NieuwSchaatsen

13 februari 1889: schaatswedstrijd vergroot conflict tussen Friesland en de rest

Door Erik van Lakerveld

Op 13 februari 1889 werd er in Amsterdam een bijzondere wedstrijd op de schaats georganiseerd. Geert baron de Salis wilde voor eens en altijd uitmaken wie de beste schaatsers waren: de beroeps of de amateurs. Het werd ruzie.

Kortebaanwedstrijd in 1955

In de jaren 80 van de negentiende eeuw won het langebaanschaatsen aan populariteit. Vanuit de overkoepelende organisatie – de Nederlandsche Schaatsenrijdersbond NSB, later de KNSB – werd het amateurisme gepropageerd.

Tegelijkertijd was het kortebaanschaatsen nog altijd veel populairder en dit werd professioneel beoefend. De krachtsverhoudingen tussen de profs en de amateurs waren echter niet zo duidelijk. Dit kwam omdat ze niet vaak tegen elkaar reden. De beroepsrijders bestreden elkaar over 160 meter in hun eigen wedstrijdcircuit terwijl de amateurs zich op de lange baan toelegden.

Daarnaast was het amateurschaatsers vanaf 1886 officieel niet toegestaan om tegen beroepsrijders in wedstrijden uit te komen. Toch werd die amateurregel in de eerste jaren na 1886 niet strikt nageleefd. De wedstrijd van 9 februari 1889 is daar een goed voorbeeld van.

Tegenstellingen

De wedstrijd die Baron de Salis uitdacht was echter niet alleen een treffen tussen beroepsrijders en liefhebbers. De wedstrijd weerspiegelde veel meer tegenstellingen in de Nederlandse maatschappij van dat moment. Het was ook een wedstrijd tussen Holland en Friesland, tussen onder- en bovenklasse, en tussen stad en platteland.

Over het algemeen waren de professionele kortebaanrijders van eenvoudige komaf en de meesten van hen waren Fries. De langebaanschaatsers waren vooral gegoede burgers uit het westen des lands. Tussen deze groepen heerste sociale spanningen die in deze wedstrijd naar voren kwamen.

Vertegenwoordigers van de amateurs en de professionals zouden over twee afstanden uitmaken wie de beste atleten waren: 160 meter en twee mijl. De Salis had de wedstrijd hierbij zo opgezet dat de amateurs wel aan het langste eind moesten trekken.

Als eerste op het programma stond de lange afstand. Aangezien dit het terrein was van de langebaanschaatsers werd dit redelijk eenvoudig door een amateur gewonnen. Klaas Pander was de snelste met een tijd van 6.49,8. Van de kortebaanschaatsers bleek Benedictus Kingma het best op de lange afstand uit de voeten te kunnen, maar hij was bijna vijftien seconden langzamer dan Pander.

Dat de lange afstand als eerste was werkte in het voordeel van de amateurs. De kortebaanrijders, niet gewend aan zulke afstanden, zouden relatief vermoeider dan de amateurs aan hun favoriete onderdeel kunnen beginnen. Bovendien wachtte de profs nog een aantal knock-outrondes om te bepalen wie de beste was, terwijl bij de amateurs Pander werd aangewezen zonder dat hij zich eerst hoefde te vermoeien met kwalificatieraces. De Haarlemmer Pander zou laten zien of hij Kingma, die ook over 160 meter als beste uit de bus kwam bij de profs, zou kunnen verslaan.

Leugenachtig

Zo ver kwam het echter niet. De kortebaanwedstrijd tussen Kingma en Pander is nooit verreden omdat het gelijk van de langebaanschaatsers al in het knock-outsysteem van de kortebaanrijders was bewezen. De snelste tijd die de Friezen klokten was namelijk 17 seconden, terwijl er altijd beweerd werd dat in Friesland de 160 meter in een kleine 11 seconden werden afgewerkt. Aangezien de “algemeen geldende bewering in Friesland” dat de Friese schaatsers onder de 11 seconden konden rijden was weerlegd, hoefde Pander niet eens meer het ijs te betreden.

Tenminste, zo stelde de Schaatsenrijdersbond het. De amateur was niet alleen sneller gebleken op de lange afstand, maar deze wedstrijd had bovendien laten zien hoe leugenachtig de kortebaanrijders waren. Zij konden immers hun claim op snelle tijden niet waarmaken.

In de Leeuwarder Courant stond de dag erna: “En op de lange, en op de korte baan is dus het bewijs geleverd, dat de Friesche beroepsrijders zich zullen hebben te reppen, willen zij zich door de amateurs niet voorgoed laten overvleugelen.”

De Schaatsenrijdersbond achtte het bewezen dat de amateur in het algemeen eerlijker en atletischer was dan de beroepsrijder. Dat klinkt niet alleen in retrospect als een boude bewering, maar ook toen al leidde de uitkomst en de conclusies die eraan verbonden werden tot hevige discussies. Vooral in de Leeuwarder Courant ontspon zich een levendig debat over de wedstrijd waarin niet alleen lezers van de krant, maar ook direct betrokkenen zich lieten horen.

Zo had De Salis met zijn wedstrijd niet de strijd voor eens en altijd beslist, maar juist pijnlijk duidelijk gemaakt hoezeer de professionals tegenover de amateurs stonden. Hoezeer ook de Friezen en Hollanders op een andere golflengte zaten en hoe doortrokken de maatschappij op dat moment nog was van klassenbewustzijn en standsverschil.

Waardeer dit artikel!

Dit artikel las je gratis. Vond je het de moeite waard? Dan kun je je waardering laten blijken door een kleine bijdrage te doen
Mijn gekozen waardering € -