Schaatsen

De brieven van Elfstedenwinnaar Coen de Koning

In het Friese archief Tresoar liggen twee nog onbekende brieven van de tweevoudige Elfstedenwinnaar Coen de Koning. Ze waren voor Jonkheer Hector Willem Menno van Coehoorn van Sminia en bevinden zich in het familiearchief van Van Sminia.

Door Wim Zonneveld

“Dezer dagen ontving ik van Mijnheer uw broer een schrijven waarin hij mij mededeelde dat de kosten voor een aanstaande Elfstedenwedstrijd door hem en Uw worden vergoed, mijne oprechten dank heb ik aan Mijnheer uw broeder verzonden en gevoel mij ten zeerste verplicht ook U bijvoorbaat mijne oprechte dank te betuigen.”

Dit is een passage uit een van twee tot nu toe onbekende brieven van schaatskampioen Coen de Koning (1879-1954) aan Jonkheer Hector Willem Menno van Coehoorn van Sminia, die zich bevinden in het familiearchief Van Sminia, dat op het ogenblik wordt ontsloten bij Tresoar in Leeuwarden.

De eerste brief is gedateerd 1 januari 1908; de geciteerde passage komt uit die van 26 oktober 1912. Wat hebben de twee brieven verder nog te vertellen en wie zijn de Van Sminia’s?

Hobbe van Baerdt van Sminia (1874-1934) en Hector van Coehoorn van Sminia (1877-1946) waren zoons uit een familie van grootgrondbezitters-hereboeren uit Oudkerk in Friesland, waar het landgoed De Klinze werd beheerd. Zij waren een sportief tweetal, ze deden aan paardrijden, hockey, schieten (en jagen) en ’s-winters bandy en schaatsen.

Hobbe

Hoewel Hobbe voortdurend een grote toekomst werd voorspeld, nam hij van 1893 tot 1895 met slechts wisselend succes deel aan hardrijwedstrijden. Hij eindigde in de lage middenmoot op het wereldkampioenschap in januari 1893, gewonnen door Jaap Eden. Zijn beste resultaten behaalde hij in februari 1895, toen hij derde werd op het Nederlands kampioenschap 500 meter in Kralingen, achter Van Wely en Vrouwes, de latere wielrenner-stayer, en tweede op het Noord-Hollands kampioenschap over 1500 meter in Haarlem, achter weer Vrouwes.

Hobbe trad in 1898 toe tot het bestuur van de Friesche Ijsbond en in 1901 tot dat van de Nederlandsche Schaatsenrijdersbond. In de eerste functie verrichtte hij het startschot van de Elfstedentocht van 1909, gewonnen door Minne Hoekstra. Broer Hector kwam binnen op meer dan 6 uur.

Hobbe zette daarna het familiebedrijf voort en werd een grote figuur in de Nederlandse paardenfokkerij en hippische sportwereld.

Hector

Hector ging naar Haarlem om daar het gymnasium af te maken, studeerde taal en cultuur in Lausanne en ging voor praktijkervaring op de plantages naar Indië. Hij kwam in 1903 in Nederland terug en trouwde met Marie Jacqueline Cornelie Dólleman, uit een Haarlemse familie van hetzelfde niveau, in de plaatselijke sportwereld (voetbal, tennis) bekend als ‘De Dóllemannen’.

Het paar begon een manege in Heemstede, verhuisden naar De Steeg bij Rheden op De Veluwe, daarna in 1920 naar Brummen, waar Hector de hippische vereniging De IJsselruiters oprichtte. Hector bekleedde in zijn Heemsteedse tijd allerlei functies in de wereld van het hockey en het bandy, maar was tussen 1900 en 1912 ook actief op de schaatsen. Niet alleen nam hij deel aan de eerste twee Elfstedentochten, maar tijdens verlof uit Indië en daarna vanuit Heemstede speelde hij bij de Haarlemsche Hockey en Bandy Club, waarvoor een hele stoet bekende H.F.C.-ers uitkwam. In de winters van 1902 tot en met 1905 speelde deze club internationale bandy-wedstrijden in Davos en daar kwam hij waarschijnlijk in contact met Coen de Koning.

Coen de Koning had in Edam voorbeelden in de broers Jan Titus en Eeko Banning, nationale toppers in het hardrijden in de slappe periode na Jaap Eden. Jan had samen met generatiegenoot Jan C. Greve in 1898 getraind in Davos en deelgenomen aan het WK aldaar, zonder veel succes.

In januari 1901 werd Eeko Banning op de Groote Wielen bij Leeuwarden de eerste Nederlandse kampioen allround. Nadat de 21-jarige Coen de Koning debuteerde in ‘proefwedstrijden’ voor ‘nieuwelingen’ in Edam, en won, werden Jan Banning en hij eerste en tweede in het Noord-Hollands kampioenschap in Haarlem.

In december 1902 werd Coen tweede in Groningen op het provinciaal kampioenschap achter Greve, en die prestatie leverde hem een uitnodiging op van de bond voor de jaarlijkse allround wedstrijden in Davos in januari. Daar maakte hij enorme indruk door op de 10.000 meter de Noorse topper Rudolf Gundersen van vier afstandszeges af te houden.

Hij ontwikkelde zich dermate snel dat hij een week later in Groningen Nederlands kampioen werd door het winnen van alle vier de afstanden. Hij en plaatsgenoot Eeko Banning werden samen gehuldigd bij terugkeer in Edam.

Het trainingskamp in Davos werd wegens succes geprolongeerd. In januari 1904 hebben de allround wedstrijden de status van Europees kampioenschap, maar slechts vijf rijders hebben belangstelling, van wie 3 Nederlanders. Gundersen won, voor De Koning en Arie Bouma, Greve viel uit.

Radiogesprek met Coen de Koning in 1954, enkele maanden voor zijn dood
Bandy

Terwijl de rijders zich voorbereidden, was er in dezelfde week een bandy-toernooi waaraan een Haarlems team deelnam. Onder de spelers waren captain Koolhoven, Wim Schorer, Willem Dólleman, de gebroeders Menten en Eldering. Er werd wat gewonnen en wat verloren, tegen plaatselijke teams.

Een van de opvallendste spelers was Hector van Sminia. Hij was behendig, kon “spurten uitvoeren, een hardrijder waardig” en scoorde “na een rush over het geheele veld”. Hij maakte zelfs deel uit van een geïmproviseerd ‘bob-sleigh’ team dat deelnam aan de Manchester Cup, een spectaculaire race over de besneeuwde weg van Wolfgang boven Davos naar Klosters. Iedereen was stomverbaasd toen ze zevende worden.

Het lag voor de hand dat hardrijders en bandy-spelers met elkaar optrekken, samen rondcirkelden op de schaatsbaan, zich ‘s avonds gezamenlijk ophielden. En dat dit de manier was waarop Coen de Koning en Hector van Sminia kennis maken – de stucadoor en de manegehouder.

Het wereldkampioenschap allround van 1905 was toegewezen aan Groningen, maar het weer was zo wisselvallig dat er zelfs sprake van was dat het naar Davos verplaatst zal worden. De Koning trainde daar al, zij het gehinderd door forse sneeuwval.

Het bandy-team kwam daar ook, met Hector van Sminia in de gelederen. Tussen 10 en 17 januari leverde het een ongelofelijke prestatie door het jaarlijkse toernooi te winnen tegen teams uit St. Moritz en Davos. ‘Officieus Europees kampioen’, werden ze genoemd.

Omdat het WK alsnog in Groningen werd gehouden, moest Coen halsoverkop naar Nederland – waarschijnlijk samen met het terugkerende bandy-team. De Koning begon aan een heroïsche opgave: het WK op 21 en 22 januari, aansluitend het NK op 23 en 24 in Deventer.

Het WK werd een triest geheel met drie Nederlanders en de Noor LØhrdahl. Alleen De Koning en LØhrdahl reden de 10 km., het onderlinge verschil was twee minuten. Zo werd De Koning de eerste Nederlandse wereldkampioen na Jaap Eden. Vervolgens prolongeerde hij zijn Nederlandse titel.

Hij spoedde zich terug naar Davos, komt oververmoeid en ziek aan en miste daardoor op 27 en 28 januari het jaarlijkse toernooi, dat Gundersen weer eens won. Niemand kan van Coen zeggen dat hij het niet heeft geprobeerd.

Na 1905 is er geen Haarlemse deelname meer aan bandy-wedstrijden in Davos. Maar wel is er een jaar later de EK allround, naar Davos verschoven omdat het in Berlijn dooit. Coen werd derde, de dag erna verbeterde hij het werelduurrecord van de Engelsman Edgington.

Hierna kreeg Coen andere verantwoordelijkheden. De brief van 1 januari 1908 is geschreven vanuit Breda, hij is het jaar ervoor getrouwd met Petronella Boot (1885-1930) uit Leur. Hij doet Hector van Sminia de beste wensen, en vraagt hem of hij meer weet van aanstaande wedstrijden in Haarlem: “Het weer is heden bizonder gunstig voor de Schaats. Vind u niet? Ik heb de Baan nog niet vaarwel gezegd en hoop de wedstrijd welke te Haarlem worden gehouden bij te wonen en mede te doen. Wanneer de Wedstrijd daar in Haarlem zullen zijn is mij niet bekend en ik zit hier in het Zuiden waar heel weinig aan Schaatsensport word gedaan. Ook de dagbladen maken er weinig melding van. Het zou mij daarom een zeer groot genoegen zijn indien U het soms weet mij dit even tewillen melden wanneer en op welke plaats deze word gehouden.”

Waarschijnlijk was een wedstrijd in Haarlem een goede gelegenheid elkaar weer eens te ontmoeten, maar Coen kon niet meer lang van huis: hij en zijn jonge vrouw zijn net veertein dagen ouders. “De Vrouw en de Kleine maken het beide bizonder goed”, staat er nog in een P.S.-je.

Of er antwoord is gekomen is onbekend, er is ook niets over een wedstrijd in of bij Haarlem terug te vinden. Het is Coens jongere broer Sjaak, die op 4 januari in nota bene Groningen Nederlands kampioen allround langebaan werd.

Op zeer hoge prijs

In 1909 werd de eerste Elfstedentocht gereden, met Hector van Sminia als achtste aan de finish. Na veel gekwakkel was er in 1912 pas weer een eerste veelbelovende winter. In zijn ‘memoires’ laat Coen optekenen: “Ik had van de Friese Elfstedentochtwedstrijd nog nooit eerder gehoord. Jonkheer Coehoorn van Sminia had mij enige tijd tevoren geschreven dat als deze Friese Elfsteden wedstrijd werd gereden, dat hij dan graag had dat ik daaraan mee zou doen. Ja, hij zou het zelfs op zeer hoge prijs stellen. Omdat ik het Jonkheer Coehoorn van Sminia niet wilde weigeren, heb ik toen ingeschreven, maar ik was op niets voorbereid.”

Coen trok dus naar Friesland. Op zaterdag 20 januari werd de Elfstedentocht uitgesteld, bij slecht weer en op slecht ijs werd wel op 21 en 22 januari op de Groote Wielen een NK allround gehouden. Er zijn niet aflatende valpartijen, Coen prolongeerde zijn titel, broer Sjaak werd derde.

Op 6 februari werd hij in Deventer provinciaal kampioen van Overijssel, weer voor Sjaak. Na lang wachten ging op 7 februari de Elfstedentocht door, onder slechte omstandigheden. Koen toonde zich nog steeds een kei in een zwaar winterprogramma en won het “waterballet” voor Jan Ferwerda. Die legde zich niet bij zijn tweede plaats neer en beschuldigde Coen ervan zich te hebben laten trekken door zijn gids. Pas vier maanden later wordt zijn overwinning definitief.

De brief aan Hector van Sminia van oktober 1912 is vlak hierna geschreven. Het gezin had een paar jaar in Arnhem gewoond, maar was naar Brabant teruggekomen omdat “mijn Vrouwtje heimwee had en dit is zoover ingeworteld dat er tuberculose is ontstaan”. Zij woonden op het platteland in Leur, niet vrij van geldzorgen. In zijn memoires zei hij: “Er knaagde wat in mijn binnenste. Ik wilde zo spoedig mogelijk revanche nemen, maar ik moest daarop vijf jaar wachten. En ik bleef ook die volle vijf jaar in training. Ik moest mij wreken.”

Die kans kreeg hij in 1917, en hij greep hem.

Met dank aan John Schwartz, kleinzoon van Hector van Coehoorn van Sminia, en Barteld de Vries, medewerker bij Tresoar, Leeuwarden.

Waardeer dit artikel!

Dit artikel las je gratis. Vond je het de moeite waard? Dan kun je dat laten blijken met een kleine financiële bijdrage.

 
Mijn gekozen waardering € -