NieuwSchaatsen

12 februari 1929: Karst Leemburg wint de Elfstedentocht en verliest een teen

Karst Leemburg won de Elfstedentocht van 1929. Zijn ervaringen van die dag legde hij vast op papier, zoals het verlies van een teen. 

Meneer Bastet zou veel reclame gaan maken met de schaatsen, waarop ik had gewonnen.

Toen om drie uur ‘s morgens mijn wekker afliep, had ik den slaap al uit de ogen gewreven. Ik had dus maar weinig geslapen. Nu stond mij ook nog een onrustige dag te wachten, maar ik vond mij die morgen flink. Na eerst een ferme boterham te hebben benut, ging ik om even over vier den deur uit. Het was bitter koud met een sterken Oostenwind en met 20 graden vorst. Ik liep naar hotel Kastelijn, onze verzamelplaats, waar al meer mensen waren, die zich voor de reis klaarmaakten.

Wij waren in twee groepen gesplitst. De tochtmensen zaten in hotel De Klanderij en de wedstrijdrijders in het genoemde hotel. Ik voelde me juist niet geheel op mijn gemak, daar het mij voorkwam dat ik in het algemeen met jonge sportmensen te doen zou krijgen. En gezellig was het juist niet, maar ik knoopte al spoedig met dees en gene een praatje aan, dat altijd over de tocht ging.

Ik gaf dan ook voor zover ik er zelf mee bekend was inlichtingen. Verschillende trajecten had ik al gereden als baaninspecteur van het Leeuwarder Nieuwsblad. Een gesprek, dat ik ook nog had met de heer mr. Hepkema [oprichter van de Vereniging De Friesche Elf Steden, jRRT] over een stuk, dat af te snijden was op het Heegermeer naar het Slotermeer bezorgde mij later op de dag nog al wat oponthoud. We spraken af dat er over dit traject met Stavoren zou worden getelefoneerd en dat we daar zouden worden ingelicht hoe er moest worden gereden.

Wij ontvingen onze controlekaart, een nummer en zo was het dan al spoedig tijd om naar het ijs te gaan. We voelden weer die strenge koude bij het verlaten van het zo heerlijk verwarmde lokaal.

Ik stond al spoedig op gewone Friese schaatsen als een jong paard, dat verlangt te mogen vertrekken. Ik stelde mij zo dicht mogelijk op bij de man, die het touw zou verwijderen dat ons nog tegen hield. Zo was ik in de gelegenheid direct aan de spits te komen en ik schaatste als eerste onder de Prins Hendrikbrug door. Toch moest ik al dadelijk verschillende rijders voorbij zien gaan, omdat ik kennis maakte met het ijs. Enige tientallen meters verder viel ik alweer. Mijn stompe schaatsen waren wel de oorzaak van deze valpartijen, daar ik anders wel gewoon was om op slecht ijs te rijden. Het een beetje kalmer opnemen was dus mijn voorland.

Het ging daardoor dan ook beter. En zo reed ik dan op mijn eentje de stad uit, die hier en daar door een straatlantaarn verlicht was. Maar aan stonds moesten wij die ook missen. We reden als het ware een stikdonkere nacht tegemoet. Ik hield mijn meegenomen zaklantaarn in gereedheid en die moest al spoedig dienst doen daar er al iemand de baan kwijt was.

Samen blijven viel niet mee. Ieder zocht naar het beste ijs en iemand was al bezig zijn schaatsen te verwisselen, omdat er al een van de zijne was gebroken. Die persoon haalde mij even later bij en we reden toen gezamenlijk naar Dokkum, waar wij de eersten al tegemoet kwamen. Die hadden op ons al een flinke voorsprong.

Daar de eerste schemering zich nog moest laten zien, maakte ik mij nog niet druk. De dag moest immers nog beginnen. Bij de controle was alles reeds in de weer. En wij troffen daar dan ook enige mededingers aan. De controlekaart werd hier vlug afgetekend en ik verwisselde mijn schaatsen voor een paar scherpe. Wat mij dan ook terdege beviel. Ik reed op mijn gemak weer op Leeuwarden in. Voor de Oldehove hadden wij al menigeen ingehaald. Dit gaf me weer moed.

In Hindeloopen was de controle gevestigd bij de burgervader, van wie ik een kop warme melk kreeg.

Wij kwamen hier op ongeveer de achttiende plaats aan. Gauw een kop koffie en nu op start naar Franeker. Hier moest een omweg worden gemaakt daar de trekvaart niet te berijden was. Te Ritsemerzijl werd een binnenwater ingeslagen over Menaldum en vervolgens over Slappeterp naar Franeker. Dit was goed ijs, doch door zand geheel bedorven. Het was er opgewaaid door de harde wind van de laatste dagen.

Hier tempo rijden was dan ook gevaarlijk, temeer door de scherpe bochten. Zo bereikten we Franeker. Ook hier werd niet lang gepraat, maar we kwamen alweer meer naar voren. Toch waren ook hier de eersten al twintig minuten gepasseerd. Er moest weer op binnenwater worden gereden. Ook hier hadden de rijders veel last van zand en kwamen wij meer dan eens te vallen.

In Harlingen gaf ik mij even de tijd om bij familie een paar bakjes koffie te drinken. Toen naar de controle, waar ik van de heer Van Sloten een grote rol pepermunt ontving, die mij op mijn verdere reis uitstekend is bevallen. In Harlingen was mijn metgezel doorgereden, doch even buiten de stad haalde ik hem weder bij. Het ging tegen de wind in, maar we hadden weinig last van zand. Zo kon een flink tempo worden gereden. Daar ik eerst een flink eind voorop had gereden, miste ik mijn oude kameraad. Hij kwam niet meer voorop en ik probeerde hem op te wekken, dat wel te doen, want we hadden al weer vier mededingers ingehaald en achtergelaten. doch ik reed stellig te snel en zag hem na een poosje niet meer.

Ik was dus nu alleen en zette terdege door. Dat bleek wel in Bolsward, waar ik als nummer vijf aankwam en er net twee uit de controle gingen, toen ik arriveerde. Zij waren mij dus maar een paar minuten voor. Dit deed mij dan ook besluiten, hen eerst nog eens bij te halen, wat even buiten Bolsward dan ook geschiedde. Bij hen opzijgekomen, reden zij mij lang niet snel genoeg. Ik reed met gemak bij hen vandaan. Nu had ik er nog slechts twee voor mij en ik verlangde die ook nog te zien.

De wind was hier mee en er lag prachtig ijs. Er kon zo hard gereden worden als men kon. Na een poosje gespurt te hebben, reed ik ook die opzij. Zij lieten mij zonder moeite het eerst controleren in Workum. Ik had dus de kop bezet. Hier verzond ik een bericht naar de hoofdstad, waarna ik maar weer doorzette. Op naar Hindeloopen.

Ik merkte al spoedig dat ik mijn concurrenten kwijt was, daar ik niets achter mij bespeurde, maar ik verminderde mijn tempo niet. In Hindeloopen was de controle gevestigd bij de burgervader, van wie ik een kop warme melk kreeg.

En maar weer verder naar Stavoren. Er werd net als de vorige keer onder de zeedijk langs gereden. Ik wist wel dat als Stavoren was bereikt, dat wij tegen de wind in moesten en het was er niet rustiger op geworden. Er stond ons dus nog wat te wachten, zodat ik me bij deze controle even de tijd gaf een glas limonade te drinken. Maar dit was zo koud, dat ik er maar weinig van gebruikte. Ik haalde ook een stukje Friese worst uit mijn rugzak. Dat had ik meegenomen om op het merengebied op te peuzelen. Dit harmonieerde slecht samen.

Voor ik Warns had bereikt was ik de limonade en worst al langs een andere weg dan de gewone kwijt geraakt. Dit had dan ook even een inzinking tot gevolg, maar gelukkig duurde het niet lang. Ik begon maar weer pepermunt te eten.

Ik zette er maar weer een forse streek in, maar een echte lange was hier niet mogelijk, daar het recht tegen de sterke wind inging. Toch had ik Galamadammen al spoedig in het vizier. Er lagen hier planken op het ijs, zodat ik moest uitkijken, maar ik merkte al snel dat het ijs wel sterk genoeg was om mij te dragen.

Een paar mensen aan de andere kant van de brug merkten mijn aanwezigheid. Ik vroeg ze inlichtingen over het vaarwater, waar ik ‘s morgens met de heer Hepkema over had gesproken. Ik had het in Stavoren vergeten te vragen. Het lange Heegermeer leek mij zeer ijzelig toe. Ik had gaarne een andere weg willen nemen. Bij een boer ging ik ook nog even op informatie uit, maar ook die kon mij geen opheldering geven. Hij zei dat ik langs een andere weg wel drie keer moest klunen, omdat er de laatste jaren wegen waren gemaakt. Dit durfde ik niet aan en zo zat er niets anders op dan het meer maar te volgen tot Woudsend.

Onderweg blies ik een paar keer uit en peuzelde ik een paar hard bevroren bananen op. Even voor Woudsend ontmoette ik een controle, die me, beschut achter een kleed, stond op te wachten. Hier werd ik over een kistdam heengeleid. In Woudsend had ik mijn eerste ontmoeting met de fotografen, die mij op verschillende manieren vastlegden. Nu liep de wind weer mee en kon ik weer goed opschieten.

Het lange Heegermeer leek mij zeer ijzelig toe.

Zo ongeveer halfweg de Slotermeer werd ik opgehaald door een menigte jonge mannen, die mij vergezelden tot Sloten. Hier was de belangstelling groot. Een massa mensen stond bij de Oude Poort te wachten en toen ik hier onderdoor reed, loste de politie van Sloten een saluutschot. Ook op de wallen waren vele mensen trots de koude aanwezig. Zo schaatste ik door een haag van belangstellenden naar de controle waar ik een glas warme drank gebruikte.

Toch nam ik ook hier geen rust. Ik wist immers niet hoe groot het verschil met mijn concurrenten was. Ook stonden weer die goede rijders te wachten, die mij dan ook weer over het meer brachten. Daar trof ik mijn eerste concurrent aan. Ik was dus een mooi eind voor en verhaastte mij niet, omdat nu alles tot Leeuwarden tegen de wind inging. Ik zou mijn krachten nog wat moeten sparen.

De banen waren allen even prachtig. De Lemsters wensten mij nu een goed reis en beloofden, dat als ik het won, zij mij een kistje bokking zouden sturen. Dat is ook gebeurd.

Ik bleef flink door rijden, maar toch niet zo snel meer. Bij het Heegemer vaarwater ontmoette ik een jongmens, dat naar ik vernam naar Sneek moest. Ik was nu aan gezelschap gewend geraakt en knoopte hiermee weer vriendschap aan, wat op het ijs ook zeer gauw gelukt. Het was een beste rijder en dat deed mij dan ook goed opschieten. Doch even voor IJlst was de baanwijzer door jongens omgedraaid. We zouden daar een verkeerde weg zijn ingeslagen als niet een paar tegemoet komende rijders ons hierop hadden gewezen.

In IJlst werd ik even gecontroleerd en ben dadelijk door gegaan naar Sneek. Mijn gezel tond buiten te wachten en zo reden wij op naar de laatste controle. Hier waren velen aanwezig langs de baan en anderen hadden zich opgesteld achter een schutting of huis vanwege de kou.

Mijn vriend zorgde er wel voor om bekend te maken dat ik een Fries was. Hij riep telkens: ‘Fryslan boppe!’ Wat dan beantwoord werd met hoerageroep. Dit deed mij weer goed.

Ik reed heel gemakkelijk naar de controle. Buitengewoon was de belangstelling. Ik ging ook hier door een dichte haag mensen de controlepost binnen. Lang liet men mij hier niet met rust, daar ik verzocht werd even voor de film te verschijnen. Nu was mij dit nog niet eerder overkomen, zodat ik het verzoek met graagte aannam. Er waren zeer veel persmensen aanwezig, die ook wat van mij wilden weten, waardoor ik mij wat te lang op liet houden. Zo kwamen de concurrenten nader.

Fryslan boppe!

Er stond ons nog 27 kilometer te wachten met zeer slecht ijs. Door Sneek heen werd ik vergezeld door een mensenmenigte rijders, die het al gauw opgaven toen wij op de Leeuwardervaart waren gekomen. Er waren er nu twee, die mij voorreden en mij zouden vergezellen tot Scharnegoutum.

Toen wij daar kwamen werd ons verteld, dat ik nu slechts drie-en-een-halve minuut voor was en wel op Jongert. Maar ik wist niet wie Jongert was. Toch werd ik wat angstig, zodat ik de spurt er terdege inzette. En bij De Dille was ik weer vier-en-een-halve minuut voor. Ik won dus weer terrein en als er niets meer met mij gebeurde, kon ik het halen.

Mijn metgezellen besloten bij mij te blijven tot Leeuwarden. Dan had ik tenminste nog twee paar schaatsen, die zij onder hadden, als er iets met de mijne gebeurde. Bij het Weidummerhout werd ik opgehaald door de heer Bouma van Leeuwarden, die mij opmonterde en moed insprak. Zo reden wij met ons vieren in een snel tempo. Er waren heel wat rijders, die met ons meewilden rijden, maar zij konden ons niet bijhouden.

Op de Schenkenshans stonden de mensen al. Vandaar werd er naar de controle getelegrafeerd, dat ik was gepasseerd. Nu nog slechts een paar kilometer en de hoofdstad was bereikt. Daar ik nu ook nog een goede baan onder de voeten kreeg en wij meer en meer in de luwte kwamen, viel het laatste eind geducht mee. Langs beide zijden stonden mensen en hoe dichter ik de stad naderde hoe meer ik werd toegejuicht.

Bij de fabrieken langs beide zijden van de Harlingervaart waren de arbeiders even naar buiten gekomen om mij te verwelkomen. Zoo was het eveneens bij de Oosterkade. Bij Verlaatsbrug stond een baanveger, die ons de richting aangaf en zorgde dat niet iemand anders dan mijn metgezellen deze baan namen. Zo kwam ik op de Willemskade.

Hier ging het boven verwachting. Er stond een grote mensenmassa, waar wij maar nauwelijks door konden rijden. Ook de Prins Hendrikbrug stond vol. Telkens en telkens ging er een hoera op. Zo nog een paar fikse lange streken. De eindstreep was bereikt en de overwinning was vastgelegd. Ik werd door tal van vrienden en kennissen gefeliciteerd. Ook de burgemeester en tal van autoriteiten van de stad waren aanwezig. Nu nog even op de schouders gehesen en een geweldig ‘hoera’.

Maar nu werd het tijd om van het ijs te vertrekken, want trots de dikke ijslaag, die hier in de gracht lag, kwam het water er op. In De Klanderij werd ik verwelkomd door de leden van de Elfstedenvereniging en tal van journalisten, die allen gaarne wat van mijn tocht wil- den weten. Nadat ik in het kort mijn reiservaringen had verteld en enige glazen warme melk had genuttigd, stond een auto te wachten om mij naar huis te brengen, waar het ook alweer zwart van de mensen was.

Nadat ik even gerust had in mijn ledikant, kwam ik tot de ontdekking dat de grote teen van mijn linkervoet van de kou had geleden. Ik dompelde hem in een flinke bak ijskoud water. Later bleek dat ik dit goed gedaan had, want hij was werkelijk bevroren. [Deze teen is uiteindelijk wel geamputeerd, jRRT]

Karst Leemburg met zijn teen op sterk water

‘s Avonds was er in de Harmonie prijsuitdeling, waar ik om negen uur aankwam, vergezeld van mijn vrouwen kinderen. Velen zwoegden toen nog door de nacht richting Leeuwarden. Om tien uur werd ik de zaal ingeleid, waar ik ook weer door een warm applaus werd ontvangen.

Ik ontving een groot gouden medaille van de vereniging als eerstaankomende. Een mooie zilveren beker van de heer Mulier. Een groot verguldzilveren medaille van het Leeuwarder Nieuwsblad voor de eerste Leeuwarder die aankwam. Een grote krans van de heer Drijver van bloemenhuis Weer in Leeuwarden. Vervolgens kreeg ik een mooi zilveren schaatsje van mevrouw Van Eekhof uit Den Haag en enige paren schaatsen van de firmma De Ruiter. De heer Bastet uit Amsterdam gaf mij een mooi zakmes. Meneer Bastet zou veel reclame gaan maken met de schaatsen, waarop ik had gewonnen. Van de heer Stelwagen van de broodfabriek ontving ik een groot krentebrood van mijn eigen lengte. Er kwamen ook vele gelukwensen en brieven uit binnen- en buitenland.

Dat het een strenge winter was geeft het volgende wel weer. Men reed met auto’s over de Zuiderzee. Ook werden de Noordzee-eilanden over het ijs bezocht door arrensleden, auto’s, fietsen en wandelaars. Ik reed nog de 18de maart ‘s morgens op schaatsen op 25 centimeter ijs in de schaduw.

K. Leemburg
Lombokstraat 9
Leeuwarden

Advertentie

Bestel bij Bol.com

Jurryt van de Vooren
http://Sportgeschiedenis.nl
Jurryt van de Vooren is sporthistoricus. Auteur van 'Amsterdam 1928' en de Bosatlas van het Nederlandse voetbal. Bezig met boekenserie over Amsterdam en sport. Nog steeds de enige Amsterdammer die is afgestudeerd op Feyenoord.