Vloeken in de kerk: 125 jaar studentensport op de Vrije Universiteit
Op 15 april 1901 verscheen een opmerkelijk artikel over de rol van sport op de Vrije Universiteit. Hierin werd het fundament gelegd van een sporttraditie, die lange tijd onzichtbaar is gebleven.
Het voetbalteam van de Vrije Universiteit op een veld voor de instelling. Foto Doriann Kransberg via het Stadsarchief Amsterdam
Het Sportcentrum van de Vrije Universiteit werd in 1966 in gebruik genomen. De geschiedenis van studentensport op deze instelling gaat veel verder terug.
Leve de sport! Leve de lichaamsoefening!
Vloeken in de kerk
Okeanos is de studentenroeivereniging van de Vrije Universiteit. ‘Bewegingsonderwijs, lichamelijke oefening, sport?,’ schreef de club in het jubileumboek uit 2007. ‘Het waren ongebruikelijke woorden in de context van de Vrije Universiteit in de jaren na de Tweede Wereldoorlog. In gereformeerde VU-kringen gold sportbeoefening als vloeken in de kerk.’
Anders gezegd: gereformeerden hebben nooit belangstelling gehad voor sport en lichaamsbeweging. Zo zag Okeanos een sporttraditie over het hoofd, die op de eigen universiteit precies 125 jaar bestaat.
Hetzelfde is het geval binnen het sporthistorische onderzoek. Jelle Zondag schreef in zijn boek Volkskracht over Jan van Geuns, die in 1812 het eerste Nederlandstalige standaardwerk over lichamelijke oefening in het onderwijs publiceerde. ‘Hierin stelde hij dat lichamelijke oefening drie doelen diende: ze bevorderde de gezondheid, ze had een maatschappelijke functie doordat het bepaalde vaardigheden bijbracht, en ze had een religieuze betekenis, omdat het lichaam een door God gegeven geschenk was, dat niet verwaarloosd mocht worden.’
Volgens Zondag bleven de eerste twee argumenten voor lange tijd de belangrijkste in de propaganda voor de gymnastiek, maar dat is niet helemaal waar. De gedachte dat het lichaam door God was gegeven, heeft in de Nederlandse situatie wel degelijk een rol gespeeld, onder meer op de Vrije Universiteit.
Studentensport
Jan Geelkerken schreef zich in 1899 in bij de VU als student theologie, waar hij college volgde bij onder meer Abraham Kuyper, één van de stichters van de VU. Tien jaar later rondde hij zijn promotie af.
Als corpslid toonde hij zich bijzonder geïnteresseerd in de moderne sportbeoefening, die toen net opkwam. Dat gebeurde vanaf de tweede helft van de 19e eeuw ook op universiteiten. De roeiverenigingen Njord uit Leiden en Laga uit Delft streden in 1878 voor de eerste keer tegen elkaar in de Varsity. De eerste overkoepelende organisaties waren de Nederlandsche Studenten-Roeibond in 1883 en de Interacademiale IJsbond in 1896.
Schermen was geliefd onder studenten, vaak in combinatie met turnen. De Studenten Gymnastiek- en Scherm Vereeniging Olympia uit Utrecht is van 1840 en bestaat nog steeds – inmiddels ook met darts en boksen. Deze sportcultuur stond los van de burgerlijke organisaties, via sub-verenigingen van de studentencorpsen. De universiteiten zelf bemoeiden zich er verder niet mee.
Geelkerken was lid van het studentencorps van de VU, dat sinds 1881 bestond. Op zijn universiteit was begin vorige eeuw nog geen georganiseerde sportbeoefening, behalve enkele gymnastiektoestellen in de tuin van het VU-hospitium op de Keizersgracht. De kans dat de bewoners die daadwerkelijk gebruikten voor sportieve oefeningen is verwaarloosbaar, want in het studentenleven was er meer aandacht voor alcohol en sigaren dan voor lichaamsbeweging.
Jan Geelkerken, foto via het Stadsarchief Amsterdam
Nieuwe kracht
Dat zinde Geelkerken helemaal niet. Op 15 april 1901 plaatste hij daarom een lang artikel over sport en lichamelijke opvoeding in Manus manum lavat, het gezamenlijke orgaan van het corps van VU-studenten en het studentencorps Fides Quaerit Intellectum uit Kampen.
Zijn betoog begon als een waarschuwing tegen sportverdwazing, waarbij iemand alleen maar geïnteresseerd was in overwinningen en records. ‘Bij een groot aantal onzer jonge mannen is alle hooger geestesleven uitgestorven, hun hart en hoofd gelijkt een uitgebranden krater. Ze zijn de onverschilligheid zelf, aan alle idealisme vreemd.’
Dat was voor Geelkerken geen reden om die nieuwe ontwikkeling de rug toe te keren. ‘Trots deze excessen, trots de duizenden verslagenen, leve de sport! Weg met de excessen, leve de lichaamsoefening! Ze is voorbij, gelukkig voorbij, geborgen und aufgehoben die conservatieve, saaie, slaapmutsen-periode! Liever strijden tegen te wild uitschietende loten van ongebreidelde kracht dan tegen den Jan-Saliegeest! Nieuw leven, nieuwe kracht is gekomen in de zonen van Holland, ook dank zij de sport.’
Geelkerken sloot zijn betoog af met een oproep voor een eigen studentensportvereniging op de Vrije Universiteit, die het startpunt moest worden van ‘vele machtige clubs, hare talrijke leden, stoere, frissche, kerngezonde jonge mannen, met een harmonisch ziel- en lichaamsleven, die zich oefenen in allerlei sport.’
Abraham Kuyper
Als theoloog in opleiding gebruikte Geelkerken het christelijke argument om het lichaam te onderhouden, zoals Van Geuns in 1812 al schreef. ‘Waar gij een lichaam hebt met goede gaven gesierd en die gaven niet ontwikkelt, maar door eenzijdige bearbeiding uwer ziel alleen, dat lichaam zelfs schaadt, daar staat gij schuldig, schuldig aan verzuim van uw plicht, schuldig aan wegwerping van uw talent, schuldig aan schending van Gods harmonie, schuldig aan verdere verstoring van Gods schepping!’
De theologiestudent wees sport daarmee niet af vanwege zijn gereformeerde gezindheid, maar gebruikte zijn geloof juist als argument om wél aan lichaamsbeweging te doen. Hij stond niet alleen, want nota bene Abraham Kuyper zelf, bij wie Geelkerken colleges heeft gevolgd, was een geestverwant.
Kuyper was als kind namelijk al een fanatiek beoefenaar van gymnastiek, schermen en zwemmen. “Heel mijn lange leven heb ik den plicht van flinke lichaamsbeweging verstaan,” zei hij in 1913 tijdens een feestrede bij de Bond van Gereformeerde Jonglingsvereenigingen. Hij was een fanatiek alpinist en maakte jaarlijkse tochten in Zwitserland, Tirol, de Pyreneeën, Noorwegen en de Verenigde Staten. Hij blikte er trots op terug bij de gereformeerde jongeren: “In de beste jaren van mijn mannelijke kracht beklom ik telken jare wekenlang hooge bergtoppen, soms met marschen van over de tien en twaalf uur per dag.”
Johan Snel schreef er in 2020 uitgebreid over in zijn biografie over Kuyper, waaruit blijkt dat deze sportieve inspanningen een spiritueel karakter hadden. ‘In het hooggebergte stuitte je letterlijk, fysiek, op de grenzen van de menselijke ervaring. Maar juist zo, door onze beperking heen, ving je een glimp op van Gods werkelijkheid.’
Abraham Kuyper (midden) eind 19e eeuw met twee zonen tijdens een wandeling door de Dolomieten. Foto via de Beeldbank Universiteitsbibliotheek Vrije Universiteit
De plicht tot sport
Deze sporttheologische inzichten legde Kuyper ook in zijn feestrede voor. Net als Geelkerken wees hij zijn gehoor erop dat een christen de plicht heeft om verantwoord met zijn lichaam op te gaan: “Physieke kracht is der jongelingen sieraad in ’t gemeen, maar bij jongelieden van Gereformeerden huize ontplooit zich die grondkracht van ’t wezen straks vol bewust in dit andere drietal, in geloofskracht, in zedelijke kracht, en in kracht voor uw levenstaak.”
Sport en lichaamsbeweging stonden voor Kuyper en Geelkerken daarmee niet op zichzelf, maar waren onderdeel van de totale ontwikkeling van de mens. “De Romeinen hadden ook een spreekwoord dat hier te pas komt,” zei Kuyper. “Ze roemden op een sana mens in corpore sano; wat zeggen wil: een flinke kop zit alleen op een flink, gezond lichaam.”
Ondanks deze geestverwantschap met Kuyper kreeg Geelkerken aanvankelijk geen steun voor zijn gereformeerde sportclub voor studenten. Hij haalde daarom eerst zelf zijn schermdiploma, waarna hij eind 1901 opnieuw een poging waagde in Nil desperandum Deo duce, het orgaan van het VU-studentencorps. ‘Velen begrijpen, als ze de lijst der clubs zien, dat het een ongezonde toestand is, dat er geen enkele schijnt te bestaan voor lichaamsoefening, in onzen tijd van sport. Velen geneeren zich, als ze hunne povere, magere armpjes, dunne beentjes, zwakke lichaamjes aanzien.’

Dit artikel is gebaseerd op mijn boek ‘Een bijzondere beweging’, dat ik in 2022 schreef in opdracht van het Sportcentrum VU. Hier kopen.
Ursus
Dit keer slaagde hij wel in zijn opzet, want op 29 januari 1902 was de oprichtingsvergadering van de Gymnastiek- en Schermvereeniging Ursus, de eerste sportclub in de geschiedenis van de Vrije Universiteit. Geelkerken werd natuurlijk benoemd tot praeses. ‘Voorloopig zal slechts eenmaal ’s weeks geoefend kunnen worden, op een nader te bepalen avond, gedurende 2 uur.’
Er waren negentien aanmeldingen, zoals het hoort alleen van corpsleden. Een opvallende naam was Ferdinand Postma, die in zijn latere loopbaan rector werd aan de universiteit van Potchefstroom, het intellectuele hart van de ultraconservatieve Boeren en de latere Apartheid.
Verder valt Abraham Arnold Lodewijk Rutgers op, die wis- en natuurkunde studeerde. Dat kon in die tijd alleen nog niet op de VU, zodat hij voor zijn hoofdvakken naar de Universiteit van Amsterdam ging, aangevuld met algemene colleges op de VU. Zijn sportieve heil zocht hij blijkbaar liever bij zijn geloofsgenoten.
Uiteindelijk bestond Ursus slechts vijf jaar en kwamen de VU-studenten pas na de Eerste Wereldoorlog opnieuw in beweging. Geelkerken werd in zijn latere loopbaan predikant, waarbij hij een hoogoplopend conflict veroorzaakte in zijn kerkverband, de Gereformeerde Kerken. Hij meende dat het Bijbelse verhaal over de sprekende slang in het paradijs niet letterlijk genomen hoefde te worden, maar ook als metafoor mocht worden gezien voor de zondeval. Deze onorthodoxe interpretatie leidde in 1926 tot een breuk met de Gereformeerde Kerken.
De lichaamsoefeningen van Kuyper zorgden in 1911 trouwens nog voor een schandaal, omdat hij die in een Brussels hotel geheel naakt had gedaan, inmiddels 74 jaar oud. Hij had zich niet gerealiseerd dat iedereen hem kon zien op het nabijgelegen plein, waarna een agent hem verzocht om de gordijnen te sluiten.
De eerste sporters van de VU
- Adrianus Marinus van den Berg (Delft, 1877), theologie en letteren, predikant
- Foeke van den Bosch (Beetsterzwaag, 1877), rechten
- Jan Frederik van Beeck Calkoen (Utrecht, 1881), rechten
- Jan Gay (Werkendam, 1878), rechten
- Johannes Gerardus Geelkerken (Alkmaar, 1879), theologie
- Cornelis Jan Heemskerk (Hilversum, 1882), rechten
- Johannes Krüger (Den Haag, 1881), rechten en theologie
- Jan Hendrik Monnik (Vorden, 1878), rechten
- Jan Berend Roelf Jakobus Tonke Pilon (Heemse, 1881), rechten
- Ferdinand Postma (Aliwai-Noord in Zuid-Afrika, 1879), letteren, werd later rector in Potchefstroom
- Michiel Jacobus Pretorius (Middelburg, 1878), rechten
- Rients Rientsma (Bolsward, 1881), theologie
- Abraham Arnold Lodewijk Rutgers (Amsterdam, 1884), studeerde eigenlijk op de Universiteit van Amsterdam
- Herman Cornelis Rutgers (Amsterdam, 1880), theologie
- Gazte Scheepsma (Schettens, 1901), theologie
- Arnout Jacob van Schelven (Haarlem, 1882), rechten
- Jan Cornelis Smit (Zuidbroek, 1878), rechten
- Jacob Tiemersma (Arum, 1879), theologie
- Cornelis Versluis (Amsterdam, 1880), rechten




