bij den Bond aangesloten, die echter niet koninklijk zijn goedgekeurd; zij hebben geen stemrecht;

3. Gewestelijke leden zijn vereenigingen, die ter kennismaking met de Bond, voor de tijd van een jaar lid kunnen zijn van één van de gewesten, zonder Bondslid te worden. Na die termijn van één jaar moeten dergelijke vereenigingen zich als Bondsleden laten inschrijven, willen zij aan het Bondswerk blijven deelnemen. Zij moeten zich onderwerpen aan de statuten en huishoudelijk reglement van den Bond, en melden zich schriftelijk bij den secretaris van het Gewest. Opgeven als gewestelijk lid kunnen alleen clubs die nog geen bondslid zijn geweest, alleen het dagelijks Bondsbestuur kan uitzondering hierop maken. Gewestelijke clubs betalen alleen verschuldigde bijdrage aan het gewest.27

Een kiekje uit Zeeland, waar de Propaganda-Commissie van het N.C.G.V., daarbij geruggesteund door de Zeeuwen zelf, het werk krachtig aanpakt. Bij een turnfeest in Kapelle werden de vereenigingen in het koor van de kerk ontvangen. Bron: Lichaamsoefening 9 okt. 1930, p. 507.

Onderverdelingen

Op 16 maart 1918 besloten de christelijke gymnastiekverenigingen in Gelderland en Overijssel tot de vorming van de Gelders-Overijsselsche Turnkring (later: Gewest).28 Op 6 maart 1920 richtten Kracht en Vriendschap (Groningen), Jahn (Groningen), Sparta (Meppel) en Olympia (Hoogeveen) het Noordergewest op.29

Op 20 mei 1920 werd besloten dat een christelijke gymnastiekvereniging één jaar lang proeflid van een gewest kon worden buiten de Bond om. Dit gold niet voor clubs die eerder al eens Bondslid waren geweest.30

Op 4 maart 1922 werd het Gewest Holland opgericht, bestaande uit de provincies Noord-Holland, Utrecht, Zuid-Holland en Zeeland.31

Op 30 december 1922 werden alle aangesloten clubs officieel in deze drie gewesten ingedeeld.32

In 1929 werden de eerste Kringen gevormd: Kring Amsterdam en Omstreken, Rotterdam-Dordrecht en Omstreken, Den Haag en Omstreken, Utrecht en Omstreken en West-Friesland. In 1930 volgden de Turnkringen Friesland en Groningen (stad), maar de Friese kring werd in 1933 opgeheven. In het Gelders-Overijsselsche Gewest werden geen Kringen opgericht.33

Het N.C.G.V. stelde in maart 1931 een concept voor een huishoudelijk reglement van een turnkring op.34

Officieel orgaan

Vanaf 10 augustus 1910 had het N.C.G.V. een eigen maanblad. In 1924 werd het Christelijk Sportblad voor Nederland. Weekblad, gewijd aan de belangen der lichamelijke oefening het officieel orgaan.35 In 1925-1935 publiceerde het Verbond de officiële mededelingen in Lichaamsoefening, tezamen met de Christelijke Korfbalbond en de christelijke voetbalclubs.36

Vanaf 1 april 1935 gaf het N.C.G.V. weer zelfstandig een eigen orgaan uit onder de titel Het Christelijk Turnblad.37

De katholieke gymnastiekorganisatie

In de negentiende eeuw werden in Limburg diverse gymnastiekverenigingen opgericht, maar het is niet duidelijk of zij van begin af aan van op katholieke grondslag gevestigd waren. Op 13 november 1910 kwamen afgevaardigden van acht clubs bijeen in de Sint Servatius-sociëteit te Maastricht. Het waren Furenthela (Voerendaal), Kracht Door Volharding (Maastricht), La Reine de la Liberté (Bocholtz), Olympia (Blerick), Olympia (Wijk), Oranje (Limmel), Patronaat Sint Mathias (Wijk) en Volharding (Meerssen). Zij besloten tot de oprichting van de R.K. Turnbond in het bisdom Roermond. De statuten van de bond werden op 5 juli 1911 door de bisschop van Roermond goedgekeurd.38

De R.K. Turnbond Roermond was de eerste katholieke sportbond van Nederland. Zij werd in het buitenland al gauw beschouwd als representant van de katholieke gymnastiekbeweging in Nederland. In 1911 werd zij lid van de internationale federatie van katholieke Turnbonden, waarna de bond en haar clubs regelmatig op manifestaties in met name België en Duitsland verschenen.39

In de rest van Nederland kwam de organisatie van de katholieke gymnastiekclubs later op gang. In 1918 werden er plannen ontwikkeld om ook in het aartsbisdom Utrecht en de bisdommen Breda, Den Bosch en Haarlem diocesane turnbonden op te richten, waarna er één landelijke R.K. Nederlandsche Turnbond zou moeten volgen.40 Dit leidde op 4 mei 1919 tot de oprichting van de R.K. Diocesane Gymnastiek Bond afdeling bisdom Den Bosch en op 19 augustus 1919 tot de oprichting van de Diocesane Haarlemsche Gymnastiekbond. Hierna volgden de Aartsdiocesane Gymnastiekbond op 21 november 1920 en de R.K. Diocesane Gymnastiek Bond afdeling bisdom Breda op 19 maart 1921.41

Op 8 mei 1921 kwamen alle R.K. Diocesane Gymnastiekbonden bijeen in Den Bosch voor de oprichting van de R.K. Nationale Gymnastiek Federatie, of kortweg de Nederlandsche Gymnastiek Federatie.42 Deze landelijke organisatie leidde een kommervol bestaan, aangezien de R.K. Turnbond Roermond zich uit de federatie terugtrok en de Aartsdiocesane Gymnastiekbond al gauw niets meer van zich liet horen.43 Bovendien wilden de resterende bonden allerlei aangelegenheden liefst intern regelen. In 1928 vaardigden de bisschoppen van Den Bosch en Roermond dan ook apart richtlijnen voor katholieke sportclubs uit. 44

Op 6 april 1930 werd de R.K. Gymnastiekbond in het aartsdiocees Utrecht te Arnhem heropgericht. Deze bond hield de oprichtingsdatum en de statuten van de Aartsdiocesane Gymnastiekbond uit 1921 aan.45 De aartsbisschop van Utrecht stelde ook zelfstandig richtlijnen op voor katholieke sportclubs in zijn diocese.46

In 1932 werd de R.K. Nationale Gymnastiek Federatie nieuw leven ingeblazen door de diocesane bonden van Breda, Den Bosch, Haarlem en Utrecht. In 1933 sloot de R.K. Turnbond Roermond zich ook weer bij de landelijke federatie aan.47 Binnen sommige diocesane bonden waren inmiddels onderafdelingen ontstaan, de zogenaamde kringen.48

Officieel orgaan

Sinds 1923 gaf de N.G.F. een eigen bondsorgaan Het R.K. Gymnastiekblad uit, waarin de bonden van Den Bosch en Haarlem ook hun officiële mededelingen plaatsten.49 Vanaf 2 januari 1934 gaf de N.G.F. tezamen met de diocesane bonden het orgaan De Katholieke Turner uit. In 1938 werd dit orgaan opgenomen in Katholieke Sport. Officieel orgaan van de Nationale Commissie voor Katholieke Sportbeoefening. Dit overkoepelende blad verdween in 1942.50


Noten:

1) Voor een uitgebreid overzicht van de opkomst van de gymnastiek in Nederland tot 1940: Kramer en Lommen, Geschiedenis lichamelijke opvoeding, p. 12-107. De oprichting en de ontwikkeling van de gymnastiekbonden worden hier nauwelijks behandeld.
2) Kramer en Lommen, Geschiedenis lichamelijke opvoeding, p. 20.
3) R.G. Rijkens, Praktische handleiding voor kunstmatige ligchaams-oefeningen (etc.) (Groningen 1843). Kramer en Lommen, o.c., p. 21-22 en 39-40.
4) Kramer en Lommen, Geschiedenis lichamelijke opvoeding, p. 22-25.
5) Kramer en Lommen, Geschiedenis lichamelijke opvoeding, p. 25.
6) Kramer en Lommen, Geschiedenis lichamelijke opvoeding, p. 20 en 244 (noot 12).
7) Heijnen, Beknopt historisch overzicht, p. 1 met achterin lijst van toegetreden gymnastiekverenigingen tussen 1868 en 1918. Deze lijst is verwerkt in de databank als Heijnen, Overzicht 1868-1917. Staal, Een leeuw van honderd, p. 12.
8) Heijnen, Beknopt historisch overzicht, p. 12 en 19.
9) Heijnen, Beknopt historisch overzicht, p. 34.
10) Heijen, Beknopt historisch overzicht, p. 77-101. Bakker, Het Koninklijk Nederlandsch Gymnastiek Verbond, p. 32.
11) Huishoudelijk reglement, art. 1 in Het Turnblad 20 jan. 1927, p. 852.
12) Huishoudelijk reglement, art. 2 in Het Turnblad 20 jan. 1927, p. 852.
13) Heijnen, Beknopt historisch overzicht, p. 32-33.
14) Heijnen, Beknopt historisch overzicht, p. 44-45.
15) Heijnen, Beknopt historisch overzicht, p. 52, 54 en 72-73.
16) Bakker, Het Koninklijk Nederlandsch Gymnastiek Verbond, p. 31-37.
17) Bondsverordening III Regelende de inrichting en de taak der Turnkringen, arts. 1-10 in Het Turnblad 3 feb. 1927, p. 868-869. Zie ook Idem 17 feb. 1927, p. 881. Bakker, Het Koninklijk Nederlandsch Gymnastiek Verbond, p. 35.
18) De Turnvriend, tijdschrift gewijd aan de lichamelijke opvoeding des volks (BANS 6690). Heijnen, Beknopt historisch overzicht, p. 15.
19) Maandberichten van het Nederlandsch Gymnastiek Verbond (BANS 6678). Heijnen, Beknopt historisch overzicht, p. 22.
20) Het Tijdschrift van het Nederlandsch Gymnastiek Verbond (BANS 6691).
21) Het Turnblad (BANS 6687 en 6688).
22) KNCGV 75, p. 4.
23) Een kwart eeuw Christelijke Lichamelijke Opvoeding, p. 13.
24) Een kwart eeuw Christelijke Lichamelijke Opvoeding, p. 13, 14 en 17-18. Voor een beknopt overzicht over 1910-1915, zie Lichaamsoefening 1 apr. 1925, p. 4-6.
25) Een kwart eeuw Christelijke Lichamelijke Opvoeding, p. 18.
26) Een kwart eeuw Christelijke Lichamelijke Opvoeding, p. 13, 14 en 17-18. Voor een beknopt overzicht over 1910-1915, zie Lichaamsoefening 1 apr. 1925, p. 4-6.
27) Lichaamsoefening 1 apr. 1925, p. 6.
28) Lichaamsoefening 3 mrt. 1926, p. 2.
29) Een kwart eeuw Christelijke Lichamelijke Opvoeding, p. 37 en 43-44.
30) Een kwart eeuw Christelijke Lichamelijke Opvoeding, p. 45-47.
31) Lichaamsoefening 1 apr. 1925, p. 5.
32) Een kwart eeuw Christelijke Lichamelijke Opvoeding, p. 48-50.
33) Lichaamsoefening 1 apr. 1925, p. 6.
34) Een kwart eeuw Christelijke Lichamelijke Opvoeding, p. 43-44, 46-47 en 49-50.
35) Lichaamsoefening 19 mrt. 1931, p. 161-162.
36) Christelijk sportblad voor Nederland, gewijd aan de belangen der lichamelijke oefening (BANS 6663).
37) Lichaamsoefening (BANS 6676).
38) Het Christelijk Turnblad (BANS 6664). Een kwart eeuw Christelijke Lichamelijke Opvoeding, p. 22-24. KNGV 75, p. 8.
39) Hier is gekozen voor de naam R.K. Turnbond in het bisdom Roermond, kortweg R.K. Turnbond Roermond. Andere benamingen als de R.K. Gymnastiek- en Athletiekbond in het bisdom Roermond en de L.K.G.B. (Limburgsche Katholieke Gymnastiek Bond komen ook wel voor in de literatuur; Gedenkboek 50-jarig jubileum L.K.G.B., p. 19-21.
40) Gedenkboek 50-jarig jubileum L.K.G.B., p. 21, 23-24, 28-31. Derks en Budel, Sportief en katholiek, p. 35-36.
41) Gedenkboek 50-jarig jubileum L.K.G.B., p. 33-34.
42) Gedenkboek 50-jarig jubileum L.K.G.B., p. 39. Gedenkboek N.K.G.B. 1921-1961, p. 11.
43) Gedenkboek N.K.G.B. 1921-1961, p. 12.
44) Gedenkboek N.K.G.B. 1921-1961, p. 12.
45) Sport illustratie 10 apr. 1928, p. 328-329 (Den Bosch) en Idem 18 sep. 1928, p. 919-919 (Roermond).
46) Sport illustratie 25 mrt. 1930, p. 318-319; idem 1 apr. 1930, p. 345 en 8 ap. 1930, p. 373.
47) Sport illustratie 19 aug. 1930, p. 905 en 921 en Idem 7 okt. 1930, p. 1905.
48) Gedenkboek N.K.G.B. 1921-1961, p. 11-12.
49) In Utrecht bestonden de kringen Gooi- en Eemland, Twente en Utrecht en in Limburg de kringen Venlo (ook wel Noord-Limburg), Heerlen en Maastricht; Katholieke Turner 5 mrt. 1940, p. 57 en 101.
50) Gedenkboek N.K.G.B. 1921-1961, p. 11.

Onderschriften illustraties:

  1. 1) J.J.Th. Bakker, Het Koninklijk Nederlandsch Gymnastiek Verbond. Belangrijke factor voor het herstel der Nederlandse volkskracht. Historische groei, organisatorische opbouw en culturele betekenis (Bergen op Zoom [1947]), p. 99.
  2. 2) Een kiekje uit Zeeland, waar de Propaganda-Commissie van het N.C.G.V., daarbij geruggesteund door de Zeeuwen zelf, het werk krachtig aanpakt. Bij een turnfeest in Kapelle werden de vereenigingen in het koor van de kerk ontvangen. Bron: Lichaamsoefening 9 okt. 1930, p. 507.

Advertentie

Koop bij bol.com

Huygens ING
http://resources.huygens.knaw.nl/sportbondenclubsperiodieken/gids/inleiding/inleiding
Terug naar de bron: de geschiedenis ontrafeld met nieuwe technologie. Dat is de missie van het Huygens ING, een onderzoeksinstituut op het gebied van geschiedenis en cultuur. Wij willen dat bereiken door middel van inspirerend onderzoek en het maken van innovatieve tools om oude, ontoegankelijke bronnen te ontsluiten, te begrijpen en te analyseren. Dit doen we op het gebied van de Geschiedenis, Letterkunde, Wetenschapsgeschiedenis, en Digital Humanities