NieuwOverige sport

11 maart 1931: Nederlandse sport in rouw door dood van sportjournalist Leo Lauer

Op 11 maart 1931 stierf Leo Lauer – één van de belangrijkste Nederlandse sportjournalisten vóór de Tweede Wereldoorlog. Pas in 2009 ontdekte een kleindochter dat hij zo beroemd was geweest. 

Leo Lauer bij een autorit in Zandvoort

Leo Lauer begon op 1 juni 1907 met het tijdschrift Revue der Sporten, dat op deze site regelmatig wordt geciteerd. Het was het eerste geïllustreerde sporttijdschrift van ons land. Met hart en ziel stortte hij zich hierop en was daarom bijzonder gefrustreerd toen zowel het blad hij begin jaren twintig door de uitgever eruit werden gegooid.

‘Sportman en vechter, die Lauer was’, schreef dagblad Het Vaderland na zijn dood in 1931, ‘bleef hij niet lang zonder een orgaan, waarin hij zijn strijd voor de belangen voor de sport – zooals hij die zag – kon voortzetten.’

De drift

Het leven van Lauer was inderdaad een strijd, en hij zag daardoor in zijn woede en drang de realiteit soms niet meer. ‘Juist door de drift waarmede hij leefde’, meende eerdergenoemde Hans P. van den Aardweg, ‘zag hij vaak meer de schijn dan de werkelijkheid der feiten. Wanneer er meer rust, meer bezinning in hem geweest was, zou hij vermoedelijk een kunstenaar geworden zijn, die een durend relief gegeven had aan het literaire front van Nederland.’

Toch heeft Lauer ons veel nagelaten, alhoewel zijn naam in onze tijd is vergeten. Het zijn om te beginnen al die jaargangen aan sporttijdschriften, waaruit we veel foto’s en informatie halen om op deze site te plaatsen.

Ook heeft hij één van de beroemdste en mooiste zinnen geschreven van de klassieke Nederlandse sportjournalistiek. In 1913 versloegen de Nederlandse voetballers voor de eerste keer Engeland en sportpionier Pim Mulier was daarbij. Mulier probeerde zich in alle emotie aan de massa te onttrekken, maar Lauer had het door. Hij schreef over Mulier, die ‘correct in het zwart, hoog gehoed, (…) stillekens voor zich uitkeek naar het woest gedans en golven der menigte, telkens zijn ogen afwiste, met niemand sprak, voor zichzelf bewaarde het zoete van het nieuwe geluk.’

 

Jaap Eden

In Haarlem is ook nog een nalatenschap van Lauer te zien. Op de algemene begraafplaats aan de Kleverlaan staat bij de hoofdingang het graf van Jaap Eden, oud-wereldkampioen schaatsen én wielrennen. Daarop staat een grafmonument, waarvoor Lauer het geld heeft ingezameld.

Al bij leven hielp de sportjournalist de gevallen topsporter, die ten onder was gegaan aan drank en sigaren. In zijn laatste jaren kon Eden niet eens meer zorgen voor zijn zoon Jaap jr. Om aan geld te komen, wilde Eden al zijn trofeeën verkopen. Daarom werd meteen het Jaap-Eden-Comité opgericht, dat dit wilde voorkomen. Naast Lauer zat ook toenmalig NOC-voorzitter F.W. Baron van Tuyll van Serooskerken in dit comité, dat op 29 maart 1922 een oproep plaatste.

‘Ondergeteekenden meenden tegen een dergelijk voornemen te moeten waarschuwen. Zij beschouwen deze kunstvoorwerpen als een onderdeel onzer sport-historie, en de verloting daarvan, die de kans opent, dat deze bekers op niet waardige plaatsen belanden, achten zij in strijd met de piëteit, waarmede men deze sportprijzen van geschiedkundige hoedanigheid dient te behandelen.’

Drie jaar later stierf Eden, berooid en eenzaam. Er was zelfs geen geld voor een mooi grafmonument ter nagedachtenis aan de eerste grote sportheld van Nederland. Dank zij de inspanningen van Lauer kun je nu nog steeds gaan kijken naar dit graf.

Motor

Lauer was begin vorige eeuw één van de eerste grote liefhebbers in ons land van de gemotoriseerde sport. Hij schreef er veel over – al in 1907 in de Revue der Sporten. Over ballonnen, motorboten, vliegtuigen, auto’s – hij kreeg er geen genoeg van. Juist die gemotoriseerde sport maakte een einde aan zijn leven. Ook organiseerde hij rondritten door het land.

Deze liefde voor de gemotoriseerde sport werd zijn dood. In maart 1931 had hij een motorongeluk nadat een auto achterwaarts was gereden en Lauer had geschept. In eerste instantie leek dat het redelijk was afgelopen, volgens Het Vaderland op 9 maart: ‘De heer Lauer is er nog vrij goed afgekoomen.’ Twee dagen later schreef dezelfde krant dat hij was overleden.

‘Hij was de meester van de ‘flits’, van de korte, snel-vergankelijke impressies’, schreef Van den Aardweg. ‘Maar wij kunnen ons troosten met de gedachte, dat hij een persoonlijkheid en een journalist werd, onvergetelijk voor hen, die hem gekend en gelezen hebben.’

 

De kleindochter van Lauer

In 2009 werd ik benaderd door kunstenares en astrologe Panda Gielen. Hierdoor hoorde ik nieuwe details over zijn dood. Zij was de kleindochter van Lauer, alhoewel ze tot dat jaar niet wist dat hij een beroemde sportjournalist was geweest.

Het liefdesleven van Lauer was namelijk een moeilijk verhaal. Samen met een steenrijke Amsterdamse dame had hij een buitenechtelijke dochter, maar die vrouw wilde niets weten van zowel Lauer als haar dochter – te druk met het jetsetleven in de hoofdstad. Die buitenechtelijke dochter was de moeder van Panda Gielen.

In 1922 schreef Lauer hierover in het boek De oogen, die lachen. Het leven van Bob Lol, uit zijn nagelaten snippers tot boek verwerkt. Gielen op het gelezen en erover geschreven op haar site: ‘In de De oogen, die lachen beschreef grootvader hoe hij moest bedelen om zijn dochtertje te mogen zien. Al was het maar voor één keertje. Dat ene keertje is hem uiteindelijk gegund. Al is hij bij die gelegenheid niet verder dan het portaal van grootmoeders huis gekomen.

“Dat was eens maar nooit weer” was haar driest besluit en een dag later liet ze haar zes weken oude lastpost achter bij een wildvreemde boerenfamilie. Hier zou mijn moeder tot haar vijftiende blijven. Doodsbenauwd voor de deftige mevrouw uit de stad die eens per jaar langskwam om, te mooie, cadeautjes te brengen.’

De begrafenis van Lauer

Gielen was tien jaar oud toen ze voor het de eerste keer hoorde van het bestaan van Leo Lauer. ‘Vader vertelde hoe hij was gestorven. In Zandvoort – waar hij aan zee woonde – was zijn motor door een auto geschept. Toen hij in het ziekenhuis bijkwam en hoorde dat zijn been moest worden geamputeerd heeft hij eigenhandig het verband afgerukt. Hij bloedde liever dood dan als een gehandicapte verder te moeten leven.

Zijn overlijden heeft indertijd alle kranten gehaald. Zevenenveertig jaar is hij geworden. Toen ik de geschiedenis hoorde begreep ik dat ik iets heel bijzonders leerde over de vrijheid van zelfbeschikking. Gruwelijk, maar groots! Zo vrij wilde ik ook worden.

Ik heb toen een paar rozen geplukt en ben meteen, in mijn korte broekje, op mijn fietsje gesprongen. Zandvoort is slechts een paar kilometer van Aerdenhout vandaan waar wij indertijd woonden. Op de begraafplaats ben ik in het wilde weg wat gaan zoeken. Opeens stond er een verzorger naast me. Toen duidelijk werd wat ik zocht zuchtte hij: “Wat jammer! Er kwam nooit iemand en daarom hebben we het graf nog geen half jaar geleden geruimd.”

Alhoewel Lauer het niet lukte contact te krijgen met zijn dochter heeft hij wel geld voor haar opzij gezet, om financieel voor haar te zorgen. Maar ook dit verhaal loopt droevig af: ‘Hij zette op een Zwitserse bankrekening een groeiend kapitaaltje vast om daarmee de toekomst van zijn dochtertje te verzekeren.’ Het enige probleem is dat het enige reçuutje kwijt is geraakt. ‘Dat geld moet inmiddels een fortuin waard zijn, want het staat er nog. Niemand weet waar en hoe.’

In een artikel uit 2009 op Sportgeschiedenis.nl zag zag ze voor de eerste keer een foto van opa Lauer. ‘Ik zal je vertellen dat het een schok was om opeens in mijn eigen gezicht te kijken. Dezelfde donkerbruine ogen, bouw van het gezicht en van datzelfde donkere haar.’

Lauer was hoofdredacteur van Sport in Beeld toen hij stierf

 

Advertentie

Bestel bij Bol.com

 

Jurryt van de Vooren
http://Sportgeschiedenis.nl
Jurryt van de Vooren is sporthistoricus. Auteur van 'Amsterdam 1928' en de Bosatlas van het Nederlandse voetbal. Bezig met boekenserie over Amsterdam en sport. Nog steeds de enige Amsterdammer die is afgestudeerd op Feyenoord.