Niemand weet het, maar het Studentensportcentrum USC huisvest de grootste sportvereniging van Amsterdam.
Op 5 mei 1976 werd in Amsterdam-Zuid het sportcentrum geopend van de Universiteit van Amsterdam. Precies een halve eeuw later is dit uitgegroeid tot de grootste sportvereniging van de stad.
Interieur van het universitaire sportcentrum aan De Boelelaan in Amsterdam. Foto via het Stadsarchief Amsterdam. De hele serie is van Doriann Kransberg
De studentensport op de Universiteit van Amsterdam liep tien jaar achter op de rest van het land.
Er werd regelmatig door ambtenaren aan mij gevraagd wie ik eigenlijk was
Bijna klaar
Bijna tot op de laatste dag was onduidelijk wanneer de opening zou zijn van het Sportcentrum aan de De Boelelaan, het eerste centrale onderkomen van de universiteitssport van de UvA. Op 25 maart 1976 was er een vergadering met vertegenwoordigers van de universitaire sportclubs.
‘Het gebouw is nu klaar,’ hoorden de aanwezigen, maar vanwege een nieuw conflict tussen de universiteit en de aannemer kon dat niet in gebruik worden genomen. ‘Een T.N.O.-rapport zal binnenkort hopelijk uitkomst brengen zodat het gebouw omstreeks 1 mei geopend kan worden.’
Die voorspelling was heel behoorlijk, want deze plechtigheid was uiteindelijk op 5 mei. Het was een historisch moment, want de eerste oproep voor zo’n centrale plek voor de universiteitssport was inmiddels al dertig jaar oud.
Toch was er bijna geen belangstelling voor. UvA-tijdschrift Folia Civitatis besteedde er in die weken geen enkele aandacht aan. De universiteitssport was halverwege de jaren 70 een blinde vlek van dit universiteitsblad, want zowel het jaar vóór de opening als het jaar erna verscheen hierover geen enkel redactioneel verhaal.
Hetzelfde gold trouwens voor veel medewerkers van de universiteit, die er geen idee van hadden wat er allemaal gebeurde in Amsterdam-Zuid – ver weg van het Maagdenhuis op het Spui.
“Er werd in mijn begintijd regelmatig door ambtenaren aan mij gevraagd wie ik eigenlijk was,” zo vertelde Anja van Wingerden mij twee jaar geleden, in 1989 aangesteld als directeur. “Het was hun helemaal niet bekend dat er een Sportcentrum op de De Boelelaan was.” Het gebouw was toen al meer dan tien jaar in gebruik…

Foto via het Stadsarchief Amsterdam
Ruzies
Die merkwaardige positie van de sport op de UvA was een probleem, dat al veel langer bestond. Begin jaren zestig kwam er veel overheidsgeld vrij voor de aanleg van sportcentra op universiteiten en hogescholen, waarna er door heel het land panden werden geopend. Tilburg deed dat in 1964, Nijmegen in 1966, de Vrije Universiteit in 1966, Eindhoven in 1967, Groningen in 1967 en Enschede in 1969.
De opening in 1976 van het sportcentrum van de UvA was dus heel laat. De universiteit betaalde al wel sinds 1966 erfpacht voor de grond aan de De Boelelaan, waarop de sporthal uiteindelijk werd gebouwd. Er gebeurde niets, omdat de plannen keer op keer werden bijgesteld of werden getroffen door tegenslag. In de archieven wemelt het van de verslagen van wéér een extra vergadering in crisissfeer. Uit deze documenten blijkt zelfs dat de bouw van het sportcentrum aan de De Boelelaan zelfs bijna was afgelast.
Juist in die jaren 60 sloeg een deel van de studentenbeweging een compleet nieuwe weg in. De ASVA was aanvankelijk opgericht om de belangen van alle studenten te behartigen, maar halverwege dit decennium ontwikkelde zich een politieke tak met zeer linkse maatschappelijke opvattingen. De Maagdenhuisbezetting van 1969 was de climax, waarna niemand op de universiteit elkaar nog vertrouwde. Aan de studentensport dacht niemand meer. Er waren weliswaar nog steeds duizenden studenten lid van sportverenigingen, maar dat was even geen prioriteit meer voor de politieke studentenbeweging.
Ook binnen de Universiteitsraad was twijfel over de noodzaak van een centraal pand voor de sport. In plaats daarvan moesten er door de hele stad kleinere buurtsportcentra komen, waar iedereen gebruik van kon maken, en dus niet alleen de studenten. Zelfs bij het studentencorps waren eind jaren zestig voorstanders te vinden van dit linkse standpunt van sportieve gelijkheid en broederschap.
Deze nieuwe inzichten over gedeelde sportcentra botste alleen wel met de realiteit, omdat de complete Nederlandse sportwereld toen al een kwarteeuw werd belemmerd door enorme tekorten aan veilige faciliteiten. Er was simpelweg geen ruimte voor heel veel kleine panden.
De problemen hielden aan, omdat de onderwijsminister opeens een bouwstop afkondigde. Daarna twijfelde het College van Bestuur weer, dat in 1971 was ingevoerd als het hoogste uitvoerende gezag van de UvA,
Op 27 maart 1973 stemde de Universiteitsraad dan eindelijk definitief in met de bouw, waarmee er een einde was gekomen aan meer dan tien jaar discussies en gedoe. Begin 1974 gaf Publieke Werken en Stadsontwikkeling ook officieel toestemming. ‘De heivergunning wordt binnenkort verleend,’ schreef dagblad De Waarheid. ‘Met de bouw van het centrum zal dan worden aangevangen.’
Foto via het Stadsarchief Amsterdam
Robuust
De universitaire sportwereld zelf was natuurlijk verguld. ‘Het gebouw was zeer functioneel en degelijk gebouwd,’ blikte Theo van Uden in 2017 terug in het jubileumboekje 40 jaar USC. ‘Het enige frivole bestond uit een rij emaille platen boven de ingang met blauwe strepen in verschillende schakeringen.’
Nog belangrijker was wat er binnen allemaal gebeurde. ‘Wat was het gebouw geschikt voor sport,’ somde Van Uden verder nog op. ‘Indeling, voorzieningen, faciliteiten, luchtbehandeling: bij alles was de sportfunctie uitgangspunt. Het gebouw had zeker nog een halve eeuw meegekund.’
Ruud Vos heeft de hele periode aan de De Boelelaan meegemaakt, inclusief de voorafgaande debatten en alle voorbereidingen. Als eerstejaars student Politicologie was hij in 1966 lid geworden van de Universitaire Sportverenging. “Ik speelde volleybal en basketbal, maar met basketbal ben ik snel gestopt. Volleybal heb ik tot 1976 volgehouden, maar toen ging ik door mijn knie.”
Vóór de opening van het sportcentrum aan de De Boelelaan gebruikte de universiteit panden door de hele stad. Het was een logistieke nachtmerrie om daarin een samenhangend aanbod te realiseren.
Ná de opening van het sportcentrum werd Vos daar sportleider. Hij roemde de robuustheid van het pand. “Qua structuur was het een stevig gebouw. Daar zat een hoeveelheid beton in, dat hou je niet voor mogelijk. Dat was niet zo makkelijk kapot te krijgen.”
Toch zou dat gebeuren vanwege de oprukkende Zuid-As. Het sportcentrum verhuisde in 2010 naar Watergraafsmeer, waar het nog steeds zit. Met meer dan 20.000 leden is het nu de grootste sportvereniging van Amsterdam.



