Nieuw

De eerste universiteitssporters werden ondergebracht in brakke gymzalen zonder verwarming en stromend water

De universiteitssport bestaat tachtig jaar en is in die tijd enorm gegroeid. In een artikelenserie beschrijven we de geschiedenis – deel 1 over de Tweede Wereldoorlog hier.

De gymnastiekzaal van de Derde HBS was in de beginjaren één van de vele onderkomens van de Amsterdamse studentensporters. Foto via het Stadsarchief Amsterdam

De universiteitssport is met zo’n 123.000 beoefenaars één van de grootste onderdelen van de Nederlandse sportbeweging. In de afgelopen jaren schreef ik twee boeken over de geschiedenis van de universiteitssport, eerst voor de Vrije Universiteit en daarna de Universiteit van Amsterdam. Met behulp van die onderzoeken schets ik de ontwikkeling van de sportende studenten.

Sprekende over de toekomst, meende hij, dat kunst en sport een grootere plaats moeten hebben in het leven der studenten

Nieuwe tijd

Na de Tweede Wereldoorlog probeerde het universitaire leven het leven te hervatten, maar dat verliep per instelling op een eigen manier. Er waren nogal wat organisatorische verschillen, want de Vrije Universiteit en de Katholieke Universiteit Nijmegen – het huidige Radboud – hadden een binding met de religieuze gemeenschap. Rijksuniversiteiten, zoals in Leiden en Groningen, gingen uit van de overheid. De Gemeentelijke Universiteit (GU), de huidige Universiteit van Amsterdam, was weer ondergeschikt aan de Amsterdamse gemeenteraad. Dat had per instelling gevolgen voor de begintijd van de sport.

Zo was de GU in complete verwarring na de oorlog, omdat deze universiteit in de voorgaande jaren onder leiding had gestaan van een gemeente met een NSB-burgemeester. Die was dan ook gewoon doorgegaan met medewerking van een groot aantal hoogleraren, wat niet het geval was in bijvoorbeeld Leiden en bij de VU.

De hoogleraren van de GU werden na de bevrijding vernietigend beoordeeld door een College van Herstel, wat leidde tot straffen onder 31 docenten. In de eerste weken na de heropening van de universiteit leidde dat tot de merkwaardige situatie dat de studenten tijdens het lopende onderzoek wél toegang kregen tot de gebouwen, maar de hoogleraren niet.

De zuiveringen onder het wetenschappelijke personeel zorgden lange tijd voor onrust met enkele stevige botsingen tussen studenten, die in 1941 hun organisaties hadden ontbonden uit protest tegen de Joodse ledenverboden. Verder had een enorme meerderheid geweigerd om de loyaliteitsverklaringen van de Duitsers te ondertekenen, waarna zij actief werden vervolgd door de nazi’s. Het spreekt voor zich dat deze studenten geen behoefte hadden om les te krijgen van meelopers van de bezetter – in het uiterste onder dreiging van acties en demonstraties.

Gymnastiek

Deze chaotische omstandigheden beïnvloedden ook de start van sport op de GU, want die verliep net zo moeizaam. In 1946 kwam er een senaatscommissie onder leiding van hoogleraar en rector-magnificus M.W. Woerdeman. Samen met onder meer twee leden van de nieuwe studentenbelangenorganisatie ASVA formuleerde zij een plan voor lichamelijke opvoeding op de universiteit, waarbij de studenten op vrijwillige basis gratis gymnastiekonderwijs kregen.

Na overleg met wethouder mr. A. de Roos werd Piet Korver aangetrokken als de eerste sportleraar van de GU, eerder werkzaam aan de Academie voor Lichamelijke Opvoeding (ALO). Korver was een bekende atletiekcoach, die in 1936 werkte voor de Nederlandse atleten op de Olympische Spelen in Berlijn, in samenwerking met Jan Blankers, man van Fanny.

In de begintijd werkte hij samen met Titia Albertha Roos, lerares lichamelijke opvoeding. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was zij gymnastieklerares aan het Barlaeus Gymnasium. Aan de GU kreeg zij de verantwoordelijkheid voor de vrouwelijke studenten. Tijdens het eerste jaar gaf ze wekelijks zo’n vijf uur gymnastiekles. Elke vrijdagmiddag werd er onder haar leiding door de vrouwen gevolleybald. Roos werkte tegelijkertijd ook nog op het Amsterdams Lyceum.

Het duurde daarna nog enkele jaren voordat er op de GU een goede organisatiestructuur was gevonden, waarbij de studenten, de universiteit en de gemeente met elkaar samenwerkten.

De VU

Dat ging aan de VU heel anders en vooral sneller. Dat was mogelijk, omdat deze universiteit compleet werd gefinancierd door de eigen gereformeerde aanhang en daarmee een geheel onafhankelijke koers had. Er waren niet oneindig veel vergaderingen nodig met allemaal verschillende partijen om iets voor elkaar te krijgen. En dan was de VU ook nog eens veel kleiner dan de GU.

Professor Jacobus Oranje vond als rector magnificus van de VU dat zijn instelling de verantwoordelijkheid moest nemen voor het lichamelijk en geestelijk welzijn van de studenten, zo zei hij in zijn eerste toespraak na de Tweede Wereldoorlog. ‘Sprekende over de toekomst,’ aldus dagblad Trouw, ‘meende hij, dat kunst en sport een grootere plaats moeten hebben in het leven der studenten.’ Dit werd in september 1945 in praktijk gebracht met de oprichting van de Commissie voor Sport- en Cultuurleven aan de Vrije Universiteit – kortweg de Coscuvu. Hierin zaten vertegenwoordigers van de universiteit en het studentencorps.

Vooral Arie Klapwijk van het Studentencorps oefende een enorme invloed uit op de realisatie van een nieuwe en overkoepelende sportorganisatie, waar álle studenten werden toegelaten. In november 1945 was de start van de Algemene Sportverenging Vrije Universiteit (ASVU). Als voorzitter legde Klapwijk succesvol contact met Carl Gordijn met het verzoek om de eerste sportleider van de VU te worden. Nog geen half jaar na de heropening van de VU had deze instelling daarmee een nieuwe sportorganisatie voor alle studenten.

Schilderij van Carl Gordijn via de beeldbank van de Vrije Universiteit

Gezondheid

De universiteiten hadden in 1945 geen tijd te verliezen, want de gezondheid van de studenten was in de oorlogsjaren dramatisch verslechterd, al helemaal tijdens de Hongerwinter. Na onderzoek onder de studenten van het cursusjaar 1945-1946 werd bij anderhalve procent een vorm van open tuberculose geconstateerd, wat ruim twee maal zoveel was als bij niet-studenten in dezelfde leeftijdscategorie.

Met alleen de inzet van idealen en theoretische vergezichten was die situatie niet houdbaar, zodat er snel werd besloten om tbc-onderzoek onder studenten te verplichten. In die tijd kwam alles samen, want de gezondheid van studenten was ook zo slecht vanwege hun gebrekkige huisvesting en de afwezigheid van goede en goedkope eetgelegenheden. En dan was er ook nog eens een slechte medische zorg op universiteiten en een gebrek aan mogelijkheden voor lichaamsbeweging. Een beter welzijn voor studenten was daarom alleen maar mogelijk met een totaaloplossing, waarvan de sport één onderdeel was.

Zwervend bestaan

In die begintijd was er nog geen enkele universiteit met een centrale sporthal voor alle verschillende activiteiten. In Amsterdam had zowel de VU als de GU een schreeuwend gebrek aan een geschikte ruimte. Beide universiteiten hadden tot begin jaren zestig door de hele stad tientallen onderkomens in gebruik bij scholen en bedrijven, vaak in een slechte staat.

Bij de GU bijvoorbeeld werd er in 1946 en 1947 gesport in de sportzaal op het Hoofdbureau van de Politie en de gymnastiekzalen van het Vossius Gymnasium, de 3e HBS, het Barlaeus Gymnasium, de Jan Lievensschool en de Frederikschool. Die locaties waren hoogstens een paar uur per dag beschikbaar, niet op de beste tijdstippen.

Verder had alleen de politiezaal de beschikking over een verwarming, waarmee het in die eerste maanden geen pretje was in die andere gymnastiekzalen. Het was tenslotte de winter van 1946-1947, de koudste en guurste winter sinds 1789! En dan was de politiezaal ook de enige met een douche.

Toch bleef er tijdens deze barre winter een harde kern van ongeveer twintig sportende studenten actief, waarmee de Amsterdamse universiteitssport deze moeilijke periode had overleefd. Het was inmiddels wel duidelijk geworden dat structurele verbetering alleen maar mogelijk was als ook de nationale overheid zich verantwoordelijk zou voelen. Die omslag kwam in de jaren vijftig, zien we in het volgende deel.

Waardeer deze site!

Onze content is gratis. Vond je het de moeite waard? Dan kun je dat laten blijken met een kleine financiële bijdrage.

Mijn gekozen waardering € -

Jurryt van de Vooren
https://sportgeschiedenis.nl
Specialist in sporterfgoed. Al dertig jaar de enige Amsterdammer, die is afgestudeerd op Feyenoord.