NieuwSchaatsen

Coen de Koning won het WK Allround Schaatsen van 1905

Coen de Koning won het WK allround van 1905 – de laatste Nederlander tot Henk van der Grift in 1961. Hij schreef hierover in zijn dagboek.

Op woensdag 18 januari 1905 kreeg ik ‘s avonds een telegram van de KNSB dat ik direct naar Groningen moest afreizen, daar in Groningen op 21 en 22 januari 1905 het wereldkampioenschap zou worden verreden. Donderdag 19 januari ging ik de lange reis van Davos naar Groningen ondernemen. Deze reis werd door mij in 30 uur afgelegd. Ik heb de nacht in dezelfde coupé doorgebracht en niet in de slaapwagen, omdat er voor mij geen plaats was.

Ik gaf mijzelf maar weinig hoop meer om wereldkampioen te worden.

Vrijdagsavonds kwam ik om half zeven in Groningen aan. Na mij wat verfrist te hebben, heb ik nog wat gegeten en ik lag om acht uur in mijn bed. De treinreis en de zenuwen beroofden mij van een rustige slaap. Om kwart voor negen werd op mijn deur gebonsd. Wie was het die mijn rust verstoorde? Wel, Albert van Wely uit Dedemsvaart. Hij zei mij dat ik direct naar beneden moest komen, dan vlug ontbijten en dan naar de baan. Want het was de hoogste tijd, vond hij. Ik was spoedig beneden en in de ontbijtzaal was het Van Wely, die me de raad gaf om een halve biefstuk en een paar sneetjes brood te eten met een glas melk. Daar kon ik dan wel de gehele dag op teren. Wij kwamen om kwart over tien op de Groninger ijsbaan aan.

Toen heb ik de schaatsen ondergebonden en heb even de baan verkend. Maar daar sloeg mij werkelijk de schrik om het hart. Er was ook een Noor als concurrent. Een van die Noren die zo geweldig op de 500 en 1500 meter zijn. Voor de lange afstanden was ik minder bevreesd, vooral omdat het in Holland was. De Noren zijn niet gewoon aan het stroeve ijs en de zware lucht. Maar o wee, op de 500 en 1500 meter zijn het waarlijk duivels. Voorheen was het reglement zo dat je drie van de vier afstanden moest winnen om wereldkampioen te worden. Dus moest ik de 500 of de 1500 meter zien te winnen, dan had ik kans om wereldkampioen te worden. De heer Van Wely deed al het mogelijke om mij van deze wedstrijd af te leiden, maar ik was met mijn gedachten toch bij deze wedstrijd. Ik was erg stil en gaf de heer Van Wely geen antwoord of een antwoord dat niets met het gesprek te maken had. Voor mij was deze ene Noor meer concurrent dan alle andere rijders bij elkaar. Eindelijk kwam het ogenblik van starten op de 500 meter. Ik moest rijden tegen deze Noor Lördahl. Lördahl won en ik was tweede.

 

Na deze nederlaag moesten we de 5000 meter rijden en omdat Lördahl op de 500 meter beneden de 50 seconden had gereden, en dat in Holland, gaf ik mijzelf maar weinig hoop meer om wereldkampioen te worden. Ik geloof dat ik voor de heer Van Wely geen aangename kerel was, want op alles wat hij vroeg kreeg hij geen antwoord. Ik was met mijn gedachten alleen bij de wedstrijd. De 5000 meter moest ik weer rijden met Lördahl (de snelsten op de 500 meter rijden tegen elkaar). Ik was geladen. Ik moest deze afstand zeker winnen. Op deze afstand had ik meer moed. Ten eerste was er wind en ten tweede was het ijs stroef. Nu kwam het op kracht aan.

Bij het ontbijt weer een biefstuk met een paar sneetjes brood, een glas melk.

Zoals ik eerder schreef, was ik geladen. En toen het sein van vertrek gegeven werd, vloog ik weg of ik maar 500 meter in plaats van 5000 meter moest rijden. Na drie banen gereden te hebben, was ik een heel stuk voor. Lördahl had nog wel gepoogd mij bij te houden, maar het lukte hem niet. Ik reed steeds verder van hem weg. Ik won deze afstand met ongeveer 350 meter verschil. Lördahl was tweede. Wanneer er dus geen ongelukken zouden gebeuren, was ik er zeker van dat ik de 10.000 meter zou winnen, maar die belabberde 1500 meter. Die afstand lag mij zwaar op mijn maag.

De volgende dag moest worden gereden op de 1500 en 10.000 meter. Daar ik van die lange treinreis nog vermoeid was, ging ik vroeg naar bed. Al sliep ik niet, dan rustte ik toch. Daar moet elke renner aan denken. Veel geslapen heb ik niet, maar wel goed gerust. Eigenaardige methodes hield ik erop na. Ik heb de wedstrijd die nacht niet in mijn gedachten gehad, ik bouwde wel luchtkastelen en daar heb ik mij altijd goed bij bevonden.

Om ‘s morgens half negen kwam de heer Van Wely mij weer roepen en terwijl ik mij aankleedde, zei hij tegen mij: “Coen als je nu op de 1500 meter wint, dan ben je wereldkampioen.” Nu was het mijn beurt om te zeggen: “Als ik de 1500 meter win, dan kan ik op de 10.000 meter een ongeluk krijgen. Dus geen hei roepen, voordat je over de brug bent.” Zo is het toch?

Bij het ontbijt weer een biefstuk met een paar sneetjes brood, een glas melk en ik was weer tot ”s avonds 6 uur gesteld. Van het hotel naar de baan is noch door de heer Van Wely noch door mij één woord over de wedstrijd gesproken. Daar aangekomen, bond ik mijn schaatsen weer onder, doch nu niet om de baan te verkennen, maar om een paar starten te nemen.

Het schijnt dat ik wat zenuwachtig was, want bij de tweede start sloeg ik met mijn rechterbeen de punt van mijn schaats in mijn linkerhiel door de schoen heen in het vlees. Dit bezorgde mij op dat ogenblik veel pijn. Toen ik de wedstrijd op de 1500 en 10.000 meter had beëindigd en mijn schaatsen uitgetrokken had, zat het bloed in mijn schoen. Van dit alles heb ik tegen niemand, ook niet tegen de heer Van Wely, wat gezegd. Ik was geheel teruggetrokken. Alleen die 1500 meter speelde in mijn hoofd.

Het was of we nooit die 1500 meter zouden moeten rijden. Zo lang duurde het voor mij. Ja hoor, daar kwamen ze zeggen: “De Koning en Lördahl aan de start komen.” Eigenaardig, ik was nu zonder merkbare zenuwen aan de start en toen het schot viel, waren we tegelijk weg. Bij de eerste 500 meter was Lördahl weer een meter of vier vóór, bij de tweede 500 meter was er geen verandering in het verschil te bespeuren. We gingen de laatste 500 meter in. Toen we ongeveer 250 meter van de laatste 500 meter hadden gereden, was Lördahl een paar meter vóór. Ik was dus wat ingelopen.

Wat daarna heeft plaatsgevonden, heb ik in mijn gehele sportloopbaan op het ijs nooit meer gehad. We moesten nog 150 meter rijden, toen ik een onzichtbare duw in mijn rug kreeg. Ik vloog Lördahl voorbij en won de 1500 meter met ongeveer 5 à 6 meter. En denkt u nu niet dat ik in mijn eigen heb gedacht: “Nu ben je wereldkampioen.” Oh nee, op de 10.000 meter kan er van alles gebeuren. Vallen, een schaats breken, zo vallen dat je niet meer verder kunt rijden, enzovoorts. De heer Van Wely was de gelukkigste man van de wereld. Zijn voorspelling zou uitkomen: “In De Koning zie ik een wereldkampioen.” Stil en in mijzelf gekeerd, wachtte ik in de box mijn tijd af, tot ik geroepen werd voor de start van de 10.000 meter. Het leek wel of de wedstrijdcommissie het erom deed om mij zo lang te laten wachten. Er kwam geen einde aan.

Daar kwam eindelijk de heer Van Wely in de box. Hij had mij maar alleen gelaten, want om een geregeld gesprek met mij te voeren, had toch geen nut. Ik was op de dagen van de wedstrijd geen aangenaam mens, steeds maar met mijn gedachten bij de afstanden die ik nog moest rijden. Hij deelde mij mee dat ik aan de start moest komen voor de 10.000 meter. Omdat ik na elke afstand mijn schaatsen uitdeed, zei ik de heer Van Wely dat ik direct zou komen. Ik moest mijn schaatsen nog onderdoen.

Nu had ik wel meer vertrouwen gekregen en zonder ongelukken zou ik wel wereldkampioen worden. Het sein van vertrek werd gegeven. Twintig banen van 500 meter moesten we rijden en weer was Lördahl mijn concurrent. Deze afstand is door mij zonder sensatie gereden. Ik geloof dat ik bij de 12e baan Lördahl een ronde had ingelopen en dat was voor mij voldoende. Omdat ik nu niet alles meer behoefde te geven, heb ik kalmaan gedaan, maar ondanks dat, liep ik bij het einde van deze afstand nog enige honderden meters op hem uit. Ik was eerste op de 10.000 meter en Lördahl was tweede.

Nu was ik daadwerkelijk wereldkampioen voor het jaar 1904-1905. De heer Van Wely was de eerste die mij gelukwenste en vele gelukwensen moest ik in ontvangst nemen op de baan. Direct daarna ging ik naar hotel Willems in de Heerenstraat te Groningen, waar ik logeerde. Ik heb mij direct gewassen en aangekleed. Toen heb ik een flink diner genomen en ben om acht uur naar de prijsuitdeling gegaan.

Het leek wel of heel Groningen op zijn kop stond. De grootste zaal van Groningen was tot de laatste plaats bezet. Het was er een gezellige drukte, want feesten kunnen ze in Groningen.

Oh ja, dit zou ik bijna nog vergeten. De Deventer IJsclub had mij een telegram gezonden dat op maandag 23 en dinsdag 24 januari het kampioenschap van Nederland werd gereden en dat ze vast en zeker op mijn deelname rekenden. Ik heb teruggeseind dat ik maandagmorgen met de eerste trein van ongeveer zes uur naar Deventer zou komen en om ongeveer half elf in Deventer zou aankomen.

Het was op de prijsuitdeling in Groningen zeer gezellig en het scheen alsof de heren studenten losgebroken waren. Tegen een uur of elf ”s avonds werd ik door deze studenten als het ware omsingeld en ik moest met hen mee. Al dronk ik niets, toch hield ik wel van plezier, vooral als je twee dagen in spanning hebt geleefd. In een oogwenk was ik op een kamer van een der studenten en even later kwamen er een paar bij die een mand wijn hadden gehaald. Ik zie het nog voor mij. Toen de wijn zou worden ingeschonken, bleek het dat er geen glazen genoeg waren. Maar daar geeft een goede student niet om. Er stonden op de schoorsteen enkele vazen en zelfs een glazen kaasstolp. Deze werd even omgewassen met wat wijn en klaar was de zaak. Ik kreeg een glas en omdat de heren erg rumoerig waren, zagen zij niet dat ik de wijn op het vloerkleed gooide. Het was nog niet genoeg, er moest nog meer gefuifd worden. Het was inmiddels middernacht geworden en ik wilde naar bed. Toen de heren de kamer hadden verlaten, wist ik van de duisternis gebruik te maken om weg te lopen en kwam om half één in mijn hotel aan.

 

Advertentie

Bestel bij Bol.com