NieuwOlympische Spelen

Niet elke sporter wil vlaggendrager zijn bij de Olympische Winterspelen

Bij de openingsceremonie van de Olympische Spelen heeft elk land een vlaggendrager. Niet elke sporter zit daarop te wachten.

Door Bert Roosien

Stien Kaiser in 1968 met de Nederlandse vlag. Foto Ron Kroon via het Nationaal Archief

Als vrijdag de openingsceremonie van de Olympische Winterspelen plaatsvindt, zal de Nederlandse vlag volgens planning worden binnengedragen door het tweetal Kjeld Nuis en Lindsay van Zundert. Het is – na de Zomerspelen van Tokio van vorig jaar – de tweede keer dat deze eer te beurt valt aan een duo. Voorheen was dit altijd een solofunctie.

Met Nuis (32 jaar, twee keer goud op de vorige Winterspelen) en Van Zundert (op 1 februari 17 jaar geworden, olympisch debutant) heeft chef de mission Carl Verheijen gekozen voor een combinatie van jong en oud, gelouterd of juist net aan het begin van een internationale sportcarrière. Beide sporters lijken erg in hun nopjes met de aanwijzing.

Vooral Lindsay van Zundert heeft de laatste maanden in interviews al enthousiast en openlijk gesolliciteerd naar een rol als vlaggendrager. Het is duidelijk dat zij het een grote eer vindt om de Nederlandse driekleur te mogen dragen.

En hoe was dat in het verleden? Dachten al haar voorgangers er net zo over? De meesten in elk geval wel. Maar niet allemaal.

Eerdere reacties

“Het was prachtig”, zei vlaggendraagster Stien Kaiser in 1968. “Ik had het voor geen geld willen missen”.

“Ik heb eerst nee gezegd. Ik vond dat andere schaatsers het meer verdienden”, was het commentaar van Christine Aaftink in 1994. “Maar toen Ard zei: ‘Het zijn je derde Spelen en je bent de leading lady van de sprint’, vond ik het toch wel een eer”.

“Mijn hart sloeg over toen ik werd gevraagd”, sprak Jan Bos in 2006. “Ik stond echt te trillen op mijn benen”.

En Jan Smeekens, de uitverkorene tijdens de Winterspelen van 2018, was al net zo duidelijk. “Ik heb geen moment getwijfeld. Ik vind het een enorme eer. Het geeft me een gevoel van waardering”.

Zeker tot zo’n beetje de jaren 70 van de vorige eeuw leek iedere gevraagde sporter blij met het verzoek.

Bobsleeërs

Dat was bijvoorbeeld het geval met de beide bobsleeërs die in de periode tussen de Eerste en de Tweede Wereldoorlog de vlag mochten dragen. In 1928 gebeurde dit door jonkheer Edwin Teixeria de Mattos, iemand die in eerste instantie niet eens naar de Spelen was uitgezonden, maar die alsnog aan de ploeg werd toegevoegd toen collega-bobber Albert Lévy Themans op het laatste moment moest afzeggen. Dat hij ook prompt werd verzocht om als vlaggendrager te fungeren, zou best eens met zijn adellijke afkomst te maken kunnen hebben. Per slot van rekening was de eerste helft van de vorige eeuw een tijdvak waarin de maatschappij nog doortrokken was van rangen en standen.

In 1936 was Evert van der Pol, de stuurman van de vierpersoonsbob, voorbestemd om het rood-wit-blauw te dragen. Maar na een zware crash in de training, waarbij Van der Pol en twee andere bemanningsleden zodanig geblesseerd raakten dat van olympische deelname moest worden afgezien, viel de keuze op Sam Dunlop van de tweemansbob.

Kees Broekman

Daarna waren het lange tijd vooral schaatsers die werden uitverkoren. Maar ja, een andere keus was er ook vaak niet.

Kees Broekman werd de enige Nederlandse wintersporter, die bij twee edities van de Olympische Spelen de vlag het stadion binnen bracht, in 1956 en 1960. Dat hadden er zelfs drie kunnen zijn, want ook in 1952 was Broekman eerste keus. Maar omdat de Nederlandse ploegleiding ineens ging twijfelen of deze verantwoordelijkheid niet een te zware druk zou zijn voor tweevoudig medaillekandidaat Broekman werd alsnog geswitcht naar de oudere, meer ervaren Wim van der Voort.

Ard Schenk

In 1964 had de toen 19-jarige Ard Schenk zich nog zonder problemen in zijn rol als vlaggendrager geschikt. Misschien vond hij de klus toen zelfs nog wel eervol. Maar naarmate hij ouder werd en zich niet meer zo makkelijk bij de ideeën van anderen neerlegde, ging hij steeds vaker zijn eigen koers varen. In 1972 had hij bijvoorbeeld helemaal geen zin meer om met het rood-wit-blauw te paraderen.

In ‘Ard Schenk, de biografie’ beschrijft Wybren de Boer hoe de Noord-Hollander zich dat jaar weer eens veel te laat en – heel bewust – zónder zijn officiële olympische jas op Schiphol bij de rest van de Nederlandse ploeg voegde.

“Ard…. waar…waar is je parka?”, vroeg KNSB-voorzitter Herman Quarles van Ufford, die ook was aangewezen als chef de mission.

Ard Schenk keek naar zichzelf, pakte met zijn beide handen de kraag van zijn jas, keek de jonkheer aan, en trok een gezicht alsof het pas op dat moment tot hem doordrong dat hij thuis niet de olympische jas van de kapstok had gepakt, maar zijn favoriete lichtblauwe winterjack. Hij spreidde zijn armen alsof hij wilde zeggen dat hij er ook niets aan kon doen.

“Sorry voorzitter, die heeft (vader) Klaas aan op de trekker,” zei Schenk.

“Verdorie Ard,” zei Quarles van Ufford. Een schaatser die zijn officiële kledij niet bij zich had, kon natuurlijk onmogelijk worden voorgedragen als vlaggendrager, besefte de chef de mission, dat werd dus nog een netelige kwestie. Het was precies wat Schenk beoogd had. De vlag dragen was wel het laatste wat hij wilde. Dat had hij acht jaar eerder in Innsbruck al gedaan en die poppenkast hoefde van hem geen tweede keer.

Uiteindelijk was het Atje Keulen-Deelstra die dat jaar de vlag zou dragen.

Weersomstandigheden

In 1976 viel die eer te beurt aan kunstrijdster Dianne de Leeuw. De in Californië woonachtige De Leeuw, die het, geheel conform haar Amerikaanse opvoeding, een grote eer vond om de vlag te mogen dragen, trof het niet met de omstandigheden.

“Het was koud. Zó koud! We hebben daar uren in de vrieskou gestaan. Ik snap best de hedendaagse discussie dat topsporters enkele dagen voor hun wedstrijd liever niet meelopen”, herinnerde zij zich vele jaren later. En met die opmerking roerde De Leeuw een punt aan dat voor de prestatiegerichte Nederlandse sporters steeds belangrijker werd.

Want in stadions waar de openingsceremonie in de open lucht plaats vond, wat toen nog alom gebruikelijk was, was het tijdens barre weersomstandigheden absoluut geen pretje om urenlang de kou, sneeuw of snijdende wind te moeten trotseren. En dat gold dan trouwens niet alleen voor de vlaggendrager, maar voor alle sporters die bij de opening aanwezig waren. Dat zou een goede prestatie ook danig in de weg kunnen zitten. Om die reden hadden sporters als Bart Veldkamp en Rintje Ritsma, die vanwege de plaats van de 5 kilometer in het wedstrijdschema bovendien meestal al de volgende dag moesten aantreden, weinig zin om verplicht urenlang bij de openingsceremonie aanwezig te zijn.

Ja, bij de sluiting van de Spelen, als hun wedstrijden achter de rug waren, wilden ze best met de vlag lopen. Maar liever niet bij de opening.

Slechte weersomstandigheden vormden trouwens niet de enige reden dat de rol van vlaggendrager niet bij iedereen even gewild was. Sommige sporters hadden gewoon niks met nationale eer, decorum of gevoel voor traditie.

Wellicht speelde dit ook in 1984 bij de Winterspelen van Sarajevo. Bij dit (althans voor ons land) zeer teleurstellende evenement werden door Nederlandse sporters geen medailles gehaald en leken de vaderlandse schaatscoaches Henk Boer (allround) en Gauke Nijholt (sprint) het vooral druk te hebben met hun onderlinge ruzies.

Ook vlaggendrager Hilbert van der Duim liep niet bepaald over van geestdrift, getuige zijn commentaar: “Ik was liever op mijn kamer gebleven”. Maar goed, Hilbert had zich tenminste nog keurig van zijn taak gekweten. Achttien jaar later zou het nog heel wat moeite kosten om überhaupt een kandidaat te vinden.

2002: Schaatsers zeggen nee

De meest voor de hand liggende kandidaten voor het dragen van onze nationale driekleur waren in 2002 de leden van de schaatsploeg, die vier jaar daarvoor in Nagano nog voor zo’n rijke medailleoogst had gezorgd, maar Rintje Ritsma stond, niet onverwacht, in Salt Lake City nog steeds niet te trappelen. Marianne Timmer wees op de aanslag op de Twin Towers, een paar maanden daarvoor, en gaf aan dat ze elk gevaar wilde vermijden en Gianni Romme – toch al teleurgesteld dat hij geen eerste keus was – kwam met het verhaal dat hij ‘geen koutje wilde oplopen’.

Een van de échte redenen voor het nee van de schaatsvedetten was de ongezonde rivaliteit tussen de verschillende Nederlandse merkenploegen. Niemand wilde tijdens de wedstrijden een slechtere uitgangspositie dan de concurrentie uit eigen land, en het weer tijdens de opening, de duur van de plechtigheden en de bijbehorende extra voorbereiding voor de vlaggendrager werden gezien als een serieus risico. Zelfs sprintster Andrea Nuyt, die eerder nog had laten doorschemeren dat ze graag wilde, haakte op het laatste moment af. Uiteindelijk besloot de voltallige schaatsploeg om tijdens de openingsceremonie in het olympisch dorp te blijven.

Bij de intocht waren wel de leden van het bobsleeteam aanwezig, shorttracker Cees Juffermans en coaches, officials en de medische staf. Zij werden voorafgegaan door snowboardster Nicolien Sauerbreij, een debutant op de Olympische Spelen, die met gepaste trots met de vlag liep.

“Toen ik werd gevraagd heb ik meteen ja gezegd.Ik wilde sowieso naar de opening om het echte olympische gevoel te krijgen. Ik weet niet of andere sporters hebben geweigerd. Zelf had ik maar één verzoek. Ik heb gevraagd of de vlag niet te groot is”, was de onbevangen reactie van Sauerbreij.

Na 2002 gaf het vinden van een geschikte kandidaat om de vlag te dragen nooit meer problemen. Jan Bos, Timothy Beck (de eerste Nederlandse sporter die wel de vlag droeg, maar vanwege het terugtrekken van de viermansbob van piloot Edwin van Calker niet kon deelnemen), Jorien ter Mors en Jan Smeekens toonden zich allemaal zeer vereerd dat ze waren uitverkozen.

Overzicht van alle Nederlandse vlaggendragers tijdens de Winterspelen
1924: geen Nederlandse deelname
1928: Edwin Teixeira de Mattos (bobsleeën)
1932: geen Nederlandse deelname
1936: Sam Dunlop (bobsleeën)
1948: Jan Langedijk (schaatsen)
1952: Wim van der Voort (schaatsen)
1956: Kees Broekman (schaatsen)
1960: Kees Broekman (schaatsen)
1964: Ard Schenk (schaatsen) opening, Kees Verkerk (schaatsen) sluiting
1968: Stien Kaiser (schaatsen) opening, Ard Schenk (schaatsen) sluiting
1972: Atje Keulen-Deelstra (schaatsen) opening, Stien Baas-Kaiser (schaatsen)
sluiting
1976: Dianne de Leeuw (kunstrijden) opening, Piet Kleine (schaatsen) sluiting
1980: Piet Kleine (schaatsen) opening, Annie Borckink (schaatsen) sluiting
1984: Hilbert van der Duim (schaatsen) opening, Yvonne van Gennip (schaatsen)
sluiting
1988: Jan Ykema (schaatsen) opening, Yvonne van Gennip (schaatsen) sluiting
1992: Leo Visser (schaatsen) opening, Bart Veldkamp (schaatsen) sluiting
1994: Christine Aaftink (schaatsen) opening, Rintje Ritsma (schaatsen) sluiting
1998: Carla Zijlstra (schaatsen) opening, Gianni Romme (schaatsen) sluiting
2002: Nicolien Sauerbreij (snowboarden) opening, Gerard van Velde (schaatsen)
sluiting
2006: Jan Bos (schaatsen) opening, Rintje Ritsma (schaatsen) sluiting
2010: Timothy Beck (bobsleeën) opening, Sven Kramer (schaatsen) sluiting
2014: Jorien ter Mors (schaatsen/shorttrack) opening, Bob de Jong (schaatsen)
sluiting
2018: Jan Smeekens (schaatsen) opening, Ireen Wüst (schaatsen) sluiting
2022: Lindsay van Zundert (kunstrijden) en Kjeld Nuis (schaatsen) opening

Waardeer dit artikel!

Dit artikel las je gratis. Vond je het de moeite waard? Dan kun je dat laten blijken met een kleine financiële bijdrage.

 
Mijn gekozen waardering € -