NieuwOlympische Spelen

De boodschap van Olympic Day: NGO’s moeten hun plek opeisen bij het IOC

De 23e juni is Olympic Day omdat op die dag in 1894 het Internationaal Olympisch Comité werd opgericht – inmiddels 124 jaar geleden. We staan dus aan de vooravond van het 125-jarige jubileum en daarom heeft Sportgeschiedenis een groot aantal IOC-leden doorgelicht om de maatschappelijke positie van deze organisatie te bepalen. Conclusie: het leger is verdwenen, tijd voor de komst van NGO’s.

Bezoekers van het eerste IOC-congres in 1894

‘Van 16 tot 24 Juni a.s. zal te Parijs een internationaal congres worden gehouden tot het instellen van gemoderniseerde Olympische spelen,’ schreef dagblad De Tijd op 15 juni 1894. Op 23 juni werd het IOC zelf opgericht met M. Bikélas uit Griekenland als eerste voorzitter, aldus tijdschrift De Athleet. Pierre de Coubertin, de geestelijk vader van de olympische beweging, zat er natuurlijk ook bij. In totaal namen er dertien mensen plaats in het IOC.

Precies 124 jaar later bestaat het IOC uit 99 leden, nog los van de 41 ereleden en erevoorzitter Jacques Rogge. In alle jaren bij elkaar opgeteld zijn er precies 557 IOC-leden geweest met Sarah Walker uit Nieuw-Zeeland voorlopig als het laatste. Ze deed twee keer mee aan de Spelen bij de BMX en won in 2012 zelfs zilver. Binnen het IOC van dit moment behoort zij zo tot de groep van 36 officials, die zélf ooit hebben meegedaan aan de Olympische Spelen – iets meer dan een derde van het totaal.

Dat is een heel groot aandeel, maar goed, dat het IOC uit sporters bestaat wordt beschouwd als de normaalste zaak van de wereld. Er zijn namelijk mensen die zeggen dat de Olympische Spelen een sportevenement zijn en dat er daarom vooral sporters voor nodig zijn om dat te organiseren. In de geschiedenis van het IOC was het echter geen vanzelfsprekendheid dat hier zoveel sporters bij waren aangesloten, want aanvankelijk was het juist exclusief terrein voor mensen met een adellijke achtergrond en al helemaal voor beroepsmilitairen – zo blijkt in ieder geval uit analyse van de maatschappelijke achtergrond van deze officials.

99 + 99

De aanloop naar de 125e verjaardag is een goed moment om de historische ontwikkeling vast te leggen van de maatschappelijke samenstelling van het IOC. Zo weten we niet alleen wat er in de afgelopen 125 jaar is gebeurd, maar ook welke positie die organisatie nu inneemt en of er wellicht wijzigingen op zijn plaats zijn.

Hiervoor heb ik twee keer 99 IOC-leden doorgelicht: de 99 van nu en als historisch vergelijkingsmateriaal ook de éérste 99 leden van het IOC – als een spiegeling in de tijd. Zo kon ik achterhalen welke maatschappelijke posities die mensen vroeger innamen en hoe dat nu is. Daarbij heb ik een onderverdeling gemaakt in vier categorieën: Sport, Staat, Leger en Privaat.

Onder Sport verzamel ik mensen, die eerst zelf meedoen aan de Olympische Spelen en na beëindiging van hun actieve loopbaan een nieuw leven beginnen als sportbestuurder. Het beste Nederlandse voorbeeld is Anton Geesink, die zijn sportieve successen een vervolg gaf als sportbestuurder. De huidige IOC-voorzitter Thomas Bach is internationaal exemplarisch als voormalig olympisch schermkampioen. Zij zijn in feite van binnenuit opgegroeid en steeds hoger in de olympische boom geklommen (of geduwd).

Er zijn echter ook veel IOC-ers van buiten de sport, om te beginnen de mensen die op één of andere manier politieke of bestuurlijke verantwoordelijkheid dragen in hun land, al dan niet door geboorterecht. Een belangrijke groep IOC-leden is van koninklijke bloede, uit een adellijk geslacht of – tegenwoordig – uit een Arabische dynastie. Verder betreft het mensen die lid zijn (geweest) van een parlement of regering of als diplomaat de belangen van hun land vertegenwoordigen. Camiel Eurlings of koning Willem-Alexander behoren beide tot deze groep. Ze zijn allen vertegenwoordiger van een politiek systeem, die ik verzamel onder het trefwoord Staat.

Ook heb ik gekozen voor een speciale groep van IOC-leden met een militaire loopbaan: Leger. In onze tijd komt dat niet meer voor, maar onder de eerste 99 olympische officials wemelde het juist van de militairen. In zekere zin vertegenwoordigen zij eigenlijk ook de staat, maar dan met andere middelen. In de Eerste Wereldoorlog stonden zo veel van deze olympische officials letterlijk tegenover elkaar in een strijd op leven en dood.

De laatste groep is het meest divers, die ik Privaat noem: mensen van buiten de sport en de staat. Hier gaat het dan om mensen uit met name de zakenwereld, de wetenschap, het onderwijs of de media. Dit is altijd een belangrijke groep geweest binnen het IOC, alhoewel er bij de samenstelling hiervan grote veranderingen zijn geweest sinds 1894 – daarover later meer.

Het IOC in 1896

Papieren werkelijkheid

Deze strikte scheiding in vier verschillende groepen zorgt natuurlijk voor problemen, omdat er veel overlappingen zijn. Veel leden van koninklijke afkomst waren ook militair, meestal zelfs opperbevelhebber. Verder zijn er mensen die zowel succesvol zijn in de politiek als in de sport. Er zijn ook olympisch kampioenen terecht gekomen in de zakenwereld. De echte wereld leent zich gewoon wat minder goed om in vakjes op te delen dan op papier, maar voor het overzicht heb ik de 198 IOC-leden toch allemaal verdeeld over deze vier verschillende groepen.

Franco Carraro is een goed voorbeeld van een IOC-lid uit die verschillende werelden, waarbij het moeilijk is om te bepalen tot welke groep hij nou behoort. Deze Italiaan combineert sport, politiek en bedrijfsleven. Sinds 1982 zit hij in het IOC en heeft hij een uitgebreid cv als voormalig waterskiër, burgemeester van Rome, voorzitter van het Italiaans Olympisch Comité, voormalig minister en organisator van het WK voetbal 1990. Daarbij was hij om de haverklap betrokken bij een groot aantal schandalen, maar tot nu toe kletst hij zich overal uit.

Omdat hij zo’n uitgebreide staat van dienst heeft in de politiek, heb ik hem toegevoegd tot die groep. Het is tenslotte een belangrijk netwerk waar hij gebruik van kan maken voor zijn werk bij het IOC. Discutabel, maar voor deze analyse geeft het wel belangrijke inzichten als dit wordt toegepast op twee keer 99 IOC-leden.

Om die maatschappelijke posities te herleiden heb ik gebruik gemaakt van twee bronnen. Voor de eerste 99 leden, dat wil zeggen van Pierre de Coubertin in 1894 tot en met Sigfrid Edström in 1921, heb ik de gegevens gebruikt uit de serie The Biographies of All IOC-Members, die in maart 2009 begon in Journal of Olympic History en nog steeds loopt. Voor de huidige IOC-leden gebruik ik de biografieën van het IOC zelf (waar natuurlijk dan weer niets staat over de fraudegevoeligheid van Carraro, maar dat is voor dit onderzoek toch niet relevant).

Dat levert de volgende twee grafieken op:

Het is meteen zichtbaar dat er in honderd jaar heel veel is veranderd. Het aandeel van het leger is volkomen verdwenen binnen het huidige IOC. Alleen onder de ereleden zijn nog twee vertegenwoordigers uit deze branche te vinden, maar die tellen niet mee in dit onderzoek.

Hun plek is vooral ingenomen door de sportwereld. Dat er in het begin geen mensen in het IOC zaten die op de Olympische Spelen waren geweest, is natuurlijk volkomen logisch, omdat in 1894 de eerste editie nog moest komen. Dat neemt niet weg dat de inbreng van leger en staat bij het IOC gigantisch was tot 1921.

Een andere grote verandering is niet zichtbaar in deze statistiek, maar verstopt onder Privaat. De samenstelling van deze groep, zo schreef ik hierboven al, is namelijk grondig veranderd in 125 jaar. Nu bestaat die vooral uit mensen uit het bedrijfsleven, zoals de Zuid-Koreaan Kun-Hee Lee, topman van Samsung (en betrokken bij een reeks gigantische schandalen). Vroeger waren dat vooral mensen uit wetenschap en de journalistiek, die zo in het IOC een plaats hadden gevonden, alhoewel er toen ook al mensen waren aangesloten die tot de allerrijksten ter wereld werden gerekend.

Geen scheiding met politiek

Toch is ook weer niet alles veranderd, want zowel bij de eerste 99 IOC-leden als bij de huidige 99 valt op hoe groot het aandeel is van mensen met een politieke achtergrond, zoals koningen, sjeiks, ministers, diplomaten en parlementariërs. Opvallend, want het IOC benadrukt graag dat sport en politiek van elkaar gescheiden moeten blijven. Dat laat het dan niet zien bij de samenstelling van zijn eigen leden – niet in 1894 en niet in 2018.

Met behulp van deze gegevens zijn er twee conclusies mogelijk, die elkaar tegenspreken: het IOC moet minder mensen uit politiek en overheid toelaten tot zijn organisatie óf het IOC moet erkennen dat sport en politiek wel degelijk met elkaar zijn verbonden. De tweede mogelijkheid ligt dan het meest voor de hand, omdat dat nu eenmaal zo is. Voor het organiseren van mega-evenementen is het van groot belang dat er veel kennis is van politiek en diplomatie, omdat het ook op dat niveau moet worden afgehandeld.

Alhoewel het voor het IOC logisch lijkt dat er zoveel mensen uit de sportwereld bestuurlijke verantwoordelijkheid dragen moet juist dit punt ter discussie worden gesteld. Want hoe vanzelfsprekend is het dat een atleet die drie keer olympisch goud heeft gewonnen automatisch weet wat er komt kijken bij de organisatie van de Olympische Spelen? Wat de maatschappelijke gevolgen hiervan zijn – zowel positief als negatief? Daarvoor is vakkennis nodig en het is niet zo dat een sporter die er gratis bij krijgt als die zojuist een olympische finale heeft gewonnen.

Integendeel, iemand met een jarenlange loopbaan als topsporter heeft al die tijd in een maatschappelijke tunnel geleefd en is alleen maar met zichzelf bezig geweest. Zo hoort het ook in de topsport, maar hou die mensen dan ook zo ver mogelijk bij de beslissingen weg, waarvan de gevolgen voelbaar zijn voor een complete samenleving. Scheid de sport van sportevenementen.

Het grote gat

Na deze analyse weten we dus hoe binnen het IOC de verhoudingen liggen tussen Staat, Sport en Privaat. Maar er valt nog iets op en dat is de afwezigheid van een heel belangrijk maatschappelijk segment: de afwezigheid van mensen binnen het IOC die afkomstig zijn van NGO’s. Daar zit veel kennis over onderwerpen als mensenrechten, vluchtelingen, onderwijs, economie, milieu, gezondheid en energie – thema’s die een directe relatie hebben met de Olympische Spelen. Onder de 99 leden van het IOC zit helemaal niemand als spreekbuis van deze organisaties.

Dat wil ook weer niet zeggen dat het IOC nu volkomen blind is voor deze onderwerpen, want tenslotte deed er twee jaar geleden nog een vluchtelingenteam mee aan de Spelen in Rio. En dan niet ter vergroting van de sportieve kwaliteit van het evenement, maar om dit onderwerp mondiale aandacht te geven. Het IOC speelt een grote rol in het zichtbaar maken van dit mondiale probleem, zoals de sport in zijn algemeenheid dat doet.

Toch doet de olympische beweging er goed aan om heel bewust aansluiting te zoeken met deze belangrijke tak van onze samenleving. Ook voor de NGO’s zelf is het tijd om het debat te openen om vertegenwoordigers te leveren aan het IOC. En dan niet met zo nu en dan een overleg met een geregisseerd persmoment, maar door een echt lidmaatschap van het IOC, als het kan meteen vijf tot tien zetels. Het moet wel ergens op lijken.

Een cadeau voor het jubileum

De Olympische Spelen zijn in onze tijd zo groot geworden dat de gevolgen door de hele maatschappij voelbaar zijn. Enerzijds wordt sport gestimuleerd als gezonde leefstijl; anderzijds is er steeds meer maatschappelijk verzet tegen dit sportevenement. Dat bleek deze maand nog in Sion, waar de plaatselijke bevolking een olympische kandidatuur blokkeerde – de zésde opeenvolgende nederlaag voor de olympische beweging in een referendum.

Een structureel samengaan van IOC met NGO’s kan helpen om die groeiende kloof te dichten, als een buffer tussen de steeds hardere botsingen tussen de olympische beweging en de maatschappij. Die twee lijken elkaar steeds minder te begrijpen, in ieder geval in westerse landen. De samenstelling van het huidige IOC representeert een wereld, die niet meer bestaat.

Volgend jaar bestaat het IOC precies 125 jaar en dat zullen we ongetwijfeld gaan merken. De organisatie mist een enorme mogelijkheid tot vernieuwing als er bij dat feest alleen maar de zegeningen worden geteld in een grote propagandashow – iets waar het IOC heel goed in is. De organisatie zou er daarom goed aan doen door op de 125e verjaardag de komst van nieuwe zetels aan te kondigen die worden gevuld door vertegenwoordigers van NGO’s.

En voor nu gefeliciteerd met de 124e verjaardag.

Advertentie

Koop bij bol.com

Jurryt van de Vooren
http://Sportgeschiedenis.nl
Jurryt van de Vooren is sporthistoricus. Auteur van 'Amsterdam 1928' en de Bosatlas van het Nederlandse voetbal. Bezig met boekenserie over Amsterdam en sport. Nog steeds de enige Amsterdammer die is afgestudeerd op Feyenoord.