Home > Schaatsen > De Brusselaars van Martina Sablikova en het oudste ooggetuigenverslag van een schaatswedstrijd
Schaatsen

De Brusselaars van Martina Sablikova en het oudste ooggetuigenverslag van een schaatswedstrijd

Google eens op “afbeeldingen” het Tsjechische woord “rychlobrusleni” en er verschijnen tientallen foto’s van de nationale schaatsheld Martina Sablikova. Dat is niet zo gek, want “rychlobrusleni” is Tsjechisch voor hardrijden op de schaats: “rychlo” = snel, “brusleni” = schaatsen. Wie etymologisch wat verder gaat zoeken komt tot een merkwaardige ontdekking. “Brusleni” is direct afgeleid van Brussel. De schaatsen van Martina heten dus eigenlijk “Brusselaars”. Hoe is dat mogelijk?

Wie verre reizen maakt, kan veel verhalen. Dat gold zeker voor baron Lev Rozmital, die in 1465 door zijn Boheemse koning Jiri Podebrad op een rondreis langs Europese hoofdsteden werd gestuurd om steun te vragen voor een conflict tussen de koning en de paus, als gevolg van de Hussitische oorlogen. Podebrad streefde naar een pan-Europees vredesverdrag, een soort oer-Europees verbond waarin religieuze tolerantie een belangrijke rol moest spelen. Om die eenheid te bereiken zond Podebrad Rozmital als diplomaat langs de voornaamste Europese hoven in Oostenrijk, Duitsland, Frankrijk, Engeland, Spanje, Portugal, Italië en –inderdaad- de Nederlanden. Althans, het hof van hertog Filips de Goede in Brussel, want daar zetelde destijds de Bourgondische landsheer van een groot deel van de Nederlanden.

Voor de schaatsgeschiedenis was het een bijzonder toeval dat zijn bezoek plaatsvond tijdens een stevige vorstperiode in januari 1466, én dat Rozmital in de persoon van schildknaap Vaclav Sasek een nauwgezet verslaggever had meegenomen. Want dankzij het in het Latijn overgeleverde verslag -het originele Tsjechische reisverslag ging verloren, beschikken we nu over het oudste ooggetuigenverslag van een schaatswedstrijd waar ook ter wereld. Op de vrije zondag 11 januari 1466 nodigde Filips zijn gasten uit om op de hofvijvers een schaatswedstrijd bij te wonen. Sasek schreef daarover:

Er is hier een park, met een meer naast het kasteel en dat meer was helemaal bevroren. De hertog gelastte een aantal hovelingen naar het park te gaan en een wedstrijd te rijden op het bevroren meer. Ze -er waren er achtentwintig- streden met zo’n snelheid dat ik kan verklaren dat ik zoiets nog nooit gezien of gehoord heb. Eén in het bijzonder was zo bekwaam, dat hij in z’n eentje de aanval van tweeëntwintig anderen kon weerstaan. Zo groot was hun snelheid in rijden en draaien, dat zelfs geen paard het had kunnen bijhouden. Ik was benieuwd om te zien wat ze nou aan hun voeten hadden waardoor ze zich zo vlug over het ijs konden bewegen. Dat had gemakkelijk gekund, maar ik kon mijn heer niet alleen laten terwijl hij met hertog Filips zat te kijken.

En zo voltrok zich het wonder van de schaatsende mens die in een onderlinge strijd zijn krachten meet voor de ogen van het verbaasde Tsjechische gezelschap. Wat er verder is gebeurd, ontsluiert de etymologie: het feit dat schaatsen in het Tsjechisch de naam “brusle” dragen (te vertalen als “Brusselaars”), toont aan dat het bezoek aan de schaatswedstrijd in 1466 door baron Rozmital en schildknaap Sasek de introductie van de schaats in het toenmalige koninkrijk Bohemen tot gevolg heeft gehad.

Aan het succes van de introductie van de “brusselaar” in Praag heeft zonder twijfel de ideale schaats-infrastructuur van de stad bijgedragen. De Moldau (“Vltava” op z’n Tsjechisch) is breed en meandert traag door de stad. Anders dan bijvoorbeeld de Donau bevriest de rivier al snel bij invallende vorst en tovert zich om in een perfecte ijsbaan.

Het nationale museum in Praag bewaart een aantal oude schaatsen, waarvan de oudste (de bovenste) erg lijkt op de schaatsen zoals die al in de 13e eeuw uit ons land bekend zijn. Ook de exemplaren uit latere eeuwen lijken parallel te lopen met de ontwikkeling van de schaats in onze contreien. Een afbeelding van schaatsende kinderen verschijnt al in 1658 in de encyclopedie “Orbis Pictus” van de bekende schrijver/pedagoog Comenius.

Orbis Pictus

In de 19e eeuw spiegelt Praag, dat als hoofdstad van Bohemen deel uitmaakt van het Habsburgse Rijk, zich in alles aan Wenen. Als in 1868 de Amerikaanse “vader van het kunstrijden” Jackson Haines in Wenen demonstraties komt geven, raakt de elite geheel in de ban van het schaatsen. De koorts slaat over naar Praag, zeker als Haines in 1871 naar de stad komt en zijn volstrekt nieuwe en artistieke manier van schaatsen voor een uitzinnig publiek op de Moldau demonstreert.

Jackson Haines op de Moldau.

Er komen ijsclubs, er worden ijsbanen aangelegd en onderhouden, er worden wedstrijden gehouden en schaatsenmakers gaan aan de slag om aan de toenemende vraag te voldoen.  In 1887 verschijnt onder de titel “Nauka brusleni” (‘de wetenschap van het schaatsen”) van de hand van Augustin Krejci zelfs een handboek voor het schaatsen.  Twee jaar later richt Josef Rössler-Orovsky, die als een Tsjechische evenknie van onze Pim Mulier tal van sporten in Praag organiseert, de “Bruslarsky Zavodni Klub” op, de Praagse ijsclub die decennialang leidinggevend zou zijn in het nationale schaatsen.

Josef Rössler-Orovsky

Ook importeerde Rössler-Orovsky (dat “Orovsky” had hij aan zijn naam toegevoegd om als Duitstalige Boheem ook de Tsjechisch sprekenden aan zich te binden) een paar echte Noorse schaatsen, en werd daarmee de eerste Tsjechische hardrijder. Na een reis naar Parijs, waar hij een internationale wedstrijd won, introduceerde hij in eigen land bandy, de destijds ook in ons land gespeelde oer-variant van ijshockey.

Vrouwen spelen bandy in Poprad, ca. 1900 (Archief Poprad).

Tsjechen hebben zijn ook zelf vooraanstaande schaatsenmakers geweest. Onder de schaatsenmakers en –verkopers kom je bekende namen uit de Tsjechische schaatssport tegen. Zo verkochten de broers Jaromir en Bohuslav Potucek, beiden vermaarde hardrijders aan het einde van 19e eeuw, in 1899 al echte noren: het bewijs dat het hardrijden op de schaats toen in Tsjechië al een serieuze wedstrijdsport was.

Bohumil-Potucek-Svetozor

Ook na de onafhankelijkheid van Tsjechoslowakije in 1918 bleef het hardrijden een populaire wintersport. In 1922 werd op het Jordan-meer bij Tabor het eerste officiële nationale kampioenschap verreden. Ook op diverse ijsbanen op de Moldau werden kampioenschappen en zelfs internationale wedstrijden georganiseerd.

IJsbaan op Jordan-meer bij Tabor (1922).

In 1949 won de Hongaar Kornel Pajor op de Moldau een stedenwedstrijd tussen Praag, Wenen en Boedapest. Zes weken later versloeg de Hongaar in Oslo alle Noorse toppers en zelfs onze eigen Kees Broekman en werd zo de eerste Oost-Europese wereldkampioen hardrijden op de schaats.

Hardrijders op de Moldau-bij-Praag 1949.

In 1931 kreeg Praag een kunstijsbaan. Hardrijden kon je op die baan van 60 bij 40 meter nauwelijks, maar kunstrijden en ijshockey des te beter. Waarom uitgerekend ijshockey in Tsjechoslowakije zo populair werd, blijft een groot raadsel, maar de sport is sindsdien voor de Tsjechen wintersport nummer één gebleven, met als absoluut hoogtepunt de Olympische titel van 1998, na spectaculaire overwinningen op Canada en Rusland. Ook het kunstrijden beleefde hoogtijdagen, met als grootste succes de Olympische titel van Ondrej Nepala in 1972.

Het hardrijden leefde in de jaren vijftig nog even op, toen in het hooggelegen stadje Svratka een voor die tijd unieke natuurijsbaan werd aangelegd (de kranten spraken zelfs van “het Tsjechische Alma Ata”), die een aantal goede hardrijders voortbracht. Maar een echt hardrijdersland werd Tsjechoslowakije nooit. De sport dreigde bij gebrek aan kunstijsbanen zelfs uit te sterven, totdat uit het niets Martina Sablikova opstond en de schaatswereld versteld deed staan met wereld- en Olympische titels. Dat zij dat deed op “brusselaars,” geven haar prestaties een bijzonder historisch tintje.

Tsjechische schaatsers op de Moldau bij het Zvikov kasteel. Foto: Ludvík Hradilek 2010.

En de Moldau, wordt daar nog steeds op geschaatst? Nou en of! (11) Of het door de “brusselaars” gekomen is of niet, feit is dat de Tsjechen altijd fervente natuurijsschaatsers zijn gebleven. Naast Nederland en Zweden is Tsjechië feitelijk het enige Europese land met een echte natuurijscultuur. In 2005 verscheen nog een gids met maar liefst 56 tochten die op Tsjechische meren en rivieren gehouden kunnen worden. Bekendste schaatslocatie is tegenwoordig het stuwmeer bij Lipno. Dat uitgerekend Nederlanders daar nu een ijsclub hebben opgericht om in het land van de nakomelingen van Lev Rozmital en Vaclav Sasek marathons op natuurijs te organiseren, maakt de Tsjechisch-Nederlandse schaatsgeschiedenis na meer dan vijf eeuwen helemaal rond.

Dit artikel verscheen eerder in “Kouwe Drukte.”

Marnix Koolhaas
Marnix Koolhaas werkt sinds 1986 voor de VPRO, o.a. als presentator/eindredacteur van het programma OVT, Andere Tijden en Andere Tijden Sport. Daarnaast publiceert hij regelmatig over de Nederlandse schaatsgeschiedenis. Zo verscheen in van zijn hand "Schaatsenrijden - een cultuurgeschiedenis". Op dit moment werkt hij aan een geschiedschrijving van het langebaanschaatsen.