Iedereen ziet de Joodse sporttraditie, maar niemand kijkt ernaar
In de Nieuwe Kerk in Amsterdam is de expositie Mokum, de biografie van Joods Amsterdam geopend. Daarbij hoort het boek Atlas van Mokum, waarvoor ik schreef over de Joodse sport.

Het Nederlandsch Sportpark van architect Harry Elte, via het Stadsarchief Amsterdam
De tentoonstelling was nog geen halve uur open toen Jaap de Groot er al twee rondjes had gelopen. “Heb jij nog wat meer over Ajax gezien dan alleen die foto met Sjaak Swart en Bennie Muller?”, vroeg de voormalige Telegraaf-stem van Johan Cruijff.
Waarschijnlijk niet, maar in die korte tijd hadden we lang niet alles kunnen zien. Er staat in ieder geval iets over Ajax in het boek Atlas van Mokum, want dat heb ik zelf geschreven. Het is een kort kadertje, waarin ik uitleg dat Ajax géén Joodse club is, maar een algemene club met heel veel Joodse invloeden.
Men heeft berekend dat, indien alle punten door Joodsche deelnemers behaald, tezamen geteld zouden worden, deze zich als No. 12 van de 32 landen zouden geplaatst hebben
Stiekeme traditie
Op die expositie in de Nieuwe Kerk dacht ik terug aan mijn eerste publicatie na mijn afstudeerscriptie. Als openingszin merkte ik op dat sportgeschiedenis stiekeme geschiedenis is. Iedereen ziet de sport, maar er is niemand die ernaar kijkt.
Bijna dertig jaar later is er gelukkig wel iets verbeterd, maar voor de Joodse sporttraditie geldt dat nog steeds. Die geschiedenis wordt vaak teruggebracht tot de vraag of Ajax al dan niet Joods is.
Het is een relevante vraag, waar we in het Stadsarchief Amsterdam aandacht aan hebben besteed in de expositie over 125 jaar Ajax. Het moet alleen niet de enige vraag zijn over de Joodse sport in Amsterdam, want in dat geval missen we de enorme breedheid en diversiteit van dit onderwerp.
Zo werd in de Nieuwe Kerk opgemerkt dat de Joodse gemeenschap zeer divers is. Dat geldt ook voor de verschillende opvattingen over sport en lichamelijke opvoeding.

Amsterdam 1928
Een ijkpunt voor deze Joodse sporttraditie was in 1928 met de Olympische Spelen in Amsterdam. Volgens het Nieuw Israëlietisch Weekblad op 17 augustus 1928 kwamen daar ongeveer veertig Joodse sporters in actie, afkomstig uit de hele wereld.
‘Er werd door Joden deelgenomen aan voetbal, schermen, gymnastiek, hockey, worstelen, gewichtheffen, zwemmen en schoonspringen. Ook aan het Kunsttournooi namen vele Joden deel, o.a. Prof. Max Lieberman, Albert Kalm, Nessa Cohen, Edgar Seligman, D. A. Bueno de Mesquita, David Schulman, Is. Israëls e.a.’
Met het Kunsttournooi bedoelde het blad de Kunstolympiade, die toentertijd dezelfde status had als het sportieve deel. Isaac Israëls werd zelfs officieel olympisch kampioen met zijn schilderij. Daarom staat zijn naam nog steeds vermeld in de Wall of Fame van het Olympisch Stadion, meteen rechts in de hoofdingang op de marmeren platen.
Aan het eind van die Spelen stond een opsomming van het Joodse succes in dagblad Het Vaderland. Atlete Fannie Rosenfeld uit Canada won zilver en goud, de Amerikaans zwemmer George Kojac twee keer goud en er was één keer goud voor schermster Helene Mayer uit Duitsland. Verder bestond het gouden team van de Nederlandse turnvrouwen uit vier Joodse sporters. Hun coach Gerrit Kleerekoper was ook Joods.
Het Vaderland kwam daarna met een verrassende conclusie: ‘Men heeft berekend dat, indien alle punten door Joodsche deelnemers behaald, tezamen geteld zouden worden, deze zich als No. 12 van de 32 landen zouden geplaatst hebben.’
Dat is fantastisch, maar op hetzelfde moment moesten Oostenrijkse hockeyers met een Jiddische achternaam een andere naam nemen voordat ze werden geselecteerd.
‘Men was waarschijnlijk van meening,’ aldus het NIW, ‘dat men als drager van een echt-Jiddischen naam, geen goede partij hockey kon spelen. Of zat er misschien iets anders achter? Dan is het des te schandelijker, dat deze jongelui zich een dergelijken fnuikenden dwang lieten welgevallen en hier aan toe gaven. Ging hier anders de Olympische gedachte niet een weinig mank!?’
Harry Elte
Tijdens de Olympische Spelen waren trouwens twéé stadions in gebruik. Het grootste deel speelde zich af in het Olympisch Stadion, waarvoor architect Jan Wils verantwoordelijk was. Aan hetzelfde plein stond ook het Nederlandsch Sportpark, dat in 1914 als eerste stadion van ons land in gebruik was genomen.
Dit was het werk van Harry Elte, de belangrijkste Joodse architect van zijn tijd. Op de expositie in de Nieuwe Kerk is er daarom ook aandacht voor hem. Tot grote frustratie van Elte ging zijn ontwerp al in 1929 tegen de vlakte, waarmee dit stadion maar vijftien jaar in gebruik is geweest.
Het is onbekend hoe er binnen de Joodse gemeenschap werd gereageerd op de snelle sloop van het werk van haar bekendste architect. We weten sowieso niet welke invloed die Olympische Spelen hebben gehad op de Joodse gemeenschap in Mokum, omdat dit niet is onderzocht.
In 2012 heb ik er wel eens naar gekeken, omdat ik toen was gevraagd door voetbalclub WV-HEDW om een lezing te geven over de Joodse sportgeschiedenis.

Harry Elte, foto uit het publieke domein
Begintijd
Zo bleek dat de Joodse sportbeweging in Nederland relatief laat is begonnen. Via de sportdatabank van het Huygens Instituut zijn er 39 Joodse verengingen gevonden – op een aantal van ruim 15.000.
Gymnastiekvereniging Atilla uit Groningen was in 1898 de eerste, die zich overigens pas na de Eerste Wereldoorlog als Joodse vereniging profileerde. Voetbalclub Wilhelmina Vooruit uit Amsterdam, nu bekend als WV-HEDW, volgde in 1908.
Er zijn er zeker meer geweest – onder meer bij het boksen en worstelen. Toch geeft het een duidelijke tendens weer: er zijn maar weinig Joodse sportclubs geweest. Dat komt onder meer omdat veel Joden hun sport liever buiten hun eigen kring beoefenden – bij Ajax bijvoorbeeld.
Pas in 1921 werd de Joodsche Sportbond opgericht. De eerste algemene sportbond begon al in 1868. De katholieken en protestants-christelijke begonnen allebei in 1910. Alleen de socialisten waren nog langzamer, want die richtten in 1926 hun eigen bond op.

Gaten in de geschiedenis
We zien dit allemaal niet op de expositie, maar dat geeft ook niets. Een tentoonstelling kan ook best interessant zijn zonder aandacht voor sport. Uit deze afwezigheid van sport wordt wél duidelijk dat er nog een groot gat zit in het onderzoek naar Mokum. We weten nu ieder geval waar we nieuwe informatie kunnen vinden.
Die ligt dus onder meer bij Ajax, maar vooral elders. Het is aan het Rijksmuseum van de Sport om deze gaten van de geschiedenis te vullen.

