NieuwSchaatsen

Coen de Koning en het EK schaatsen van 1904

Coen de Koning is de enige schaatser die zowel een wereldtitel won als de Elfstedentocht. In 1904 deed hij mee aan het EK allround, waarover hij een dagboekverhaal schreef. Nu ook op Sportgeschiedenis.

Schaatser Coen de Koning schreef over zijn leven een uitgebreid verhaal, dat in 2005 door Coen Rams op papier werd gezet. Rams is kleinzoon van de voormalige schaatser. Hierin staan ook de herinneringen van De Koning aan het EK schaatsen van 1904.

Het gehele levensverhaal van De Koning staat hieronder. Het deel over het EK staat op deze pagina.

Dagboek Coen de Koning over het EK van 1904

Het Europees kampioenschap werd in Davos gehouden en wel op 18 en 19 januari 1904. Zoals altijd was ik weer het eerste op de baan en het was op 10 januari 1904 toen ik in de training ben gevallen. Er zat een windblaasje in het ijs dat ik niet had opgemerkt. Ik kwam met mijn knie tegen een stuk hout dat op de baan was vastgemaakt met een paar spijkers. Ik bleef liggen en de baanvegers kwamen toegelopen.

Ik wilde mij overeind zetten, doch dat ging niet. Ik kon niet staan. Mijn knie was inwendig gekneusd. Zij hebben mij toen opgenomen en naar de box gebracht en direct een dokter opgebeld. Daarna moest ik op een slee vervoerd worden naar mijn hotel en daar hebben ze mij op mijn bed gelegd. De dokter deelde mij mee dat ik een paar weken rust moest nemen. Dus, weg wedstrijd, waar ik zo op gevlast had. Ik was in een prima conditie en weet zeker dat ik een beter figuur geslagen zou hebben dan de vorige winter in Davos.

Het nieuws was spoedig door Davos gegaan en Jonkheer Coehoorn van Sminia, dit jaar ook weer met zijn echtgenote in Davos, kwam mij ‘s middags al opzoeken. Het gebeurde elke dag dat ik van hem bezoek mocht ontvangen. Zes dagen voor de wedstrijd kwam de Jonkheer mij weer bezoeken en vertelde mij dat Greve uit Amsterdam in Davos was aangekomen om deel te nemen aan de wedstrijd. Hij voegde eraan toe dat hij gezegd had dat ik wist dat hij zou komen en dat ik mij daarom had laten vallen.

Nu kwam ik in opstand en verzocht hem voor mij direct een dokter en een masseur te laten komen. “Ik doe mee, wat er ook van komt.“ Hij raadde mij aan zulke domme dingen niet te doen, maar natuurlijk luisterde ik niet. Ik bleef erbij. Ik wilde en zou rijden. Een uur later kwam de dokter en een Noorse masseur. Deze bekeken mijn knie en schudden hun hoofd. Het ging niet. Maar ik was koppig en zei tegen hen: “En toch rij ik.”

De dokter voorspelde mij dat ik niets zou klaarmaken en dat het kon gebeuren dat dan mijn been moest worden afgezet. Ook dat hielp niet. “Ik zal rijden, dan mijn been er maar af.” De vrijdag vóór de wedstrijd vroeg ik aan Bouma of hij mij niet wilde helpen om naar de baan te gaan en na lang aanhouden, bracht hij mij op een slee naar de baan.

Daar aangekomen, vroeg ik aan Bouma of hij mijn schaatsen wilde onderdoen, omdat ik dat zelf niet kon. Met de hulp van de masseur en Bouma werd ik op het ijs gezet. Ik wilde direct gaan rijden, maar dat ging niet, want ik had een stevig verband om mijn knie. Wat nu? “Zie je nu wel Coen dat het niet gaat.” Maar ik hield vol dat ik moest rijden, hoe dan ook. Een van de aanwezigen stelde voor om het met een licht verband te proberen met daarover een elastieken kniekous. De masseur trok een bedenkelijk gezicht, maar gaf toch uiteindelijk toe dat we dat eens konden proberen. Een van de aanwezige Hollanders ging een kniekous halen, terwijl de masseur het stijve windsel van mijn knie deed en daarna een dunne windsel daarvoor in de plaats bracht. Toen de kniekous daaroverheen en het nogmaals geprobeerd. Hoewel ik veel pijn had, wat ik niet liet merken, ging het toch beter en ik huppelde over de baan. Ook de Hollandse dokter kwam eens kijken en schudde steeds met zijn hoofd en zei steeds: “Het is onverantwoord.” Maar ik deed net of ik het niet zag en het niet hoorde.

Na een kwartier beduidde ik dat ik wel eens wilde rusten en ik werd van het ijs gehaald naar de box. De masseur ontdeed mij van de kniekous en het windsel en bekeek mijn knie, maar gelukkig voor mij was deze niet verder opgezwollen. Hij heeft deze toen opnieuw verbonden, waarna de dokter en de masseur van de baan gingen. “Gelukkig,” dacht ik. “Die zijn weg.” Ik heb op de ijsbaan de lunch gebruikt, omdat ik de klimpartij naar mijn hotel niet riskeerde en anderen niet lastig wilde vallen.

Ik heb die dag veel gereden. Zo goed en zo kwaad als ik kon en hoewel ik veel pijn heb geleden, ging het naar omstandigheden goed. De directeur van de ijsbaan kwam mij ook even op de baan bezoeken en vroeg mij: “De Koning, rij je morgen mee?” Waarop ik antwoordde: “Ja, ik rij morgen zeker en vast mee.” Om half vier ging ik van de baan en ondersteund door Bouma en nog een Hollander, kwam ik behouden in het hotel aan. Ik heb die avond veel bezoek gehad van mijn Hollandse kennissen. Ook de masseur kwam nog eens kijken hoe het met mijn knie was gesteld. Hij kon geen achteruitgang bespeuren, deelde hij mij mee, maar het zou toch veel beter zijn als ik niet aan de wedstrijd zou deelnemen.

Eindelijk was het zaterdagmorgen en nu moest het gebeuren. Hoe zou ik het ervan afbrengen? En hoe zou Jan Greve erover denken dat ik toch nog ging rijden? Na de gebruikelijke biefstuk ging ik met de andere rijders naar de baan, maar nog altijd met ondersteuning van Bouma en een andere rijder. Toen we in de box kwamen, was Greve al present, doch het weerzien was nu niet wat je noemt aardig. Nee, verre van dat. Er heerste dan ook een gedrukte stemming.

Wij kregen een lijst met de deelnemers en daarop stond vermeld hoe wij hadden geloot. Dus gauw kijken tegen wie ik moest rijden op de 500 meter. Wat zag ik daar? De Koning en Greve moesten samen rijden. Ik had mijn wens. Ik had steeds gehoopt om met Greve de 500 meter te mogen rijden. Ik bond die morgen zelf mijn schaatsen onder en ging nu alleen naar het ijs en trachtte onder hevige pijnen mijn knie zo diep mogelijk te buigen. De masseur had het windsel nog verder verdund en daarover weer de kniekous aangebracht. Hoewel ik nog pijn had, ging het volgens mij best. Winnen zou ik nu wel niet, maar ik zou laten zien dat ik voor Greve niet bang was en dat ik mij nooit bang liet maken.

Nadat enkele paren hadden gereden, werden Greve en ik aan de start geroepen. En daar gingen we. Nu zou het dan gebeuren en de bezoekers wachtten vol spanning af. Vooral de aanwezige Hollanders. Toen we op de startplaats waren aangekomen en beiden bijna gereed waren om te starten, zag ik dat Greve erg nerveus deed. Ik zei hem dat hij niet bang voor mij hoefde te zijn. Stelde hem gerust. Hij hoefde niet zenuwachtig te zijn, omdat hij nu een invalide als concurrent had. Toen klonk het sein van vertrek. Greve was direct enige meters voor, maar ondanks de pijn zette ik moedig door. Ik zag dat ik op hem inliep en de aanmoedigingen van de Hollanders waren niet van de lucht. Zij schreeuwden en riepen maar steeds: “Vooruit Coen, vooruit Coen.“ Bij het uitgaan van de laatste bocht was ik Greve vier of vijf meter vóór en toen ik de finish bereikte, was ik nog anderhalve meter vóór. Alle Hollanders stonden klaar om mij op te vangen en droegen mij naar de box, waar de masseur mij reeds opwachtte. Dhr. Greve vond het beter direct naar een dokter te gaan op de ijsbaan en vroeg deze hem te willen onderzoeken. Dit onderzoek vond plaats in de box. Na hem onderzocht te hebben, kreeg Greve van de dokter ten antwoord: “Voor deze ziekte van u is geen kruid gewassen.” Het was de gewoonte dat de Davoser IJsclub aan alle deelnemers en officials een lunch aanbood, zodat wij allen naar het paviljoen gingen. Maar hoe ik ook keek, Greve was hier niet aanwezig. Hij was naar zijn hotel gegaan.

De uitslag was op de 500 meter Gundersen eerste, De Koning tweede, Bouma derde.

Gelukkig was mijn knie niet noemenswaardig opgezwollen en, hoewel zeer pijnlijk, kon ik mijn knie nu weer aardig buigen. Na de lunch moesten we de 5000 meter rijden en toen de naam van Greve werd afgeroepen om aan de start te komen, was hij nergens te vinden en moest zijn partner alleen vertrekken.
We waren erg verwonderd. Wij dachten werkelijk dat hij ziek was. Jammer voor de kerel, want dat gunde ik hem toch niet. Hoewel ik veel pijn had, heb ik de 5000 meter gereden. Het resultaat was dat Gundersen eerste was, De Koning tweede en Bouma derde.

Direct na afloop ben ik door de masseur verbonden. Daarna ging ik met de andere hardrijders naar het hotel, nog altijd ondersteund. Daar ging ik op de divan liggen tot het diner klaar was. Daarna naar bed en rusten. Slapen heb ik maar weinig gedaan. Ik denk dat de zenuwen mij wat parten hebben gespeeld. Na deze lange, lange nacht kwam eindelijk de zondagmorgen. Ik was al vroeg uit bed, liep de kamer maar op en neer om mijn knie buigzaam te houden. En was al voor de anderen in de ontbijtzaal. Daar heb ik weer mijn bekende rantsoen besteld en ben toen naar de zaal gegaan, waar ik wat ansichtkaarten heb geschreven. Eindelijk kwamen de andere concurrenten naar beneden en dat was maar gelukkig ook, want als je in zo’n toestand bent, dan wil je toch wel eens aanspraak hebben. Dat is beter dan al dat piekeren als je alleen bent. En toen naar de baan, nog altijd ondersteund door mijn concurrenten. In de box aangekomen, was Greve nog niet aanwezig. Wij dachten dat hij nog ziek was. Even later verscheen hij echter en hij deelde ons mee dat hij nu eens zou laten zien dat hij rijden kon. Hij was nu geheel opgeknapt.

We moesten eerst de 1500 meter rijden en daar we telkens voor elke afstand moesten loten, moest ik weer met Greve deze afstand rijden. Ook deze afstand verloor Greve van mij. De uitslag was: Gundersen eerste, De Koning tweede en Bouma derde.
Weer naar het paviljoen voor de lunch, maar evenals de vorige dag was Greve daar niet aanwezig. Dit bevreemdde ons erg, want wat was er nu weer met Greve. ‘s Avonds bij de prijsuitdeling werd ons verteld dat Greve in de middag was afgereisd naar Holland.

Na de lunch werd begonnen met de 10.000 meter. Nu had ik Gundersen als partner. Toen we gestart waren en enige banen hadden afgelegd, was het verschil tussen ons niet bijster groot en gaandeweg liepen we gelijk. We moesten nog 5 banen rijden en ik had zelfs een kleine voorsprong. Doordat ik deze wenste te vergroten, zwikte ik in een bocht met het gevolg dat ik zoveel pijn kreeg dat ik mijn vaart moest verminderen. Het gevolg was dat Gundersen als eerste over de eindstreep ging met 20 meter voorsprong.
Hinkend ging ik naar de box en de masseur was direct bij mij om mij te verbinden, want masseren kon en mocht hij niet van de dokter. Tjonge, jonge, wat heb ik een pijn geleden in al die wedstrijden, maar toen ik zwikte, was het bijna niet uit te houden. Nadat het nieuwe verband aangelegd was, is de pijn wat minder geworden.

Maar ik kon tevreden zijn. Ten eerste had ik Greve een goede les gegeven en ten tweede was ik na Gundersen de beste man. Ik had graag aan Bouma de eer gegund. Zo zelfs, dat ik hem op de 10.000 meter geregeld heb aangemoedigd, zittend op een stoel. Want ik dacht, als er maar een Nederlander wint. Ik was er niet toe in staat, dan moest Bouma geholpen worden. Maar helaas, Bouma was niet gevoelig voor aansporingen. Je zag hem nu nooit eens even opflikkeren. Hij reed zijn ronden systematisch af. De uitslag van de 10.000 meter was Gundersen eerste, De Koning tweede en Bouma derde. Gundersen was Europees kampioen en ik werd tweede in dat kampioenschap, won nog een ereprijs van 300 frank en Bouma was derde in het algemeen klassement.

Advertentie

Reserveer bij bol.com

Jurryt van de Vooren
http://Sportgeschiedenis.nl
Jurryt van de Vooren is sporthistoricus. Auteur van 'Amsterdam 1928' en de Bosatlas van het Nederlandse voetbal. Bezig met boekenserie over Amsterdam en sport. Nog steeds de enige Amsterdammer die is afgestudeerd op Feyenoord.