NieuwOlympische Spelen

Gelukkig zijn de Olympische Spelen geëmancipeerd. Anders was Ireen Wüst nu huisvrouw geweest

De Nederlandse schaatser Stien Kaiser mocht niet meedoen aan de Olympische Winterspelen van 1964, omdat ze 25 jaar oud was. Volgens de mannelijke sportbestuurders was dat de leeftijd om huisvrouw te worden. Ze was toen tien jaar jonger dan Ireen Wüst nu.

Foto Jladage, CC BY-SA 3.0, via Wikimedia Commons

Het is nog even afwachten wat er in de aanstaande twee weken gebeurt, maar naar verwachting zullen een kleine 2900 atleten uit 91 verschillende landen in actie komen op Winterspelen in Beijing. Dit evenement is daarmee aanzienlijk kleiner dan de Zomerspelen met zo´n 10.000 tot 11.000 deelnemers uit meer dan 200 landen. Niet zo gek natuurlijk, want niet elk land is klimatologisch geschikt voor wintersporters. Qatar heeft weliswaar een nationaal ijshockeyteam, dat sinds 2012 is aangesloten bij de internationale bond, maar er wordt vooralsnog geen rekening gehouden met een olympische podiumplaats.

Van deze kleine 3000 deelnemers is ongeveer 55% man en daarmee loopt de emancipatie iets achter bij de Zomerspelen. Het Internationaal Olympisch Comité streeft naar precies evenveel mannen als vrouwen over twee jaar in Parijs, maar zover is het dus nog niet in Beijing.

De langzame revolutie

De olympische emancipatie is geen gelijkmatig proces geweest, maar is sinds de eerste Olympische Spelen in 1896 zeer schokkerig verlopen – een revolutie van meer dan 125 jaar.

Het ging in fases, om te beginnen bij kleine en zeer elitaire sporten als golf, tennis en boogschieten. Dat was begin vorige eeuw en ging nog maar om enkele tientallen vrouwen.

De volgende fase betrof atletiek, turnen en zwemmen als de drie belangrijkste olympische sporten. Zwemmen was in 1912 de eerste met vrouwelijke deelnemers, overigens nog zonder Nederlanders. Atletiek en turnen volgden in 1928 tijdens de Spelen in Amsterdam, maar dat zorgde nog steeds niet voor meer dan tien procent aan vrouwelijke deelname, vooral omdat alle drie de sporten grotendeels op individueel niveau werden beoefend.

Ondertussen probeerden de belangrijkste olympische officials in de jaren 30 alsnog de klok weer terug te zetten. De Zweedse sportbestuurder Sigfrid Edström bijvoorbeeld liet zich als voorzitter van de internationale atletiekfederatie in 1935 zeer negatief uit over de Franse sportpionier Alice Milliat, die ervoor had gezorgd dat vrouwen werden toegelaten bij de olympische atletiekwedstrijden: “We hebben er geen enkel belang bij haar te steunen. We zien haar het liefst van de aardbodem verdwijnen.”

Teamsporten

De derde fase begon in 1964 toen vrouwen mee mochten doen aan volleybal, de eerste teamsport. Het was een bewuste keuze om te kiezen voor een teamsport zónder onderling contact tussen de tegenstanders, in het geval van volleybal ieder op een eigen speelhelft. Contactsporten als basketbal en handbal werden in 1976 geopend; het hockey in 1980. Voetbal gaf zich pas in 1996 gewonnen, tijdens het honderdjarige bestaan van de Olympische Spelen. Waterpolo was in 2000 de laatste, pas deze eeuw!

Het volgende strijdpunt voor de olympische emancipatiebeweging werd de snelheidssport wielrennen, wat in de jaren 80 eindelijk werd beslist. En dan in twee stappen, met de wegwedstrijd in 1984 en de baanonderdelen vier jaar later, in 1988 in Seoul. Uiteindelijk bleef er nog één domein over, waar de vrouwen heel lang zijn geweerd: de kracht- en vechtsporten. Judo opende in 1992 de reeks, die werd afgesloten bij het boksen in 2012 – nog maar tien jaar geleden. Na zo’n 125 jaar is de emancipatie voltooid, in ieder geval bij de gelijkwaardige verdeling bij de deelnemers.

Dit kunnen we samenvatten in een simpel overzicht, waar meteen is te zien hoe lang vrouwen per sport op de Zomerspelen in de wachtkamer hebben gezeten.

Wintersporten

Bij de Winterspelen ging het allemaal net zo moeizaam. In de afgelopen 25 jaar is het aantal vrouwelijke deelnemers in een versnelling toegenomen, vooral omdat ze sinds 1998 meedoen aan het ijshockey – een teamsport. Dit stond al in 1920 voor de eerste keer op het programma, nota bene nog als onderdeel van de Zomerspelen in Antwerpen en hield de mannelijke gelederen daarna 78 jaar gesloten. In de afgelopen jaren groeit ook hier het vrouwelijke aandeel, maar dus nog niet zo snel als bij de Zomerspelen.

Kunstschaatsen is de oudste wintersport op de Olympische Spelen en is vanaf het begin voor beide geslachten toegankelijk. Dat dit ook het geval is bij bijvoorbeeld snowboard en freestyleskiën is omdat die relatief laat op het programma zijn gekomen. De olympische emancipatie was bij die introductie al ver genoeg gevorderd om daar geen probleem meer van te maken.

Het schansspringen is dan weer precies het tegenovergestelde, dat in 2014 de eerste vrouwen toeliet – nog later dan het boksen. En het langebaanschaatsen, de sport waar Nederland traditioneel toonaangevend is, heeft zich ook tot 1960 verzet tegen vrouwelijke deelname.

Nederlandse vrouwen en de Winterspelen

De Nederlandse olympische emancipatie verliep nog langzamer dan elders, want bij de eerste deelname aan de Winterspelen in 1928 werden er nog geen vrouwen gestuurd. Vier jaar later sloeg ons land zelfs helemaal over, omdat er geen geld was om naar Lake Placid in de Verenigde Staten te reizen. Zo was Gratia Schimmelpenninck van der Oye in 1936 de eerste Nederlandse vrouw op de Winterspelen. En dan niet op het ijs, maar bij het skiën. De Olympische Spelen zaten dan weer wel weer in haar bloed, want haar vader was toen de voorzitter van het Nederlands Olympisch Comité.

Sjoukje Dijkstra zorgde in 1964 voor een Nederlandse mijlpaal met olympisch goud bij het kunstrijden. In datzelfde jaar deed Willy de Beer mee met het langebaanschaatsen, zonder succes trouwens. Hoe dan ook, nog nooit eerder had een Nederlandse schaatsvrouw op dat podium geacteerd. En dat haar prestaties tegenvielen, kwam ook door de KNSB, die haar volkomen aan haar lot heeft overgelaten. “Ik moest het allemaal in mijn eentje doen. Nou, dat werd dus helemaal niks. Ik heb menig traantje gelaten.” Het tekende de afwezigheid van enige visie en ambitie bij de schaatsbond voor de vrouwensport.

Sowieso was de selectie van De Beer al merkwaardig geweest, want Stien Kaiser en Carry Geijssen presteerden in die tijd veel beter. Kaiser werd geweigerd, omdat ze 25 jaar oud was, wat voor de schaatsbond de natuurlijke leeftijd voor vrouwen was om huisvrouw te worden. Ook daarna heeft ze alleen maar last gehad van de schaatsbestuurders. Het ongelijk van de KNSB bleek wel in de jaren daarna, want in 1967 won Kaiser als eerste Nederlandse vrouw het WK allround – nota bene in eigen land. Het jaar erop prolongeerde ze deze titel met landgenoten Ans Schut als tweede en Geijssen als derde: een compleet Nederlands erepodium vlak voor aanvang van de Winterspelen in Grenoble! Het Nederlandse vrouwenschaatsen was ijzersterk – ondanks de heren schaatsbestuurders.

Op die Winterspelen behaalden Geijssen en Ans Schut de eerste twee gouden medailles ooit voor het Nederlandse langebaanschaatsen. Kaiser zelf blokkeerde helaas, maar maakte dat 1972 in haar allerlaatste olympische wedstrijd goed met een gouden medaille op de 3000 meter – inmiddels 33 jaar oud, twee jaar jonger dan nu Ireen Wüst. “Voor mij is deze drie kilometer een kwestie van alles óf niks,” zei ze vlak voor de start, waarna ze met een verschil van ruim 6,5 seconden eindelijk olympisch kampioen werd.

Precies een halve eeuw later staan de vrouwelijke schaatsers op gelijke voet met de mannelijke – zeker als het gaat om de medaillekansen. Geen bestuurder van de KNSB, die nu nog op het idee zou komen om Wüst naar huis te sturen, omdat het hoog tijd wordt om huismoeder te worden.

Waardeer dit artikel!

Dit artikel las je gratis. Vond je het de moeite waard? Dan kun je dat laten blijken met een kleine financiële bijdrage.

 
Mijn gekozen waardering € -

Jurryt van de Vooren
https://sportgeschiedenis.nl
Specialist in sporterfgoed. Schreef mee aan het boek "Nooit meer Qatar" over de FIFA en mensenrechten. Al 25 jaar de enige Amsterdammer, die is afgestudeerd op Feyenoord.