Home > Schaatsen > De honderdste geboortedag van Roelof Koops
SchaatsenWinterspelen

De honderdste geboortedag van Roelof Koops

Precies honderd jaar geleden is oud-schaatser Roelof Koops geboren, op 19 juli 1909. In 1936 deed hij mee aan de Olympische Winterspelen in Garmisch-Partenkirchen.

Jan Langedijk en Roelof Koops (links) in 1938

Vijfenzestig jaar na dato worden de plakboeken gekoesterd als kostbare relikwieën. Het is ook niet zomaar iets: Roelof Koops is met zijn 92 jaar de oudste olympische wintersporter van ons land. Hoewel de ogen wat slechter beginnen te worden, is het lijf verder nog gezond en zijn de herinneringen aan de Winterspelen van 1936 nog kraakhelder. Als we een krantenknipsel tegenkomen met vijf in Olympisch jaren dertig-kostuum uitgedoste Hollandse jongens, weet hij de namen en de afkomst van zijn vier schaatskompanen uit dat jaar nog moeiteloos te reproduceren.

Dolf van der Scheer, de eeuwige student uit Zutphen die al vier jaar eerder gestopt was, maar die voor de Spelen de schaatsen nog één keer uit het vet had gehaald. Jan Langedijk, de tuinderszoon uit Oudkarspel, en de enige die -op de lange afstanden- als serieuze medaillekandidaat gold. Dan had je Lou Dijkstra, de Friese huisarts-in-opleiding, die beroemd zou worden als vader van Olympisch kunstrijkampioen Sjoukje. De benjamin van de ploeg van 1936 was Amsterdammer Ben Blaisse: een stille chemie-student die zijn studieboeken overal meesleepte en tussen de wedstrijden door nog ingewikkelde formules zat te berekenen.

En tenslotte, inderdaad, Roelof Koops zelf: met de twee jaar jongere Ben Blaisse nu de enige overlevende van het Olympische kwintet uit 1936 (Blaisse is inmiddels overleden). Een wat verlegen boerenzoon uit Zuidlaren, die zijn ogen uitkeek in het mondaine Garmisch Partenkirchen: de wintersportplaats die in 1936 vol hing met hakenkruisvlaggen als symbool van het nazi-Duitsland van Adolf Hitler.

‘Wat wisten wij van politiek?’ zo vertelt Roelof Koops bij een verkleurde foto uit het Algemeen Handelschblad (met ‘sch’) waarop hij nog net zichtbaar achter bobsleeër en vlaggendrager Samuel Dunlop het met 90.000 ‘Sieg-Heil’ schreeuwende Duitsers gevulde stadion binnentrok. ‘Ik was daar als sportman. Meneer Van Laer, de grote man van de schaatsbond, had ons uitverkoren om naar de Spelen te gaan. Dat vond ik een hele eer. En verder dacht ik nergens over na. Ik was maar een eenvoudige Drentse boerenjongen. Je was alleen maar apetrots dat je mocht. En ja, dat stadion, daar werd je stil van. Zo’n hoop mensen, dat had ik nog nooit gezien. Maar dat dat iets met politiek te maken had? Geen idee, daar merkte ik niks van.’

Koops had zijn uitverkiezing vooral te danken aan zijn sterke lange afstanden. Bij het Europees kampioenschap in Oslo, een maand voor de Spelen, was hij bij een merkwaardig kampioenschap (waar zelfs Amerikanen aan mee mochten doen!), twaalfde geworden op de 5000 meter. ‘Slechts’ twintig seconden gaf hij prijs op de superkampioen van de jaren dertig, de Noor Ivar Ballangrud.

Europees debuut

Al in 1932 had Koops bij zijn Europese debuut in Davos een zilveren medaille behaald op de 10.000 meter. Een medaille met een verhaal. ‘Clas Thunberg had al drie afstanden gewonnen en was zeker van de titel. Hij hoefde de tien kilometer alleen maar uit te rijden. Hij reed tegen zijn landgenoot Blomqvist, en is toen een rondje op hem blijven wachten om hem op sleeptouw te nemen. Zo kon hij nog net onder mijn tijd komen. Maar eerlijk was het niet. Dat zilver van mij had goud moeten zijn.’

De voorbereiding van Koops op het Olympisch seizoen 1935-36 was niet anders dan andere jaren: ‘Ik wachtte altijd de Zuidlaarder paardenmarkt af, de derde dinsdag van oktober. Daar mocht ik nog feesten, maar daarna begon ik serieus te trainen. Hardlopen in de omgeving, dat was het voornaamste. Maar als er dan iemand aankwam, dan ging ik maar even wandelen, want toen werd je voor gek nagekeken als je langs de wegen rende. Of ze dachten dat je een dief was die er vandoor ging. Vaak liep ik daarom over een onverhard pad langs twee sloten, daar kwam bijna nooit uitkijken om niet in het water te vallen, want straatverlichting had je toen nog nauwelijks. En verder werkte ik natuurlijk gewoon mee op de boerderij. Daar bleef je ook fit bij.’

Geen alcohol en meisjes

Roelof Koops, 97 jaar oud

Op 15 december 1935 vertrok Koops met de Olympische kandidaten naar Gjövik in Noorwegen, waar een ‘trainingskamp’ werd opgeslagen. ‘Alleen een masseur ging mee, en meneer Van Laer. Maar een ijstrainer of zo, die had je toen helemaal niet. ‘s Ochtends reden we een uurtje op het ijs, en dan probeerde je zo goed mogelijk achter de grote Noren aan te rijden. En dan moest je niet teveel met je punten afzetten, want dan hoorden ze dat je achter ze aan reed, en dan lieten ze het lopen. Zo probeerde je de kunst af te kijken. ‘s Middags gingen we wat wandelen, en dan om de drie dagen een dag rust. Het lijkt of het weinig voorstelde, maar toch leefden we heel serieus voor de sport. Van Laer zei altijd: ‘Je bent hier voor het vaderland, niet voor de lol. Dus geen alcohol en meisjes. En daar hielden we ons stipt aan.’

Nadat Adolf Hitler zelf de Winterspelen had geopend, vertrokken de schaatsers naar de Riesser See, een bergmeer waarop het schaatstoernooi plaats zou vinden. ‘Het was een wat primitieve baan, ook al voor die tijd. Heel anders dan je in Noorwegen of Davos gewend was. Er kwamen weinig mensen daar, dus dat hele Olympische gedoe ging grotendeels langs je heen. Maar je kon er wel goed trainen.’

Van Koops werden in Garmisch geen medailles verwacht. Toch leek er op de 5000 meter even een sensatie in te zitten. In het derde paar reed Koops tegen de Duitse kampioen Sames. Die werd fel aangemoedigd, en ging daardoor veel te snel van start. ‘We openden zelfs met een rondje 39, dat was toen onwaarschijnlijk snel. Na een paar rondjes moesten we flink gas terugnemen, maar we bleven elkaar opjutten. Op de finish was zelfs met het oog geen verschil waarneembaar. We kregen allebei een tijd van 8.48,5. Ik werd daar uiteindelijk dertiende mee. Voor mijn doen een uitstekende prestatie.’

Op de tien kilometer werd Koops zonder goede tegenstander en op slechter ijs zeventiende. Na de Winterspelen wilde hij doorgaan tot de volgende Spelen van 1940. Maar Adolf Hitler liet zijn ware gezicht zien, en sleepte de wereld mee in een catastrofe. Aan schaatsen werd vijf jaar lang door niemand gedacht. Ook de schaatsloopbaan van Roelof Koops kreeg door de oorlog een abrupt einde. Wat rest zijn de plakboeken, de vele medailles en de herinneringen.

Geïnteresseerd in schaatsen is Roelof Koops nog altijd. Vorig jaar bezocht de nu in Veendam woonachtige schaatsnestor met zijn zoon Jan-Roelof – veelvuldig oud-Gronings schaatskampioen – nog het WK-junioren in het overdekte Groninger ijsstadion. ‘Onvoorstelbaar hoe snel die jongens al rijden. 37 Seconden op de 500 meter. Als ik een 500 meter in 47 seconden reed, was ik al geweldig blij. In Davos reed ik ooit 46 blank en dat was toen een knappe tijd.’

In samenwerking met Huub Snoep

Marnix Koolhaas
Marnix Koolhaas werkt sinds 1986 voor de VPRO, o.a. als presentator/eindredacteur van het programma OVT, Andere Tijden en Andere Tijden Sport. Daarnaast publiceert hij regelmatig over de Nederlandse schaatsgeschiedenis. Zo verscheen in van zijn hand "Schaatsenrijden - een cultuurgeschiedenis". Op dit moment werkt hij aan een geschiedschrijving van het langebaanschaatsen.