Bokser Bennie Bluhm is een monument van het antifascistische verzet
De Amsterdamse bokser Bennie Bluhm sloot zich in 1941 aan bij Joodse knokploegen. Dankzij hem staat op het Waterlooplein het Joods Verzetsmonument.

Bennie Bluhm, foto via het Joods Cultureel Kwartier
Ik ben altijd zeer geïnteresseerd in jubilea in de sport, die niemand viert. Het was op 10 februari exact veertig jaar na de eerste test van de klapschaats. Op 10 juli bestond handbal precies honderd jaar in Nederland. En op 10 augustus was het 65 jaar geleden dat de Nederlandse tv voor de eerste keer een sportdocumentaire uitzond.
Op 16 oktober 1988 was in Amsterdam de onthulling van het monument van het Joodse Verzet, wat morgen dus 37 jaar is geleden. Dat is géén mooi rond getal, maar ik wil niet drie jaar wachten op een eerbetoon voor bokser Bennie Bluhm, die zich al vóór de Tweede Wereldoorlog actief verzette tegen het fascisme en nationaalsocialisme. Hij was oneindig veel moediger dan politici, die Antifa een terroristische organisatie noemen.
De WA-ers kwamen van het Thorbeckeplein over de Blauwbrug
Opstand
Op 25 februari 1984 blikte in dagblad De Waarheid Bennie Bluhm uitgebreid terug op zijn leven. Hij werd op 1 mei 1917 geboren in de Rapenburgerstraat in Amsterdam. “Een mooie datum, hè?”
Hij groeide op in armoede. “Nederland was met zijn koloniën een van de rijkste landen van de wereld, maar mijn moeder kon nog geen half onsje boter kopen. Daartegen kom je in opstand.”
Bluhm belandde op het Anker op de Geldersekade, het honk van de socialistische jeugdbeweging AJC, de Arbeiders Jeugd Centrale. Hij raakte bevriend met de gebroeders Lard en Philip Zilverberg. “Dat waren zware communisten. In 1936 ben ik, geloof ik, lid van de CPN geworden.”
Via Lard Zilverberg werd Bluhm lid van een boksclub, ongeveer 16 jaar oud. “Omdat ik veel christenvrienden had, ben ik naar een gemengde vereniging gegaan: Olympia, daar was Joël Cosman trainer.” Ben Bril bokste daar ook, net als de vader en twee zoons van de familie Olij, die in de oorlog de meest beruchte Jodenjagers werden.
Fascisme is moord
In 1937 was Bluhm twee keer in Duitsland geweest, waar hij zag wat er gebeurde met de Joodse mensen. “Ze mochten niet meer werken, konden niet naar de bioscoop, de ruiten van hun zaken werden ingegooid. Die mensen huilden, vroegen om hulp, ze wilden weg. Lard Zilverberg en ik hebben vier of vijf mensen bij Coevorden over de grens en naar Amsterdam gebracht. Ik kan me nog goed drie jonge jongens herinneren, die naar Amerika emigreerden.”
Al vóór de Duitse inval was Bluhm betrokken bij antifascistische acties, wederom samen met Lard Zilverberg. “Wij schilderden Fascisme is moord op de muren. Onder een viaduct bij de Dapperstraat werden we ingesloten door vijf of zes NSB-ers. Maar we lieten ze rustig komen, wij waren boksers, we konden goed onze handen gebruiken, goed lopen.”
Begin 1941 trokken hordes van Nederlandse nazi’s steeds vaker door Joodse buurten, waarna Bluhm zich meldde bij een Joodse knokploeg. Zij waren de eersten, die terugsloegen, onder aanvoering van zijn boksclub. “De jongens van de krachtsport hadden zelf zo’n beetje de leiding genomen. Een bekende schrijver, Maurits Dekker, vroeg Cosman een ploeg te vormen. Bij Anton Prenger, die een oud-ijzer loods op het Waterlooplein had, konden we ieder eind ijzer nemen dat we wilden. De verhuiswagen van Simon Looper werd omgebouwd tot overvalwagen.”

Leden van boksschool Olympia met o.a. Ben Bril (staand, uiterst links), Gerrit Cohen (later in joods verzet, staand, derde van links), Joop Cosman (trainer, zittend met bokshandschoen), maar ook Jan en Kees Olij (later bij de SS, de lange jongens, helemaal achteraan staand). Foto via Europeana / JCK
De WA
Op 11 februari 1941 marcheerden Nederlandse nazi’s van de NSB en de WA naar het Waterlooplein terwijl zij antisemitische liederen zongen. Ze hadden niet in de gaten dat leden van de Joodse knokploeg zich verdekt hadden opgesteld voor een verrassingsaanval.
“Het was een mistige, nattige avond. Onze ploeg bestond uit 80 tot 100 man, verspreid over de straten en stegen van de buurt. Lard en ik stonden bij het Arsenaal tegenover Nikkelsberg, een groot joods café. Voor ons lag de speeltuin, waar nu de Opera is. De WA-ers kwamen van het Thorbeckeplein over de Blauwbrug. Ze marcheerden om de speeltuin heen.
Daar zagen die WA-ers onze jongens staan. Terug konden ze niet meer, wij hadden hun terugweg afgesloten. Toen begonnen die lui te schreeuwen. Wij sloegen op ieder uniform. Ik had zo’n stok van slagbal. Ze kregen zoveel klappen, ik heb nog nooit — en later ook niet meer — een dergelijk gevecht meegemaakt. Verschillende WA-ers probeerden weg te komen, maar ze werden opgevangen door jongens die kwamen toelopen.”
De nazi Hendrik Koot kreeg zoveel klappen dat hij drie dagen later overleed. De bezetters grepen dat aan voor massale arrestaties en de eerste razzia’s in Amsterdam.
Bluhm ontsnapte zelf maar net: “Voor het badhuis waar Gerrit Blom werkte, stond mijn oom met een kraam hoeden en petten. De buurt werd afgezet en ik maakte dat ik wegkwam: een razzia. Over de Oude Schans hadden ze dekschuiten gelegd, zodat je weg kon komen. Ik heb me op de zolder van mijn oom verstopt.”
Februaristaking
Na deze razzia’s brak de Februaristaking uit, die na twee dagen hard werd neergeslagen. Van de knokploegen was bijna niemand meer over, waarna Bluhm de overgang maakte naar het nationale verzet. “Ik moest natuurlijk ook proberen mij zelf te redden. ledere dag zat ik in spanning. Mijn vrouw en dochter heb ik later naar Friesland gebracht. Ik kon mijn vrouw niets vertellen. Steeds moest ik onderduiken op adressen bij vrouwen, waarvan de man al was gedeporteerd. Mijn zoontje is door een griep overleden.”
Een jaar later werden zijn vader en moeder gedeporteerd, maar zijn illegale werk ging door. “We hebben veel geschilderd, gekalkt. De onderduikers moesten worden verzorgd. Op de Nieuwe Keizersgracht zaten er dertig. In de Zwammerdamstraat op nummer 15, hadden we er achttien.” Bij een inval ontsnapte hij, ondanks een kogel in zijn knie.
Bluhm overleefde de oorlog, waarin hij 153 familieleden verloor. De broers Zilverberg werden ook allebei vermoord, zoals bijna iedereen in zijn knokploeg.

Het monument voor het Joodse verzet, foto Rob Bogaerts via Nationaal Archief
Monument
In 1986 nam Bluhm het initiatief voor het monument voor het Joodse verzet om de leden van zijn knokploeg eindelijk te eren. “Ik heb ze niet meer teruggezien. Of ja, eigenlijk wel. Ik kom ze in mijn dromen tegen, als ze mij ter verantwoording roepen. Voor hen zou er een monument moeten komen.”
Op 16 oktober 1988 werd het monument onthuld bij de Stopera op het Waterlooplein, heel symbolisch op de plek waar Hendrik Koot tevergeefs probeerde te ontsnappen aan het Joodse verzet. Bluhm heeft die onthulling niet meer meegemaakt, want op 12 juni 1986 is hij overleden.
Als er een Rijksmuseum van de Sport komt, moet er een zaal naar Bluhm worden vernoemd. De politici die Antifa als een terroristische organisatie aanmerken zijn niet welkom bij de officiële opening.

