NieuwSchaatsen

21 december 1890: Pim Mulier schaatst de Elfstedentocht

Pim Mulier legde in 1909 de basis van de Elfstedentocht. Op 21 december 1890 had hij die tocht zelf gereden, op eigen initiatief. Daarover schreef hij een klassiek verhaal.

Alle tekeningen zijn van Pim Mulier zelf 

Op 2 januari 1909 was de eerste georganiseerde Elfstedentocht, maar dat wil niet zeggen dat de Friezen hiervoor nog nooit hadden gehoord van dit fenomeen. Ze reden die alleen op eigen initiatief. Zo ook Pim Mulier op 21 december 1890, waarover hij uitgebreid schreef in zijn boek Wintersport uit 1893.

De Elfstedentocht van 1909 werd na een brief van Mulier georganiseerd, waarmee hij aan de basis staat van dit evenement. Daarom hier zijn complete verhaal – originele tekst hier.

Bezoek aan de elf steden van Friesland.

Reeds uit deze benaming kan men zien, dat het alweder een van die aardige, oude gebruiken is, die gelukkigerwijze nog niet zijn vervallen. De elf steden van Friesland toch zijn de navolgende plaatsen: Leeuwarden, Dokkum, Franeker, Harlingen, Workum, Bolsward, Stavoren, Sneek, IJlst, Sloten en Hindeloopen. Sinds jaren wordt die tocht door verschillende goede rijders en rijdsters ondernomen en dat er een massa goede schaatsen over de Friesche wateren glijden, kan blijken uit het feit dat in het jaar ’90 meer dan 500 menschen den tocht hebben gemaakt. De meeste dier gezelschappen bestaan uit 4 of 5 personen. Somwijlen waren het drie vrouwen en één man, die 15 of 16 uur schaatsen reden, soms was het een zoon, die met zijn vader, een goeden vijftiger, over de bevroren wateren en meren, den tocht deed en meer dan 151⁄2 uur op de schaatsen stond. Dan waren het een 4-tal broers, die een jongeren spruit van nog geen 14 jaar mede op sleeptouw namen.

De afstand bedraagt ca 185 K.M. en wordt gewoonlijk binnen de 15 uur, doch meestal in 151⁄2 uur afgelegd. Zoo reden op 28 December 1890 Siek Dijkstra, Alle Dijkstra, Hendrik Schurer, Hotze Schurer en Jacob Jacobs van der Veer ‘s morgens te 4 uur van Koudum, te 5.15 waren zij te Sloten, te 6.20 te IJlst, te 6.45 te Sneek, te 8.55 te Leeuwarden, te 10.45 te Dokkum, te 1.30 te Franeker, te Harlingen te 2.20, te Bolsward te 4.20, te Workum te 5.5, te Hindeloopen te 8.50 en te Stavoren te 6.50.

Nu is mij door Leeuwarder Heeren, zooals de Heer Mr. J. Hofstede en R. Bloembergen verteld, dat men de tocht eigenlijk uit en thuis moet doen, zoodat deze rijders nog weer van Stavoren naar Koudum hadden moeten rijden. Is dit niet het geval, dan zou men te Dokkum beginnende, (de plaats die het verst van een andere verwijderd is), slechts eenmaal Leeuwarden behoeven aan te doen en dan Westwaartsom tot Sneek rijdende, den afstand Leeuwarden – Dokkum en Sneek – Leeuwarden uitsparen. De bovengenoemde rijders gebruikten echter voor deze tocht 14.50 of ca 15 uur.

De Heeren Brouwer en gezelschap hebben de tocht binnen de 14 uur gedaan doch waren toen ook weder te Leeuwarden zooals het schijnt te behooren. De Heer S. Brouwer is steeds een der medestrijders in de studentenwedstrijden en een goede schaats. Drie jongelieden van Rauwerd, Hobbe Beerdt van Slooten en de Gebr. Sipke en Age Gerlofs Bottema deden op 27 Dec. 1890 eveneens een tocht binnen de 141⁄2 uur. Drie jongelieden van Drogeham, Jan Atsma, Gerber de Vries en Ate Zijlstra deden de elf steden van ‘s morgens 4 uur tot 9.30 ‘s avonds, derhalve in 171⁄2 uur. D.K. Meintena en M. Looijinga vertrokken te 5.30 van Mantgum en waren aldaar te 8.30 weer terug. Zij hadden er dus 15 uur over gereden.

De lust om dozen tocht eens te ondernemen en vooral om den tijd te verbeteren, had mij reeds lang geplaagd en op 20 December vroegtijdig in hotel Weidema te kooi gaande, werd ik den volgenden morgen te 6 uur door den kellner gewekt; liet mij rug en beenen stevig met arnica inwrijven, stak mij in tricot en bijbehooren, en deed, om niet te veel opzien te verwekken over mijn trui een vest aan. Met een dikke wollen muts op kreeg ik iets van het gesoigneerde, dat den Frieschen schipper eigen is.

Een stuk chocolade, een horloge, een paar zakdoeken, eenige guldens, een mes, touwtje, riemen en één schaats op den rug voor het breken en precies 7 uur stond ik op het smalle grachtje voor het hotel. Daarna links om en de Singels op, naar de Ee toe, doch ik raakte verzeild op een soort sloot, die naar de ijsbaan voerde. Een bakkersjongen hielp mij weer terecht en ik reed de Ee op. In ‘t eerst was ‘t ijs verlicht door de stadslantaarns, doch daarna werd het zeer donker, het ijs was ellendig. Het was een oud, tot hobbels en kuilen gereden baantje, waar men geen streek op doen kon. Toch kwam ik er goed af. Ik had, om het welslagen van den tocht niet van een val te kunnen doen afhangen, een paar zakdoeken op mijne knieën gebonden en dikke handschoenen aan. Hierdoor liepen de twee tuimelingen, die ik deed, goed af. Het was vinnig koud en ik kon mij, daar ik onmogelijk harder durfde gaan, niet warm rijden.

Halverwege Dokkum buigt de Ee rechts om, maar toen hield ook tevens de baan op en moest ik ca 500 M. door de sneeuw loopen. Daarna weer een eind zeer goed ijs, en toen weder ca 1000 M. door de sneeuw, die zoowat een hand hoog lag. Daarna zag ik het tweede levende wezen, een baanveger. Dit gaf moed en ik zette nu zoo hard mogelijk door naar Dokkum. Het was intusschen licht geworden, doch nog zeer koud. ‘Het staat te luisteren,’ zeggen de boeren in Noord-Holland. ‘’t Morgen gaapte’, zeggen de Zuid-Hollanders.

Ja, het was zoo, stralend kwam de zon boven den nevel uit en toen ik te Dokkum kwam was het over half negen.

Ja, het was zoo, stralend kwam de zon boven den nevel uit en toen ik te Dokkum kwam was het over half negen. Fluks een ophaalbrug onder door en op schaatsen een herberg binnen, waar een oud moeke een jongetje dat op een stoel stond, aankleedde. ‘Heere da’s aardig, da hewwe in lang niet had’, zei ze en krabbelde op mijn papiertje haar naam en den tijd, dien ze van uit haar venster op de toren kon zien. Daarna ging ik onmiddellijk weer op Leeuwarden aan, hetwelk ik nu te 9 uur 45 min. dus in ca 5 kwartier bereikte. De sneeuw was hier en daar reeds in banen veranderd, (want er waren nog een 4tal baanvegers bijgekomen) en na mij in draf naar het huis van den heer Hofstede gespoed te hebben, gingen we gezamenlijk te 10 uur 20 min. van Leeuwarden en waren te 10 uur 50 min. te Franeker en onmiddellijk doorrijdende te 11 uur 20 min. te Harlingen. De heer Hofstede is een taai, gespierd rijder, doch verschilde iets in lengte van streek met mij, hetgeen nog al vermoeide. Na hem voor zijn vriendelijke hulp zeer bedankt te hebben, reed ik naar Bolsward, alwaar ik te 12 uur 35 min. aankwam. Dit eind heb ik flink doorgereden, om in Bolsward te kunnen rusten.

Door een misverstand was de gids, dien ik daar zou krijgen nog niet gearriveerd, doch moest gehaald worden. Eerst te 1.15 kon ik weder vertrekken met mijn gids, een bakker aldaar en een vrij goed rijder; hij kreeg echter na 5 min. een gebrek aan een zijner schaatsen en reed terug om andere te halen. Eindelijk gingen we op weg, waarbij hij het al spoedig enorm warm kreeg. Toch reed hij flink en waren we te 1.45 te Workum (dus in 1⁄2 uur). Was de pas te Bolsward door mijn neef J. Haitsma Mulier geteekend, te Workum was het J. Sensma, herbergier in de Zwaan, die mij quiteerde.

Daarna hadden wij een moeielijken weg naar Stavoren, daar die dikwerf ondergesneeuwd was.

Nu met volle stoom naar Hindeloopen, waar wij, om de vaart waarmede we binnen de gemeentebaan stoven, veel bekijks hadden. Bij de bejaarde weduwe Boer in de Wijnberg, wier gracieuse handteekening nog steeds in m’n bezit is, werd ik weder te 2 uur geexpedieerd, nadat Tuininga en ik ons aan geklopte eieren hadden te goed gedaan. Daarna hadden wij een moeielijken weg naar Stavoren, daar die dikwerf ondergesneeuwd was. Te 2.50 kwamen we daar aan en stapten het station binnen, waar we weer wat aten, daar wij beiden zeer hongerig waren en waar de stationchef mij controleerde.

Na bouillion en een paar eieren met broodjes in een minimum van tijd te hebben verorberd, togen we te 3.10 weer op weg. Tuininga begon nu een beetje moei te worden, zoodat ik van tijd tot tijd vóór reed, doch niet zoo hard als ‘t kon. Mijn trouwe gids bracht me nu over de meeren en over ondergeloopen velden via Balk op weg naar Sloten. Welk een prachtig gezicht. Pas hadden we de bosschen van Gaasterland, die aan een Geldersche natuur doen denken, achter den rug of we kwamen op de groote meren.

De zon ging bloedrood onder en statig bescheen de maan het onafzienbare ijsveld. Midden in het meer waren een paar enorme scheuren, ca 1⁄2 meter breed, en zoo lang men zien kon. Dit komt van de temperatuur veranderingen, die het ijs doen af- of toenemen in volume en het bij felle vorst opdringt, zoodat de stukken er met een knal uitspatten. Men noemt het daar ‘het kisten’. Het was een prachtig gezicht. Er waren echter bruggemannen bij, die met een lantaren de plaatsen aanduidden, waar die scheuren zich bevonden.

Daar mo we op an, mar jou motte net so duvelse hurd ride.

In de verte zagen wij flauw een paar lichten en een groep boomen bij twee kolossale ophaalbruggen. ‘Daar mo we op an, mar jou motte net so duvelse hurd ride’ zei Tuininga. Eindelijk waren we de meren en ondergeloopen landen over en kwamen we te 4 uur 45 min. te Sloten, waar mijn geachte neef Haersma de With mijn paspoort afteekende, met de in de gegeven omstandigheden lastige vraag: ‘Blijf je eten?’ Doch voort gingen we weer, nu op IJlst aan, waar we te 5.50 aankwamen. Hier zeide ik mijn trouwen gids vaarwel, en na hem betaald en een flinken handdruk gegeven te hebben was ik te 6 uur precies aan de stadsherberg te IJlst gecontroleerd door J.S. Heslinga en was te 6.15 te Sneek; ik had een prachtige baan voor mij en reed zoo hard ik kon; van tijd tot tijd een beetje uitgejouwd door boeren, die ik voorbijreed, doch dat maakt den mensch kwaadaardig en des te harder gaat het.

Te Sneek werd ik door G.S. Bokma geviseerd en was te 6.25 van de strooplank en op de baan. Intusschen was de maan achter wolken weggescholen en hoewel ik zoo hard mogelijk reed, moest ik toch opletten niet te vallen. Te ca kwart voor 8en kreeg ik de lichten van Leeuwarden in het gezicht en gooide de armen van de rug, – en deze lustig zwaaiende kwam ik te 7.55 aan het einde van den gracht. Te 8 uur in ‘t hôtel Weidema werd het zeer vies geworden papiertje door den oberkellner geviseerd, (die me eerst te 91⁄2 uur verwacht had) zooals hij zeide, en was de geheele rit volbracht in 12 uur 55 minuten. Zelden heb ik zoo’n prettigen dag gehad.

Zelden heb ik zoo’n prettigen dag gehad.

Advertentie

Reserveer bij bol.com

Jurryt van de Vooren
http://Sportgeschiedenis.nl
Jurryt van de Vooren is sporthistoricus. Auteur van 'Amsterdam 1928' en de Bosatlas van het Nederlandse voetbal. Bezig met boekenserie over Amsterdam en sport. Nog steeds de enige Amsterdammer die is afgestudeerd op Feyenoord.