NieuwVoetbal

Johan Cruijff zonder inlegvel

Iedere sportjournalist van mijn generatie heeft een unieke ervaring met Johan Cruijff. De een misschien in een nachtclub, de ander langs het veld of bij een persconferentie. Nu Cruijff postuum weer even de media beheerst, zal ik toch maar even mijn mooiste moment met hem opschrijven.

Het was een interview in januari 1987. Cruijff was trainer van Ajax, maar ik was bezig met een groot verhaal over FC Barcelona en dan vooral ook waarom die club ‘meer dan een club alleen’ was. Ik wilde Cruijff als getuige opvoeren voor het Catalaanse sentiment. Hij stemde in want hij vond het een leuk onderwerp en had er duidelijk zin in toen ik in de kantine van Ajax tegenover hem plaats nam.

Nu eens niet de waan van de dag, maar lekker praten over het leven, zijn leven wel te verstaan. Hij vroeg me of het waar was dat ik een gediplomeerd historicus was en dat ik de Catalaanse geschiedenis een beetje kende. Hij wilde weten hoe dat nou zat met Catalonië en luisterde aandachtig naar wat ik te vertellen had. ‘Iedereen denkt dat ik dit allemaal wel heb meegekregen, maar ik heb het nooit helemaal gesnapt. Ja, Franco, maar wat daarvoor aan de hand was weet ik echt niet,’ liet hij zich ontvallen toen ik het even had over de Setmana Tragica van 1909.

Jordi

Natuurlijk hadden we het over het noemen van zijn zoon naar de patroonheilige Jordi. ‘Danny en ik vonden Jordi een mooie naam. Dus ik geef die naam op bij het geboorteregister in Barcelona, zegt die ambtenaar: “Nee Jordi, dat kan niet. Jorge kan wel.” Wat bleek nu? Jordi is de naam van de patroonheilige van de Catalonië en die naam was verboden als voornaam onder Franco. Maar dat wisten wij helemaal niet. Toen heb ik Jordi in Amsterdam ingeschreven. Hij was daar immers geboren en later hebben we hem over laten schrijven naar Barcelona. Hij was de eerste Jordi die sinds Franco in Catalonië werd geregistreerd. Dat vonden de Catalanen schitterend en sindsdien werd ik nog populairder maar dat was echt niet mijn bedoeling. Soms heb je wel eens geluk.’

Het werd een onvergetelijke middag. Ik was net enthousiast uit Barcelona teruggekeerd en zat tegenover een man die met passie over die stad sprak. ‘Barcelona is een zalige stad om in te leven. Ik voel me daar thuis en als ik nu binnenrijd over de Diagonal, dan heb ik echt het gevoel dat ik weer thuis kom. Barcelona is mijn stad, zo voel ik dat. Vroeger kon ik nog wel eens een blokje lopen, wel alleen ’s nachts om één uur, maar het kon. Ik denk dat dit nu onmogelijk is. Je kunt heerlijk uitgaan in de stad en je bent meteen op het strand en binnen een uur in het binnenland waan je je in een Zwitsers bergdorp.’

Efteling

Er volgde nog een verhandeling over Gaudi, die ik helaas niet heb genoteerd. Maar we hadden het wel over ‘huisjes, die je eerder in de Efteling zou verwachten dan aan een grote boulevard’ en over een nooit afgemaakte kathedraal. Gaudi was toen nog niet zo bekend als tegenwoordig. ‘Nu Barcelona de Olympische Spelen krijgt, gaat de stad op de schop en je moet altijd maar afwachten wat de gevolgen zijn maar ik denk dat het een enorme impuls voor de stad kan betekenen.’

Over zijn tijd als voetballer in die stad raakte hij ook niet uitgesproken. ‘Tropenjaren waren het, die vijf seizoenen bij Barcelona, maar wel hele mooie. Voor een voetballer zijn de jaren tussen zijn 26e en 31e hele mooie jaren en ik heb ze toevallig daar beleefd. Ik had altijd een binding met Barça. Ik weet niet precies waarom maar ik keek vroeger altijd in de krant om achter de uitslagen van die club te komen. Dat had ik met meer clubs, in Schotland was het Glasgow Rangers en in Zwitserland Servette. Maar toen ik in 1973 naar Barça ging, kende ik die club niet echt. Ik had geen idee wat ik er kon verwachten. Wat me aansprak was dat Barça de tegenhanger van Real Madrid was en ik had het altijd onterecht gevonden dat Di Stefano, die voor Barça had gekozen uiteindelijk door Real werd opgeëist op dubieuze gronden. Ik had in 1973 ook een aanbieding van Real gekregen maar voor mij stond het toen al vast dat ik in Spanje alleen naar Barcelona zou gaan.’ Hij kon in 1971 al naar Barça samen met Michels, maar de transfers vond pas in 1973 plaats.

‘Na lang afwegen nam ik die beslissing om te gaan. Ik was ook daarin echt de eerste. Ik wist niet wat me zou overkomen maar ik voelde dat ik eraan toe was. Je moet bij een transfer niet alleen goed kunnen voetballen maar vooral ook mentaal gehard zijn. Je komt bij een nieuwe club binnen en daar moet je je wel direct waarmaken. Ik ben bij Barcelona begonnen zonder dingen te doen die ik niet gewend was. De eerste wedstrijd tegen Club Brugge stond ik er. 100.000 mensen voor een oefenwedstrijd, speciaal voor mij. Dan moet je je wel waarmaken. In het eerste jaar werden we kampioen maar eigenlijk was dat niet mijn beste seizoen, vind ik zelf. Later heb ik veel beter gespeeld maar dat zegt niemand wat want Barça werd geen kampioen meer. In het tweede seizoen (74/75) was ik op omdat ik nauwelijks rust had gehad na het WK. Ik moet altijd vijf weken vakantie hebben tussen de seizoenen, daar ben ik toen achter gekomen. Een ander feit waarom we niet meer kampioen werden was dat ik altijd tegen een schorsing opliep voor belangrijke wedstrijden. Je kunt nooit iets bewijzen, maar als ik niets meer op het spel stond gebeurde er nooit wat. Na vijf jaar was ik echt op. Ik kon niet meer. Daarom heb ik toen afscheid genomen en een paar jaar uitgerust. Maar voor mijzelf waren het natuurlijk prachtige jaren.’

Wereldburger

Cruijff vertelde dat hij in Barcelona wereldburger werd. Hij verlegde een perspectief, dat in Nederland niet veel mensen echt zal zijn opgevallen. ‘Een grappig gevolg van mijn verblijf bij Barcelona was dat ik wereldberoemd werd. Ik had weliswaar met Ajax drie keer de Europa Cup gewonnen maar dankzij Barça werd ik heel bekend in het Spaans sprekende deel van de wereld, en dan vooral Midden- en Zuid-Amerika. Het schijnt dat twee miljard mensen mij kennen, maar ik ken hen dus niet, dus daar denk ik nooit aan. Ik kan me niet eens voorstellen hoeveel mensen dat zijn. Het wordt allemaal steeds groter, maar ik ben sinds 1968 niet anders gewend. Het is wel een onbegrijpelijk dat ik nu nog populairder ben dan toen ik nog speelde en dat ik vooral populair ben in delen van de wereld waar ik nooit heb gespeeld.’

We gingen verzitten. Hij moest een sigaret bietsen.

Cruijff sprak over het hedendaagse Barcelona: ‘Camp Nou is een heerlijk stadion. Het ademt voetbal uit. Het heeft geen sintelbaan en alles staat in dienst van het voetbal. De tribunes zitten dicht op het veld. Het is prachtig om in dat stadion te mogen voetballen. Dat hebben niet veel clubs. Ik zou eventueel wel willen terugkeren bij Barcelona maar voorlopig zit dat er niet in. Want ik zou alleen gaan als ik mijn eigen ideeën ten uitvoer kan brengen. Ik wil dus volmachten en laat me niet beïnvloeden door het bestuur. Het probleem van Barça is de druk. Het is een gigantisch grote club. Dat zie je aan het bestuur, dat bestaat tegenwoordig uit 25 man. Dan speel je ook nog voor 100.000 mensen per week en heb je rekening te houden met de penya’s. Er is nooit rust. De voorzitters zijn de enigen die daar iets aan kunnen veranderen maar die zijn vaak met andere dingen of met zichzelf bezig. De organisatie is nog te amateuristisch. In mijn tijd was het nog anders. De toenmalige voorzitter Montal was een heer, tegen hem keek je op. Hij nam een paar besluiten zonder dat je er kritiek op had. Die politieke functie van de club speelt ook een rol. Dat was zeker zo in mijn tijd als speler. Ik was een echte zuil in de strijd tegen Franco zonder dat ik het zelf door had. Maar dat ben ik me pas later gaan beseffen, op dat moment had ik daar geen weet van want ik was koud bij Barça en wilde vooral goed voetballen. Toen we kampioen werden zei niemand ‘gefeliciteerd’ maar alleen ‘dankjewel’. Toen ik vroeg waarom ze dat deden, legden ze me uit dat ze me wilden bedanken voor de overwinning op Madrid want daar hadden ze veertien jaar op gewacht. Dat dat kampioenschap zo belangrijk was, daar was ik echt niet van bewust.’

Nuñez

En toen kreeg het gesprek een andere wending: ‘Onder Nuñez is de naam van de club slechter geworden. Iedereen die bij Barcelona werkt sinds hij voorzitter vertrekt met problemen. Elke trainer faalt. Dat kan niet, dus is er iets mis. Nuñez heeft geen niveau, geen stijl. Het zou me niets verbazen als Barça binnenkort failliet gaat. Maar dat maakt toch niets uit want dan lappen alle socios even honderd gulden en is er weer voldoende in kas om een nieuwe ploeg op te bouwen. Barça kan nooit kapot gaan maar op deze manier zal het ook nooit de Europa Cup winnen want er gebeurt altijd wel iets waardoor het elke keer mis gaat. Dat is op zich natuurlijk wel jammer.’

Opeens keek Cruijff op zijn horloge, we waren al ruim drie uur bezig. Vanuit het raam zag ik dat het al begon te schemeren. ‘Ik ben helemaal de tijd vergeten. Ik zou Jordi ophalen van school, dus dit interview is nu ten einde want ik moet me haasten om nog op tijd te zijn. Dit is toch wel voldoende voor een leuk stukkie.’ Hij stond op en ging er vandoor, zwaaide uit de auto nog naar me. Ik had de grote Cruijff geïnterviewd en wist dat mijn broers zeer jaloers zouden zijn.

Rel

De opmerkingen van Cruijff over Nuñez zouden een jaar later voor een enorme rel zorgen in de Catalaanse media. Ik kreeg een verzoek van zijn ‘woordvoerders’ om duidelijk te maken dat ik het scherper had opgeschreven dan Cruijff het had gezegd. Gedurende een paar maanden stond hij me niet te woord omdat ik weigerde zijn woorden af te zwakken. Hij vond me maar lastig. Pas tijdens de EC II-finale in Bern van Barça tegen Sampdoria kwam hij spontaan naar me toe, nadat ik de wedstrijd naast Johan Derksen had doorgebracht en al het zeer door de andere Johan was weggemasseerd. ‘Sorry, maar ik denk dat de beste vanavond heeft gewonnen maar dat clubje van je verdient wel een compliment.’ Ik lachte verlegen: ‘De beste heeft vandaag gewonnen.’

Ik hoop vooral dat de echte liefde van Cruijff, die voor Barcelona, uitgebreid aan bod komt in de nu veelbesproken biografie.

Waardeer dit artikel!

Dit artikel las je gratis. Vond je het de moeite waard? Dan kun je je waardering laten blijken met een kleine financiële bijdrage.

 
Mijn gekozen waardering € -

Jurriaan van Wessem
Jurriaan van Wessem (1960) is historicus en journalist. Hij was onder meer eindredacteur voor het voetbalmaandblad Elf, was medewerker van De Volkskrant en La Gazzetta dello Sport en werkte als correspondent voor de GPD-bladen. Door zijn activiteiten en verblijf in het buitenland heeft hij een brede visie op het internationale voetbal.