Echt Nep: de Joodse bevolking liet zich gewillig deporteren tijdens de Holocaust
Oktober is de Maand van de Geschiedenis met als thema Echt Nep. We kijken naar Joodse knokploegen van boksers en krachtsporters.

Waterlooplein in 1941, foto via Stadsarchief Amsterdam
Er heerst een hardnekkige opvatting dat Nederlandse Joden tijdens de bezettingsjaren niets hebben gedaan tegen hun eigen vervolging. Daar klopt niets van, zien we onder meer via de sport.
Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog waren er duizenden Joodse sporters, vrijwilligers, donateurs en supporters, van wie veruit de meesten werden vermoord. Toch zijn er aan het begin van de bezettingsjaren enkele verzetspogingen geweest, waarbij vooral Joodse boksers en krachtsporters zich zeer moedig hebben gedragen. In 1941 vielen ze een groep Nederlandse collaborateurs aan, die provocerend door de Joodse wijken marcheerden – zowel het hoogtepunt als het eindpunt van dit verzet van de Joodse sport.
Joods proletariaat
In 1928 was Joop Cosman de oprichter van de Amsterdamse boksclub Olympia, drie jaar nadat hij de nationale titel in het bantamgewicht had gewonnen. Cosman: ‘Een boksclub in het hartje van de Jodenbuurt. Onze leden waren voor negentig procent joods, hoewel in principe iedereen lid kon worden. Onze voornaamste aanhang hadden we onder het Joodse proletariaat.’ Zijn boksschool zat aan de Jodenhouttuinen in de Rapenburgerbuurt.
Vanuit Olympia werd in 1941 een knokploeg geformeerd, onder leiding van Cosman. Hier deden tientallen mannen aan mee, vooral Joodse boksers uit de stal van Cosman. Ze kregen daarbij hulp uit Kattenburg en de Jordaan, waardoor deze aantallen opliepen. ‘Bang waren we niet,’ aldus Cosman. ‘Dat Joden van nature laf zijn is een sprookje. Dat heeft die knokploeg wel bewezen.’
Het idee om ‘terug te beuken’ kwam van schrijver Maurits Dekker, die al in 1938 een fel pamflet tegen Hitler had geschreven. Hij benaderde Cosman begin 1941 om de knokploegen op te richten. ‘Dat hebben we toen doorgesproken,’ zei Cosman na de oorlog. ‘De grootste moeilijkheid was mensen te vinden die zich makkelijk vrij konden maken en ook meteen in actie zouden kunnen komen als dat nodig was.’ Verhuizer Simon Looper leverde hiervoor een omgebouwde wagen. Enkele gefortuneerde Joodse Amsterdammers zorgden voor de financiële ondersteuning.
Boksers
Sommige leden van deze knokploeg waren bekende boksers. Isaäc Brander had verschillende toernooien gewonnen. Barend Groenteman was in het vedergewicht enkele keren kampioen van Noord-Holland geweest. David ‘Lard’ Zilverberg had een nationale titel in het vlieggewicht. Vanwege die bekendheid moesten ze onherkenbaar in actie komen, waarvoor ze zich kaal lieten scheren. En dan was er nog Ben Bril, veelvoudig nationaal kampioen. Hij kwam zelf niet in actie, maar gaf wel trainingen.
De leden droegen geen vuurwapens, maar vochten met de vuisten of met staven van marktkoopman Toontje Prenger, op het Waterlooplein eigenaar van een loods vol ijzerwaar. ‘Hij was een niet-Joodse jongen,’ aldus bokser Bennie Bluhm, ‘die met een Joodse vrouw was getrouwd. Hij maakte zijn loods open en dan mochten we pakken wat we nodig hadden.’ Met de overvalwagen van Looper verplaatsten ze zich door de stad.
Zo ontstond de eerste Joodse knokploeg van ons land, waarschijnlijk ook de enige. Het was zeker niet toevallig dat dit verzet begon in de boksschool van Cosman, want in 1935 was hij met een aantal van zijn Joodse boksers in Berlijn geweest voor een toernooi. De wedstrijden zelf waren fantastisch geweest, maar de rest verschrikkelijk, zo zei Cosman. ‘Antisemitisme hadden we nog nooit eerder op een dergelijke manier ervaren.’ Bluhm zat in zijn ploeg en sprak met Duitse Joden, die vertelden hoe ze werden behandeld door de nazi’s. ‘Toen wij dat aan de Amsterdamse Joden vertelden, geloofden ze ons niet. Het was ook ongelofelijk.’
Het zorgde er wel voor dat sommige boksers al vóór de Tweede Wereldoorlog de confrontatie zochten met hun politieke tegenstanders. Bluhm en David Zilverberg plakten in de jaren dertig hun eerste posters met de leus ‘Fascisme is moord’. Bij het Muiderpoortstation werden ze een keer aangevallen door een groep NSB’ers. ‘We lieten ze rustig komen,’ blikte Bluhm later terug. ‘Wij waren boksers, we konden goed onze handen gebruiken, goed lopen.’
Op de Utrechtsestraat sloeg hij samen met bokser Japie Casserus en worstelaar Teddie Goldsmit een lid van de WA dwars door een etalageruit. ‘Ik werd witheet als ik die lui zag. Ik kreeg een waas voor mijn ogen.’ En Sander Waterman beoefende zijn bokssport uit zelfverdediging. ‘Wacht nooit totdat je de eerste klap krijgt,’ zei hij later tegen zijn boksende zoons Sal en Joop, ‘want dan kun je in het ziekenhuis liggen. Geef de eerste klap maar weg.’

Ben Bril, foto Hugo van Gelderen via Nationaal Archief
Een kille avond
Deze knokploeg was betrokken bij de vechtpartijen op 11 februari 1941. ‘Het was een kille avond met mistig weer,’ vertelde Cosman in verschillende terugblikken. Vanaf de Blauwbrug marcheerden de nationaalsocialisten naar het Waterlooplein terwijl zij antisemitische liederen zongen. Ze hadden niet door dat tachtig tot negentig leden van de knokploeg zich verdekt hadden opgesteld voor een verrassingsaanval op het Waterlooplein. ‘Daar had je toen nog een speeltuin. En daar hebben we ze besprongen. Die kerels waren volkomen verrast en ze vlogen alle kanten uit, de meesten terug naar de Blauwbrug. Maar een paar renden juist de andere kant op.’
Hendrik Koot, lid van de NSB en de WA, rende recht in de handen van de groep van Bluhm, zelf in het bezit van een honkbalknuppel. ‘Ik sloeg naar ieder uniform.’ Met messen, gummiknuppels, koppelriemen en staven ijzer werd er gevochten. ‘Ze moesten vluchten. Koot is in handen van een andere groep gevallen.’ Aan beide kanten vielen gewonden, die zich meldden bij een hulppost van de GG&GD. Koot overleed drie dagen later aan zijn verwondingen.
De eerste golf arrestaties volgde na enkele dagen, waarbij achttien leden van de knokploeg werden meegenomen, onder wie Harry Wijnschenk, Lard Zilverberg en de gebroeders Brander. Volgens Cosman was er sprake van verraad. Enkele dagen later ontstonden opnieuw gevechten, ditmaal in Zuid bij enkele ijssalons. Ook deze mensen werden opgepakt, van wie een aantal werd doodgeschoten.
Op 22 en 23 februari waren de eerste razzia’s onder de Joodse bevolking in Amsterdam, waarbij 400 jonge mannen werden opgepakt, onder wie opnieuw veel boksers. Dit betekende het definitieve einde van deze Joodse knokploeg. Als direct gevolg van deze razzia’s brak de Februaristaking uit.
Onderduiken in de boksring
Cosman zelf ontsnapte keer op keer. Hij had inmiddels ónder de boksring een onderduikplek gebouwd. ‘Die ring stond op palen, verhoogd, en daaronder zat er een ruimte om te schuilen,’ vertelde oud-bokser Jan Lenten. ‘Ook de buurt vluchtte erheen als er een razzia was.’ In de zomer van 1943 is Cosman met zijn vrouw in zijn eigen boksschool ondergedoken, ‘midden in de Jodenbuurt, in de Jodenhouttuinen, op de zolder van de boksschool.’ De bokslessen voor Arie Pach, Gerrit Cohen en Simon Sacksioni gingen ondertussen gewoon door. ‘In ruil brachten ze voedsel mee.’ Het echtpaar overleefde zo de oorlog, ook dankzij de hulp van zwemlegende Piet Ooms.
Bijna niemand van de knokploeg heeft de oorlog overleefd. ‘Hou op, Joop,’ zei een vriend, ‘hou op, ze zijn dood, ze zijn vergast, ze zijn vermoord, er komt niemand, niê-mand terug.’ Bobby Waterman werd een uur vóór de bevrijding doodgeschoten, zo getuigde zijn broer.
Bluhm overleefde wél en nam in 1986 het initiatief voor een monument voor het Joodse verzet om de leden van zijn knokploeg eindelijk te eren. ‘Ik heb ze niet meer teruggezien. Of ja, eigenlijk wel. Ik kom ze in mijn dromen tegen, als ze mij ter verantwoording roepen. Voor hen zou er een monument moeten komen.’ In 1988 kwam dit er inderdaad bij de Stopera op het Waterlooplein, op de plek waar in 1941 de gevechten waren met de troepen van Koot. Bluhm heeft het zelf niet meer meegemaakt, want enkele maanden na zijn initiatief is hij overleden.

Het monument voor het Joodse verzet, foto Rob Bogaerts via Nationaal Archief
Leo Horn
Leo Horn was vanaf de jaren vijftig één van de bekendste voetbalscheidsrechters ter wereld. Hij werd in 1916 geboren in Sittard in een Joods gezin met vier kinderen.
Tijdens de oorlog sloot Horn zich aan bij een Amsterdamse knokploeg, want dat verzet nodig was, wist hij al van vóór de oorlog, zo zei hij in 1994 in de Leeuwarder Courant. Zijn Duitse oom had namelijk een schoenenzaak in Essen. “In 1938 schoten ze al zijn honden dood. Op de kennel stond gekalkt Juden Hunde nicht geliebt.”
In 1942 sloot Horn zich daarom aan bij een overvalteam in Zuid, onder leiding van Ben Warner. Hij deed het samen met Kuki Krol, vader van de latere Ajax-voetballer Ruud. “Ik was geen held,” vond Horn zelf. “Je wordt niet geboren als held.”
In die jaren verrichte hij wel degelijk heldhaftig werk, waarvoor hij verschillende schuilnamen gebruikte, zoals dr. Van Dongen en ir. Varing. “We kenden elkaars werkelijke naam niet.” Hij kreeg opdracht om kranten en pamfletten te verspreiden en om aanslagen te plegen op hooggeplaatste SS’ers. Ook zorgde hij voor onderduikadressen, onder meer voor zijn ouders en broer George.
Foto Leo Horn via het Nationaal Archief
Zijn oudste broer Edgar en zijn zus Sophie werden opgepakt, wat alleen Sophie heeft overleefd. “Ze heeft oog in oog gestaan met Joseph Mengele.” Haar verrader heeft hij na de oorlog zelf nog opgeleverd als commandant van de Binnenlandse Strijdkrachten. “Hij was vastgebonden, maar ik heb hem toch een klap gegeven.”
Naast zijn eigen naam verzweeg hij in de oorlogsjaren ook zijn Joodse identiteit. “Ik weet nog dat één van ons me influisterde, toen een oude Joodse vrouw uit haar bovenhuis werd getakeld: zouden Joden ook het lef hebben te doen wat wij doen? Dat was Wim Kuijt, toch wars van antisemitisme.”
Meteen na afloop van de oorlog gaf hij zijn identiteit vrij. In zijn biografie Leo Horn fluit blikte hij terug hoe hij de medestrijders hierover toesprak. “Weten jullie nog, jongens, die Joden, die het niet gedurfd zouden hebben? Dan zal ik mijn vermomming maar afgooien. Geen dokter Van Dongen, geen ingenieur Varing. Mijn naam is Leo Horn, en ik ben Jood.” De rest van de groep keek verbluft toe en zweeg. Sommige huilden, maar Horn is daarna altijd vrienden gebleven van deze mensen, zolang dat mogelijk was. “Zij meenden het allemaal niet zo kwaad.”
Dat Horn zijn identiteit verzweeg, vond hij geen verraad, zei hij in 1994. “Ik ben geen verrader, men heeft mij verraden. In Sittard al. En tijdens de oorlog waarin de Joodse gemeenschap in Nederland bijna werd uitgeroeid. Ik veroordeel niet iedereen die aan de zijlijn heeft gestaan. Absoluut niet. Ik heb al gezegd: je wordt niet als held geboren. De uitzonderingen daargelaten: de Soldaten van Oranje, de Engelandvaarders. Maar ik vind wel dat veel landgenoten te weinig voor hun medemensen hebben gedaan.”

