NieuwOlympische Spelen

De Super Bowl is het beste bewijs dat er geen neutrale sport bestaat

In het openingsweekend van de Olympische Winterspelen is ook de Super Bowl. Dat levert bijzondere inzichten op.

De opening van de Olympische Winterspelen van 1968 in Grenoble. Foto Ron Kroon via het Nationaal Archief

IOC-voorzitter Kirsty Coventry wil een einde aan de sportieve boycot van Rusland. “Ons spel is sport”, zei ze in Milaan vlak voor aanvang van de Winterspelen.

“Dat betekent dat sport een neutrale plek moet blijven. Een plek waar iedere atleet vrij kan deelnemen, zonder te worden gehinderd door de politiek of verdeeldheid binnen hun regering.”

Deze opvatting staat haaks op de opvattingen van de olympische oervaders.

Het doel van de Olympiaden is volstrekt niet alle vier jaar een groep wereldkampioenen te kweeken

Een nieuw ras

Baron Van Tuyll van Serooskerken was oprichter en voorzitter van het Nederlands Olympisch Comité. Hij werd in 1898 als eerste Nederlander in het IOC toegelaten en handhaafde die functie tot aan zijn dood in 1924.

Sportjournalist Jan Feith sprak hem in 1912 op zijn buitenverblijf in Velsen, ‘in zijn gezellige, op het van zwaar geboomte omhuifde hertenpark ramende werkkamer’. Ze hadden het over de Olympische Spelen, waarvan het verslag op 14 juni 1912 werd geplaatst in het Algemeen Handelsblad.

Volgens Van Tuyll reikte de olympische gedachte verder dan de sport. “Het doel van de Olympiaden is op zichzelf ook volstrekt niet, alle vier jaar een groep wereldkampioenen te kweeken of ten toon te stellen. Allerminst.”

Hij verwees hiervoor naar Pierre de Coubertin als oprichter van het IOC. De Fransman raakte zeer geïnteresseerd in de moderne sport nadat zijn land in 1870 een oorlog had verloren van Duitsland, wat voor hem het bewijs was dat het Franse volk verzwakt, gedegenereerd en verslagen was.

‘En toen heeft hij,’ schreef Feith, ‘als practisch sportman, zijn verslagen en vernederde landgenooten willen opheffen. Hij wilde het volk van Frankrijk weer versterken. Hij wilde hun spieren en hun uithoudingsvermogen weer krachtig maken; hij wilde hun weer tucht en discipline leeren; en tevens wilde hij weer een steun geven aan hun karakter. Hij meende geen beter hulpmiddel te kunnen vinden dan de sport.’

Zo dacht ook Van Tuyll erover: “Men begint ook in Holland te begrijpen, dat men door sport, door lichaamsontwikkeling, door lichamelijke opvoeding een volk kan versterken, een ras krachtiger en van meer weerstandsvermogen kan maken.”

Volgens deze invalshoek dienden sport en de Olympische Spelen dus méér dan alleen de sport zelf. Het draait om de nationale opvoeding, inclusief tucht en discipline. Dat is geen neutrale opvatting, maar een militaire.

Van Tuyll van Serooskerken en De Coubertin. Foto’s uit het publieke domein

Oorlog

Oorlogen hebben sowieso altijd een enorme invloed gehad op de Olympische Spelen. Inmiddels heeft het IOC méér aangesloten landen dan de Verenigde Naties, wat trouwens ook geldt voor de FIFA. Deze enorme groei is niet geleidelijk gegaan met elk jaar weer een paar nieuwe landen, die de Olympische Spelen hadden ontdekt als het unieke verbroederingsfeest. Integendeel, de grootste groei heeft het IOC te danken aan zeer bloedige oorlogen en conflicten, aan de humanitaire dieptepunten van de vorige eeuw, zo zien we in onderstaande grafiek.

De eerste grote groeispurt van de Olympische Spelen was tijdens de antikoloniale oorlogen in Afrika en Azië na de Tweede Wereldoorlog, waarbij heel veel slachtoffers vielen. In 1948 waren er 59 landen op de Spelen van Londen. Precies twintig jaar later waren dat er 112, bijna een verdubbeling!

Al die nieuwe landen hadden na hun lokale revoluties en machtswisselingen de sport niet opeens ontdekt als een positieve waarde, maar wilden alleen maar meedoen aan de Olympische Spelen om zichzelf te presenteren aan de wereld. Deelname diende dus een politiek belang, omdat dit sportevenement toen al het grootste podium ter wereld was.

Tijdens het uiteenvallen van de Sovjet-Unie en Joegoslavië in de jaren negentig vielen ook heel veel slachtoffers. Nieuwe landen als Kroatië en Oekraïne wilden na hun behaalde onafhankelijkheid zo snel mogelijk meedoen aan de Olympische Spelen om óók met de nieuwe nationale vlag te kunnen wapperen.

Dat zorgde voor de volgende piek in nieuwe olympische landen. In 1988 waren er 159 landen in Seoul, wat twintig jaar later in Beijing was gegroeid naar 204. Wederom bleken de grote sportevenementen een ideaal instrument voor de nieuwe machthebbers om zich te presenteren op het wereldtoneel.

Al die nieuwe landen beschouwden de sport dus niet als een neutrale plek, waar iedere atleet vrij kan deelnemen, zonder te worden gehinderd door de politiek of verdeeldheid binnen hun regering. De Olympische Spelen zijn uitgegroeid tot het grootste terugkerende evenement ter wereld, omdat die juist niet een neutrale plek zijn.

Frontgebied

Sport kan niet eens neutraal zijn als het wereldwijd zo groot is. We zagen het de afgelopen jaren al heel duidelijk met de oorlog tussen Rusland en Oekraïne, die zich ook afspeelt in de sportwereld, vooral als propaganda-instrument. Oekraïne eist de sportieve uitsluiting van Rusland en Belarus als veroorzakers van deze oorlog. Als vanzelfsprekend wil Rusland juist wél meedoen aan die evenementen, het grootste podium ter wereld.

Aanvankelijk koos de internationale sport de zijde van Oekraïne, maar bij zowel de FIFA als het IOC lijkt die tijd voorbij. Het einde van de boycot van Rusland komt steeds meer in zicht, wat een enorme overwinning zou zijn voor dit land.

In beide gevallen doen de voorzitters hiervoor een beroep op de sport als neutrale actor, waar voor- en tegenstanders elkaar kunnen ontmoeten. Juist in tijden van oorlog wordt echter zichtbaar dat er geen neutrale zone is, waarin de sport zich ongestoord kan terugtrekken. Boksen en schaken zijn twee goede voorbeelden.

In de jaren vóór de Tweede Wereldoorlog was boksen zeer populair in Joodse kringen. Dat was niet alleen bedoeld voor de gezondheid en de gezelligheid, maar vooral als voorbereiding op straatgevechten tegen fascisten en nazi’s. Ook veel socialisten en communisten stapten om die reden in de boksring. Zij waren ideologisch gedreven.

Tegelijkertijd werd het boksen zeer intensief beoefend door de nazi’s als onderdeel van hun ideologie. Zij beoefenden deze sport als voorbereiding op de gevechten aan het front. Het boksen was daarmee geen neutrale zone in een woelige wereld, maar een frontgebied tussen de maatschappelijke aartsvijanden.

Schaken

En zo ging het ook bij het schaken, dat in ons land een groot aantal Joodse beoefenaars kende. Van alle oorlogsslachtoffers in het Koninkrijk der Nederlanden was grofweg één op de drie Joods. Van alle oorlogsslachtoffers in de Nederlandse schaakwereld – ruim 250 – was grofweg één op de twee Joods – bovengemiddeld veel.

Via de schaaksport probeerden Joodse mensen tot diep in de oorlog het onderlinge contact in stand te houden. ‘Men vormde een achttal groepen van hoogstens tien spelers die beurtelings bij elkaar thuis kwamen,’ schreef Johan W. van Hulst in het boek Amsterdam Schaakstad, ’totdat ook dit onmogelijk was.’ En zelfs ná de deportatie werd er zo veel mogelijk geschaakt, blijkt onder meer uit een ooggetuigenverslag vanuit Kamp Westerbork.

Tegelijk was schaken erg populair binnen het nationaalsocialisme, omdat dit het strategisch denken bevorderde. Commandant Albert Gemmeker van Kamp Westerbork gaf de opdracht aan de Joodse gevangene Rudolf Breslauer om van hem een foto van hem te maken tijdens een potje schaken. In het Rijksmuseum wordt een Duits schaakspel uit 1941 bewaard, waarbij de stukken een leger voorstellen. Die waren zeer realistisch afgebeeld, zo analyseerde Lien Heyting in 2010 in NRC Handelsblad. ‘De loper is een Hurricane (Brits jachtvliegtuig), de dame een bom en de koning een tank.’

In oorlogstijd zien we dus ook bij het schaken dat het zich niet in een neutrale zone afspeelde, maar dat het juist de plek was van de maatschappelijke aartsvijanden van die tijd. En dan niet om te verbroederen, maar als frontgebied.

Het Duitse schaakbord. Foto via het Rijksmuseum. 

Super Bowl

Het zijn twee voorbeelden van ruim tachtig jaar geleden, maar nog steeds is de sport het frontgebied van maatschappelijke aartsvijanden. Dat blijkt in ieder geval bij de Super Bowl van komend weekend. Tijdens de halftimeshow is een optreden van Bad Bunny uit Puerto Rico, die zich als een groot tegenstander van Donald Trump manifesteert. Dat wordt rechtstreeks uitgezonden, waarmee een miljardenpubliek wordt bereikt.

Volgens zijn politieke tegenstanders is Bad Bunny niet Amerikaans genoeg, zodat zij in de rust een alternatief muziekprogramma uitzenden. Voor deze show is Kid Rock geboekt, een groot aanhanger van Trump. “Wij gaan goede muziek spelen voor de mensen die houden van Amerika.”

Het American football is in dit geval de sport, waar politieke en maatschappelijke opvattingen frontaal met elkaar in botsing komen. En dat gebeurt dan precies in het openingsweekend van de Winterspelen, waar de sport zich volgens het IOC afspeelt in een neutrale omgeving.

Meer dan een eeuw na Pierre de Coubertin en baron Van Tuyll Van Serooskerken zien we nog steeds dat de sport nooit neutraal is geweest. Iedereen die deze opvatting in 2026 hardop uitspreekt, doet daarom niet aan geschiedenis, maar aan politiek.

Waardeer deze site!

Onze content is gratis. Vond je het de moeite waard? Dan kun je dat laten blijken met een kleine financiële bijdrage.

Mijn gekozen waardering € -

Jurryt van de Vooren
https://sportgeschiedenis.nl
Specialist in sporterfgoed. Al meer dan 25 jaar de enige Amsterdammer, die is afgestudeerd op Feyenoord.