Home > Nieuw > Piet Ooms: vader van de Nederlandse buitenzwemmers
NieuwZwemmen

Piet Ooms: vader van de Nederlandse buitenzwemmers

Zwemmen in buitenwater wordt al heel lang beoefend in ons land, met Piet Ooms ruim honderd jaar geleden als eerste grote naam.

Piet Ooms in badpak. Parijs, 1916. Foto’s Geheugen van Nederland

Piet Ooms is één van de vroegste sporters van ons land, die tot ver in het buitenland bekend waren. In Frankrijk staat zelfs een gedenkplaat van Ooms na het winnen van een hele zware wedstrijd in open water. Zo werd Ooms een internationale sportbekendheid, net als schaatser en wielrenner Jaap Eden en – géén familie! – Janus Ooms, roeier uit Amsterdam.

Ooms, geboren in 1884, begon als zwemmer op de korte afstand, maar werd internationaal vooral bekend op de lange afstand, waaronder in Parijs en Londen. In 1952 zei hij voor de VARA-radio: “Ik begon toen ik elf jaar was. Toen ik achttien jaar was, won ik het kampioenschap van Holland op de korte baan, de 240 meter en de 600 meter. Ik raakte uitgekeken in Holland. Op 21-jarige leeftijd zwom ik de Traversé de Paris – 12 kilometer lang. Ik werd tweede.”

Waarschijnlijk was hij de eerste Nederlandse sporter met een persoonlijke coach en begeleider. Vanaf het begin van zijn carrière werkte hij samen met Bram Felleman, die hem vanuit een begeleidende boot van alles voorzag. Als Ooms een inzinking kreeg, ontkurkte Felleman een fles champagne en sprong daarmee in het water om het bij de zwemmer naar binnen te gieten. Zo hervond hij zijn krachten om verder te gaan. Inderdaad: dat mocht toen nog.

 

Gebarentaal

Felleman en Ooms kenden elkaar als jongens al. “We woonden nog geen 200 meter van elkaar vandaan,” aldus de begeleider. Het duo had in een gebarentaal ontwikkeld, want anders kreeg Ooms water binnen tijdens het zwemmen.

Vooral buiten Nederland zwom Ooms zijn beste wedstrijden. “Na de Traversé de Paris ging ik naar Londen voor een wedstrijd van vijftien mijl. Ik won. Van 1909 tot 1911 zwom ik de Traversé de Paris. Belangrijk bij lange afstand is het verdelen van je krachten, daarin was Bram een genie.”

In Parijs had Ooms een vast hotel langs de route. Als herkenningsteken hing de hoteleigenaar de Nederlandse vlag buiten, zodat Ooms wist dat hij vanaf daar nog vier kilometer voor de boeg had.

Gedenkplaat

Ooms hoorde in zijn tijd tot de wereldtop. De meest indrukwekkende prestatie leverde hij in 1911 in zee, bij het Franse Le Havre. Daar vond een wedstrijd plaats over een afstand van 26 kilometer. Er begonnen 32 zwemmers, waarvan slechts twee de finish bereikten, met Ooms voorop. Nummer twee had een achterstand van maar liefst zes uur. De Fransen zuchtten diep en maakten daarna een gedenkplaat voor de Nederlander.

In 1908 deed Ooms mee aan de Olympische Spelen in Londen als zwemmer en als lid van het Nederlandse waterpoloteam. Dat verliep niet zo goed: op de 1.500 meter vrije slag werd hij al in de tweede heat uitgeschakeld en met waterpolo eindigde hij op de vierde en laatste plaats.

Hij ging wel lang door met zijn sport: “Mijn laatste wedstrijd zwom ik toen ik 36 jaar was. Ik vond achttien jaar wel voldoende. Bram ging daarna voor zaken naar Australië.” Na zijn actieve loopbaan werd hij trainer van andere lange-afstandzwemmers.

Privéleven

Ooms was getrouwd met een Italiaanse vrouw. Ze hadden twee kinderen, Piet en Petronella. Hij was een bekende in de wereld van artiesten, schreef zijn kleinzoon Frits Louis Ooms mij in 2007: ‘‘Ik weet nog dat mijn moeder vroeger vertelde dat het bij hun thuis een komen en gaan was van artiesten. Louis Bouwmeester was kind aan huis. Daarom is Louis mijn tweede voornaam.”

Ooms had veel joodse kennissen en vrienden. “Blijkbaar voelde hij zich wel thuis in hun gezelschap,” aldus zijn kleinzoon. “Van mijn neef weet ik dat hij later een sigarenzaakje in Amsterdam heeft gehad, want in die tijd gingen sport, champagne en sigaren nog goed samen.” Dat van die champagne hadden we hierboven al gezien.

“Mijn moeder wist nog het volgende over hem te vertellen,” vervolgde Frits Ooms. “Van de gemeente Amsterdam had mijn grootvader een klein autootje gekregen, omdat hij tot ereburger van Amsterdam was benoemd wegens zijn overwinningen. Vlak voor zijn huis had hij zich een parkeerplaatsje toegeëigend.

Op een dag kwam hij aangetufd en zag een haringkar op zijn ‘plekkie’ staan. Op typisch Amsterdamse manier, waarbij veel symbolische taal werd gebruikt, werd de uitbater te verstaan gegeven op te [zelf invullen] met z’n handel. Die had daar geen trek in en vond die Ooms maar een [zelf invullen].

Mijn grootvader schoof daarna met z’n autootje de hele handel zo de gracht in. Mijn moeder wist nog te vertellen dat de gracht voldreef met augurken en ‘harinkies’. De verkoper was helemaal over z’n toeren en jammerde over z’n broodwinning, kortom het dramagehalte was hoog – inclusief een hele volksoploop.

Overigens was grootvader dan ook weer niet de beroerdste en haalde honderd gulden tevoorschijn voor een nieuwe kar, wel met de opmerking dat als die kar er morgen opnieuw zou staan hij ‘m weer de gracht zou in [zelf invullen].”

Huldiging in 1911, met krans

Jurryt van de Vooren
http://Sportgeschiedenis.nl
Jurryt van de Vooren is sporthistoricus. Auteur van 'Amsterdam 1928' en de Bosatlas van het Nederlandse voetbal. Bezig met boekenserie over Amsterdam en sport. Nog steeds de enige Amsterdammer die is afgestudeerd op Feyenoord.