NieuwOlympische Spelen

20 juli 1936: start van de eerste olympische fakkeltocht

De eerste keer dat in Olympia het olympisch vuur werd ontstoken was op 20 juli 1936. Acht jaar eerder had in Amsterdam al het vuur gebrand in de Marathontoren. De olympische beweging heeft namelijk een enorme fascinatie voor fakkels.

Leni Riefenstahl in 1936 in Olympia

Vuur heeft zowel een scheppende als destructieve kracht. Een edelsmid maakt met vuur de mooiste sieraden, maar kan er bij ondeskundig gebruik levens mee verwoesten. Deze dubbele symboliek gaat eveneens op voor het olympisch vuur – in ieder geval in 1948 tijdens de start van de estafetteloop naar Londen. Slechts drie jaar na afloop van de oorlog spraken de organisatoren in Olympia plechtig over vrede en liefde, maar tegelijkertijd cirkelden er gevechtsvliegtuigen boven de stad, klaar om te doden.

Griekenland werd in 1948 verscheurd door een burgeroorlog tussen regeringstroepen en communistische guerrilla’s. Guerrillaleider Markos gaf het bevel om de fakkeltocht met geweld te verstoren, waarna een groep internationale journalisten werd aangevallen, onderweg naar Olympia. Een Griekse soldaat kwam daarbij om het leven. De correspondent van De Tijd maakte het allemaal mee: ‘Daar zaten wij, genodigden tot het vredesfeest, wat verlegen bij elkaar. ’n Nerveuze journalist telde haastig de kogelgaten die op een rijtje in de muur zaten.’

Om erger te voorkomen cirkelden gevechtsvliegtuigen boven Olympia, ondersteund door zwaarbewapende militairen op de grond. De soldaat Konstantinos Dimitrelis kreeg de eerste fakkel overhandigd, waarvoor hij voor even zijn gevechtsoutfit had verruild voor sportkledij. ‘Wij huiverden bij zijn aanblik,’ vatte De Tijd deze paradoxale situatie treffend samen, ‘wij op dit vredesfeest.’

Over deze grimmige situatie is alleen niets meer te vinden in de officiële rapporten van Londen 1948, want de olympische beweging speekt liever over de scheppende kracht van het vuur. Die fascinatie zat er vanaf het begin in, vooral bij Pierre de Coubertin als geestelijk vader van de moderne Olympische Spelen. Al tijdens de oprichtingsbijeenkomst van het IOC in juni 1894 organiseerde hij hardloopwedstrijden met fakkels. Op olympische medailles uit 1900, 1912 en 1928 zijn toortsen afgebeeld.

Het welzijn der mensheid

De Coubertin gebruikte deze symboliek graag in zijn spreekbeurten, zoals in 1906 bij een voordracht over pyrotechniek: het gebruik van vuur tijdens sportevenementen. Als IOC-voorzitter zei hij tijdens de afsluiting van de Spelen van 1924: “Moge de Olympische fakkel zijn tocht door de tijden vervolgen voor het welzijn der menschheid die steeds moediger en reiner worde. Zoo zij het.”

Daarmee koesterde de olympische beweging de symboliek van het vuur als een scheppende kracht, die mensen en samenlevingen verenigt. Het enige wat nog miste was een écht vuur tijdens de Spelen, met een fakkeltocht vooraf vanuit Olympia. Beide moesten alleen nog worden uitgevonden.

Architect Jan Wils zette de eerste stap met het Olympisch Stadion in Amsterdam voor de Spelen van 1928. Op 26 april 1926 schetste hij in Het Vaderland de rol voor de Marathontoren bij dit stadion: “Er boven komt een groote schaal, waarin overdag een rookpluim kan opstijgen en ’s avonds een vuurzuil.”

Aldus geschiedde op 28 juli 1928 tijdens de openingsceremonie. ‘Voor het eerst, de vlam van het Olympisch vuur, dat lekte in vlammende tongen, gedurende heel den donkeren nacht,’ aldus het Nieuwsblad van het Noorden. Rook en vuur waren onafgebroken te zien tot en met de slotceremonie – een nieuwe traditie.

De Duitsers voegden voor de Spelen van 1936 opnieuw een element toe: de fakkelloop vanuit Olympia. Het Duits Olympisch Comité benadrukte natuurlijk de scheppende kracht van vuur en fakkelloop: “Ze moeten menschen uit vele landen tezamen brengen en in hen het bewustzijn van de gemeenschappelijke Olympische idealen versterken.” Op 20 juli 1936 werd in Olympia voor de eerste keer het vuur ontstoken met weerkaatsend zonlicht in spiegels, precies zoals de Griekse archeoloog Alexander Philadelpheus had bedacht. “Van Apollo zelf, de god van het licht.” Wéér een nieuwe traditie.

Door die aanwezigheid in Olympia en de verwijzing naar Apollo werd meteen een historische link gelegd met de oude Grieken. En dat was heel slim, want zo kreeg het olympisch vuur er gratis heel veel geschiedenis bij. Er zijn tenslotte nu nog steeds mensen die denken dat de olympische traditie van vuur en fakkel al duizenden jaren bestaat, waar die nog niets eens een eeuw oud is.

Rellende nazi’s

In 1936 was die destructieve kracht overigens overal aanwezig, want deze fakkeltocht was één grote nationaalsocialistische propagandastunt – drieduizend kilometer lang tussen de hakenkruizen. Langs de route waren regelmatig gevechten met antifascisten, onder meer in Griekenland en Tsjecho-Slowakije. Zelfs Philadelpheus was diep teleurgesteld, ondanks een diploma van Hitler vanwege zijn bijdrage aan het ritueel van zonlicht en spiegels. Nadat in 1939 de oorlog was uitgebroken, constateerde hij bitter dat het mooie idee van olympische verbroedering wel heel kort had geduurd.

In Wenen was het absolute dieptepunt met nazi’s langs de route. ‘Plotseling werd het Horst Wessel-lied door honderden ingezet,’ schreef dagblad De Zuid-Willemsvaart. ‘Daarop greep een detachement bereden politie in en joeg de menigte uiteen, die in alle richtingen een goed heenkomen zocht, tot zelfs op het voor de eeregasten gereserveerde terrein, wat de verwarring er nog grooter op maakte.’

Elders in de stad vielen de relschoppers Joodse bezittingen aan. De Oostenrijkse regering kwam daarna in spoed bijeen vanwege een serieus vermoeden voor een samenzwering van nazi’s, die toen al tijden bezig waren Oostenrijk te destabiliseren – zelfs tijdens de komst van het olympisch vuur.

Zoals deze destructieve kracht in 1948 werd verzwegen gold dat voor 1936 – echt niets te vinden in het officiële rapport. We horen altijd alleen maar van de scheppende kracht. Het is net propaganda, maar de edelsmid weet wel beter.

Advertentie

Bestel bij Bol.com

 

Jurryt van de Vooren
http://Sportgeschiedenis.nl
Jurryt van de Vooren is sporthistoricus. Auteur van 'Amsterdam 1928' en de Bosatlas van het Nederlandse voetbal. Bezig met boekenserie over Amsterdam en sport. Nog steeds de enige Amsterdammer die is afgestudeerd op Feyenoord.