NieuwSchaatsen

De woelige schaatscarrière van Jos Valentijn

Schaatser Jos Valentijn was actief in de jaren zeventig van de vorige eeuw. Hoewel hij in eerste instantie zijn zinnen had gezet op een carrière als allrounder was het zijn onmiskenbare aanleg voor de korte afstanden die hem definitief naar het sprinten deed overstappen. Valentijn had wereldkampioen moeten worden en had wellicht ook grote olympische successen kunnen boeken. Als het lot hem maar iets gunstiger gezind was geweest. Of als hij maar een wat minder onstuimig karakter had gehad.

Jos Valentijn en Leen Pfrommer

Door Bert Roosien

Jos Valentijn werd op 28 maart 1952 geboren in het Zuid-Hollandse Ter Aar, een plaatsje dat met twee Elfstedentochtwinnaars – de neven Jan W. van der Hoorn en Jan J. van der Hoorn – toch al een bijzondere plaats inneemt in de geschiedenis van het Nederlandse schaatsen. Toen in 1966 de Nederlandse opmars bij het schaatsen definitief gestalte kreeg met de Europese titel voor Ard Schenk en de wereldtitel van Kees Verkerk was Valentijn dertien jaar. De successen van Ard en Keessie waren voor de jonge Jos een stimulans om zich met overgave op de schaatssport te storten.

In de zomer van 1971 werd Valentijn uitgenodigd voor de Nederlandse kernploeg. De KNSB gaf hem hierbij te kennen dat hij dan wel bereid moest zijn om zich te specialiseren op de korte afstanden. Goede allrounders had de KNSB met Schenk, Verkerk en Jan Bols namelijk al genoeg. Nu was het zaak om ook in de nieuwe discipline van het sprinten, dat in 1970 zijn eigen wereldkampioenschap had gekregen, aansluiting te krijgen met de internationale top. Valentijn en specialist Jan Bazen zouden daarom als sprinters aan de allround kernploeg van Leen Pfrommer worden toegevoegd. En de KNSB schroomde niet om Bazen en Valentijn een vette worst voor te houden. Als er voldoende progressie zou worden geboekt, lonkten de Olympische Spelen van Sapporo!

De situatie voor de beide sprinters in de allround kernploeg bleek niet ideaal. Coach Leen Pfrommer deed wat hij kon, maar als de omstandigheden erom vroegen, koos hij noodgedwongen voor de voorbereiding van zijn allrounders op de internationale titeltoernooien. Jorrit Jorritsma mocht van de schaatsbond precies twee weken als vervangend begeleider mee, maar in andere periodes moesten Jan Bazen en Jos Valentijn het zelf maar uitzoeken.

Desondanks gingen de sprinters met sprongen vooruit. In het begin leek Jan Bazen de beste van de twee. Bazen werd nationaal kampioen. Maar al spoedig kwam ook het talent van Valentijn bovendrijven. Al met al boekten de Nederlandse sprinters prima resultaten en in sommige wedstrijden waren ze zelfs sneller dan erkende sprintkanonnen als de Zweden Hasse Börjes en Ove König. Met name Valentijn dwong steeds meer bewondering af. In een paar maanden tijd verbeterde hij zijn persoonlijke record op de 500 meter van 40.2 naar 39.44, terwijl zijn progressie op de 1000 meter (van 1.22.8 naar 1.20.01) nog veel groter was. Met deze tijden leek hij een geduchte kandidaat voor een eervolle klassering op de olympische sprint.

Maar waar Valentijns aanwijzing voor de Olympische Spelen voor velen slechts een wassen neus leek, beslisten KNSB en NOC uiteindelijk  anders. Ondanks zijn grote progressie en de geruststellende hele of halve toezeggingen van sportofficials voor en tijdens het seizoen werd de negentienjarige sprinter alsnog thuis gelaten. Zelfs de smeekbedes van Leen Pfrommer hadden de olympische keuzeheren niet op andere gedachten gebracht. Valentijn had geen reële kans om zich op de 500 meter bij de beste tien te plaatsen, was hun harde en allerminst overtuigende oordeel. Maar, zo voegden zij er bemoedigend aan toe, Valentijn was nog jong, zijn tijd zou nog wel komen.

Aan het lijntje

Valentijn was hevig teleurgesteld. Sterker nog, hij was woedend. Hij voelde zich in hoge mate bedonderd. ‘Vooral de wijze waarop men met ons is omgegaan, zit me niet lekker,’ liet hij in diverse interviews optekenen. ‘We zijn voortdurend aan het lijntje gehouden. Er is nooit officieel een duidelijke eis gesteld. In eerste instantie zou het Nederlands kampioenschap beslissend zijn. De Nederlands kampioen zou in ieder geval gaan. Dat werd Jan Bazen.

Na het kampioenschap moesten wij ons tijdens sterke wedstrijden in het buitenland waarmaken, in Cortina d’Ampezzo en Madonna di Campiglio. Dat is vrij goed gelukt, want als ik niet op de laatste dag was gevallen, waren wij daar eerste en derde geworden. Nadat wij vorige week thuiskwamen werd weer gezegd dat het vierbanen-Suikertoernooi medebepalend zou zijn voor uitzending. Toen ik in Amsterdam Ove König had geklopt, werd gezegd dat ik voor 95% zeker van uitzending was. En in Davos hadden Leen Pfrommer en de olympische man Kerdel al een gesprek gehad waaruit onze coach kon opmaken dat ik elk moment een oproep kon verwachten om voor de olympische kleermaker te verschijnen. Als je dan voor de radio hoort dat de reis helemaal niet doorgaat, sta je toch wel even met je ogen te knipperen. Nu starten Eddy Verheijen en Jappie van Dijk op de 500 meter. Niet dat ik het hen misgun, maar zijn dat dan sprinters?’

Later ontstonden trouwens steeds meer twijfels aan de opgegeven ‘officiële’ reden om Valentijn niet uit te zenden. Niet het feit dat hij niet goed genoeg werd geacht zou de ware reden zijn, maar een dure administratieve fout. Op het moment dat de olympische schaatsploeg van de KNSB al min of meer vaststond, maar Valentijn alsnog aan de eisen voor kwalificatie voldeed, zou men domweg vergeten zijn hem op tijd aan de lijst van olympische sporters toe te voegen.

In de jaren daarna kwam nog een derde reden boven water waarom Nederlands beste sprinter in 1972 niet naar Sapporo mocht. Zo stelden Bert Wagendorp, Wybren de Boer en Frans Oosterwijk in hun boek Ard Schenk, de biografie (2009) over de afwijzing van Jos Valentijn: ‘Met achterbakse argumenten hadden ze zijn olympische uitverkiezing tegengehouden. Te jong, te onervaren, sodemieter op. Ze hadden gewoon geen geld willen uitgeven aan een sprinter die toch maar één afstand had kunnen rijden, zoals enkele bestuurders later zouden toegeven. Jappie van Dijk konden ze tenminste nog op alle afstanden als reserve inzetten.’

Uiteindelijk zou de Nederlandse ploeg in Sapporo zeer succesvolle Spelen beleven en negen keer eremetaal behalen, waaronder vier keer goud. Bij al dit succes was de 500 meter van de heren echter een duidelijke dissonant. Op deze afstand werd Eddy Verheijen 25e, Jappie van Dijk 32e en Ard Schenk (met val) 34e. De Zweden Hasse Börjes en Ove König, in de voorbereiding nog verslagen door Jos Valentijn, werden respectievelijk 2e en 7e.

Enkele weken na de Olympische Winterspelen vond in Eskilstuna (Zweden) nog het wereldkampioenschap sprint plaats. Jos Valentijn was een van de deelnemers. Met een tiende plaats in het eindklassement voldeed hij weliswaar aan de verwachtingen, maar toch werd het toernooi niet de wraakexpeditie die hem voor ogen stond. Maar goed, hij was nog maar negentien, herhaalde hij cynisch in gedachten de argumenten van de Nederlandse sportbestuurders. Zijn tijd zou nog komen. Volgend jaar.

Profbond

Die zomer gebeurde er van alles aan het schaatsfront. Op initiatief van de Zweed Jonny Nilsson en enkele Amerikaanse geldschieters, die met name in de uitstraling van drievoudig olympisch kampioen Ard Schenk commercieel wel brood zagen, werden de beste allrounders en sprinters van het seizoen 1971-1972 verleid om toe te treden tot een haastig opgerichte profbond, de ISSL (International Speed Skating League). Onder hen Ard Schenk, Kees Verkerk, Jan Bols, Eddy Verheijen, de Noor Roar Grønvold en de sprinters Hasse Börjes, Erhard Keller en Ove König. Greg Lyman en Neil Blatchford zouden voor de Amerikaanse inbreng zorgen. Zo werd de internationale schaatsbond ISU in één keer van bijna al haar toppers beroofd.

De ISU en nationale schaatsbonden reageerden furieus. De profschaatsers werden direct geschorst voor alle wedstrijden onder de vlag van de ISU of de nationale bond en ijsbanen die hun poorten open zouden stellen voor de ISSL zouden voortaan geboycot worden en niet meer in aanmerking komen voor nationale of internationale kampioenschappen.

Ook de pers en het grote publiek hadden trouwens maar weinig waardering voor ISSL-baas Ned Neely en zijn Amerikaanse investeerders. En over de profschaatsers zelf was het oordeel al net zo hard. Zij werden in brede kring gezien als inhalige geldwolven en verraders van de mooie schaatssport.

Bij dit alles bood het wegvallen van een flinke groep topschaatsers de overgebleven amateurs natuurlijk ook nieuwe mogelijkheden op sportief succes. Ook sprinter Valentijn rook zijn kans. Want al waren de Russische staatsamateurs niet naar de ISSL overgestapt, duidelijk was wel dat hij na het wegvallen van concurrenten als Börjes, Keller en Linkovesi dicht in de buurt van de medailles zou moeten komen.

Dat bleek tijdens het wereldkampioenschap sprint van 1973 in Oslo, waar Valentijn na een goed toernooi zilver won, achter de Rus Valeri Moeratov en voor landgenoot Eppie Bleeker. Uiteraard was er royale waardering en aandacht voor Valentijns tweede plaats. Die aandacht bleef echter niet beperkt tot de KNSB en de vaderlandse schaatsfans. Ook Ned Neely en zijn ISSL-bazen hadden intussen een toenemende belangstelling voor de Nederlandse sprinter. Na de stroeve start voor hun proforganisatie hadden zij geconcludeerd dat er versterking nodig was. Bij de Noorse allrounder Sten Stensen hadden ze bot gevangen, dus richtten ze hun pijlen nu op Valentijn.

Het was precies waarvoor Leen Pfrommer zijn pupil bij het afscheid in Oslo al had gewaarschuwd. ‘Hou je kop erbij Jos.’ sprak de coach vaderlijk. ‘Er komen nu vast aanbiedingen. Denk goed na en zet niet overhaast een handtekening. Als je bij de KNSB blijft, weet je wat je hebt.’

Valentijn zelf wist helemaal niet zo zeker of zijn toekomst wel bij de KNSB lag. Hij was niet vergeten wat men hem het jaar daarvoor had aangedaan, toen hij naar de Olympische Spelen wilde. Als hij daaraan terugdacht, voelde hij rancune.

Een auto

Een dag na terugkomst in Nederland kwam Ned Neely al langs om te praten. Jos Valentijn kende weliswaar de verhalen dat het niet goed zou gaan met de ISSL, maar liet zich desondanks graag door zijn gesprekspartner overtuigen dat er van die verhalen niks klopte en dat die praatjes allemaal in de wereld waren geholpen door afgunstige tegenstanders.

Daarna legde Neely de Nederlandse sprinter een meerjarig contract voor met een royaal basissalaris en aantrekkelijke winstpremies. ‘Ik ga ervan uit dat de meeste van onze schaatsers na hun carrière financieel onafhankelijk zullen zijn,’ pochte hij. Ook meldde Neely langs zijn neus weg dat alle schaatsers binnenkort een auto konden ophalen. ‘Als je wil,’ besloot hij, ‘kan je volgende week bij de wedstrijden om de Zilveren Schaats in Den Haag al meedoen.’

De avontuurlijke en ietwat rebelse Valentijn hapte toe. Met het geld dat hem in het vooruitzicht was gesteld, zou hij in elk geval zijn studie kunnen betalen en later een huis kunnen kopen.

De volgende dag al ging hij naar de burelen van de KNSB om de heren van de schaatsbond persoonlijk in te lichten over zijn overstap. Dat deed hij met een gevoel van triomf. Inwendig genoot hij van de pogingen van de bondsbestuurders om hem op andere gedachten te brengen. Dat was allemaal vergeefse moeite. Valentijn had zijn revanche. Hij had ze bij de KNSB een koekje van eigen deeg gegeven.

Enige dagen later was het wereldkampioenschap voor allrounders (amateurs) in het IJsselstadion. Valentijn was speciaal naar Deventer gekomen om aan coach Leen Pfrommer uit te leggen waarom hij prof zou worden. Maar eerst werd hij nog ongewild betrokken bij de Koude Oorlog tussen de ISU en de ISSL. Buiten het stadion moest hij samen met Ned Neely voor de sportfotografen poseren. Bovendien had de geslepen Amerikaan ervoor gezorgd dat er boven de Deventer ijsbaan een reclamevliegtuigje vloog met op een spandoek de provocerende boodschap: ‘ISSL, 24/25 februari, Uithof, Den Haag. Met o.a. Schenk, Bols en Valentijn.’ Zo werd er nog wat extra zout in de wonden van de ISU en de KNSB gestrooid.

Een balletje kan raar rollen, dacht Valentijn enkele dagen voor de wedstrijd om de Zilveren Schaats. Vroeger had hij altijd een beetje opgekeken tegen het groepje profschaatsers en nu hoorde hij er zelf bij. Hij zou nóg serieuzer moeten trainen, nóg meer leven als een sportman, want anders had hij hier niets te zoeken.

Om zijn goede wil te tonen, bedacht hij dat het netjes zou zijn om zich vooraf aan zijn nieuwe collega’s voor te stellen. Die verbleven in het luxe Bel Air Hotel in Den Haag. Toen Valentijn na enig zoeken de deur opendeed van de suite waar de schaatsers zich hadden verzameld, was hij met stomheid geslagen. Hij zag de beste schaatsers van de wereld, en ze rookten, gokten en dronken bier of sterke drank.

Het was een ontluisterend tafereel, dat in Ard Schenk, de biografie treffend wordt omschreven: ‘De rook die Valentijn in het gezicht sloeg, prikte in zijn ogen. De gesloten gordijnen maakten het bovendien lastig om onmiddellijk te herkennen wat zich in de kamer allemaal afspeelde. Her en der waren sporttassen neergesmeten, handdoeken en kleren lagen verspreid over de grond. Op de tafel stond een bijna leeg krat, links en rechts stonden lege flesjes. In het midden van het gigantische bed lag Ard Schenk, met enkel een onderbroek aan en een cowboyhoed op. Valentijn meende te zien hoe Linkovesi een fles citroenjenever aan de mond zette en in een paar teugen leegdronk – dat was niks bijzonders trouwens, dat deed hij wel vaker. Uit de badkamer klonk een Amerikaanse stem en een hoge, opgewonden gil van een vrouw.

”Hé Jos,” hoorde hij iemand zeggen. ”Kom erbij, man.”

Hij wist het meteen. Verkeerde keus.’

Valentijn had echter zijn woord gegeven en zijn woord was hem heilig. Daar kwam hij niet meer op terug. En ook al vielen de instelling en de sportbeleving van de andere schaatsers hem vies tegen, het geld zou veel vergoeden.

Ongedekte cheque

Den Haag, het weekend van 24 en 25 februari. Voor het eerst bij de profwedstrijden zaten de tribunes vol. Bij de allrounders won Ard Schenk drie afstanden. Jos Valentijn won de beide duizend meters bij de sprinters. In het eindklassement werd hij tweede achter Hasse Börjes.

Daar het de laatste wedstrijd van het seizoen was, werden de schaatsers ‘s avonds verwacht in een huis in Wassenaar, dat dienst deed als kantoor van de Amerikaanse proforganisatie. Temidden van de kassa-opbrengst van dat weekend, die in grote plastic tassen op de grond stond, werden de schaatsers in de uiterst spaarzaam gemeubileerde kamer uitbetaald. Dat gebeurde niet contant, maar door middel van een cheque. Natuurlijk was Ard Schenk de eerste die zijn cheque in ontvangst mocht nemen. Daarna volgden de anderen. Valentijn was een van de laatsten.

Een paar dagen later, toen Ned Neely al lang en breed weer in Amerika zat, ging Valentijn met zijn cheque naar de bank. Na enig oponthoud kwam de bankdirecteur, die hem verzocht even mee te lopen. De cheque bleek ongedekt.

Toen de jonge schaatser daarna met bange vermoedens naar de Datsun-dealer ging voor de door Neely toegezegde auto, kwam die met een vergelijkbaar verhaal. Nadat – op aandringen van Valentijn – ook de andere schaatsers hadden geprobeerd om hun cheque te innen, bleek uiteindelijk het grootschalige bedrog van de Amerikanen. De schaatsers konden naar hun geld fluiten.

Valentijn was nauwelijks twee weken prof geweest en had in die periode slechts één wedstrijd gereden, toen hij zich met hangende pootjes weer aanmeldde bij de KNSB. Hij wilde weer schaatsen, al wist hij natuurlijk heel goed dat hem eerst nog een fikse straf wachtte. Terwijl Valentijn in afwachting was van het moment dat de schaatsbond hem toe zou staan om opnieuw aan wedstrijden deel te nemen hield hij zijn conditie op peil bij de atletiekvereniging van zijn KNSB-conditietrainer Henk Gemser.

Uiteindelijk viel het oordeel van de schaatsbond tamelijk mild uit. Eind 1973 kreeg hij te horen dat hij weer zou mogen deelnemen aan nationale wedstrijden, zij het dat het Nederlands kampioenschap van dat seizoen voor hem nog taboe zou zijn. Buitenlandse wedstrijden zaten er echter nog lang niet in, want de schorsing van de Internationale Schaats Unie liep gewoon door.

Na twee lange jaren zonder internationale toernooien keek Valentijn reikhalzend uit naar het ISU-congres van juni 1975 in München. De KNSB zou hier een voorstel indienen dat ertoe zou moeten leiden dat de Nederlandse sprinter ook door de ISU weer in genade zou worden aangenomen. De vaderlandse delegatie was absoluut niet gerust op de uitslag, want in de wandelgangen had men nogal wat tegenstand gehoord.

Tijdens het congres zelf dreigde nog een ander gevaar. Noorwegen wilde plotseling het Nederlandse voorstel, dat uitsluitend Jos Valentijn betrof, uitbreiden tot een generaal pardon voor alle voormalige profschaatsers. Nederland betoogde nu juist dat deze zaak niet kon worden vergeleken met die van de andere profschaatsers en een eigen behandeling vergde. Valentijn immers reed slechts één wedstrijd als prof, distantieerde zich direct van de opvolger van de ISSL, had de KNSB terugbetaald en was – na een wachttijd van een jaar – weer begonnen aan een comeback bij de amateurs op nationaal niveau.

Blijkbaar was het Nederlandse standpunt overtuigend, want uiteindelijk werden beide voorstellen apart behandeld en was Valentijn de enige van de profschaatsers die volledig in zijn amateurrechten werd hersteld. De omschrijving in het ISU-protocol (‘Jos Valentijn is menselijk gezien een tragisch geval, want men heeft hier een uit een zeer eenvoudig milieu komende jongen met beloften gelokt die niet konden worden gehouden’) was weliswaar wat onbeholpen, maar daar werd niet lang bij stilgestaan. Neerlands beste sprinter kon zijn internationale schaatscarrière weer oppakken en daar ging het om.

Winterspelen

Met hernieuwd elan begon Jos Valentijn aan het seizoen 1975-1976. Toch was het voor hem geen seizoen als voor de andere sprinters. Want ook al mocht hij dan weer meedoen aan internationale wedstrijden en aan het wereldkampioenschap, het Internationaal Olympisch Comité kende zo zijn eigen regels en die waren zeer streng waar het ging om (ex-)professionals. Dat bleek wederom toen het IOC, ondanks de gezamenlijke inspanningen van de KNSB en het Nederlands Olympisch Comité, afwijzend reageerde op het verzoek om de 23-jarige sprinter de gelegenheid te geven tijdens de Winterspelen van 1976 aan de start te komen. Na de Olympische Spelen van Sapporo zou Valentijn dus ook die van Innsbruck missen.

Uiteraard was Valentijn teleurgesteld door dit besluit, maar het maakte hem wel extra gretig voor het wereldkampioenschap, dat enkele weken na de Olympische Spelen zou plaatsvinden in Berlijn. Daar wilde hij koste wat kost bewijzen dat hij in Oostenrijk een olympische medaille had kunnen pakken. Tot op het bot gemotiveerd verscheen Jos Valentijn aan de start. Hij was meteen een van de grote kanshebbers voor de titel.

De eerste wedstrijddag verliep voor de Nederlandse favoriet echter bepaald niet vlekkeloos. Zijn 500 meter kenmerkte zich door nogal wat slordigheden, hoewel zijn eindtijd nog alle kansen op een mooi toernooi bood. Op de 1000 meter, in het met veel spanning tegemoet geziene duel met de kersverse olympisch kampioen Peter Mueller, vergaloppeerde Valentijn zich echter terdege. De riskante kruising in de laatste ronde, toen hij een hoger tempo ontwikkelde maar verzuimde zijn uit de buitenbocht komende tegenstander voorrang te geven, leek zijn diskwalificatie te betekenen. Maar tot grote opluchting van het Nederlandse kamp gaf de Noorse scheidsrechter Poulsen, ingefluisterd door Hennie Roos, te kennen dat hij geen onregelmatigheden had waargenomen omdat hij zich aan de andere kant van de baan bevond. Toch bekende Leen Pfrommer later: ‘Ik had niks kunnen doen als Jos toen gediskwalificeerd was. Hij raakte de schaats van Mueller. We hebben gewoon geluk gehad.’

De tweede dag begon beter. Valentijn reed een keurige 500 meter en met nog één afstand te gaan stond hij eerste in het tussenklassement. Zijn naaste concurrent Dan Immerfall zou op de laatste 1000 meter 0.58 seconden op de Nederlander goed moeten maken en dat terwijl Valentijn altijd veel betere duizend meters reed dan de Amerikaan. De wereldtitel sprint, de eerste voor een Nederlander, zou Valentijn niet meer kunnen ontgaan.

Toen kwam de laatste afstand. Jos Valentijn had geloot tegen de Canadees Gaetan Boucher. Bij de eerste keer starten was Valentijn te vroeg weg. Valse start. ‘Ach, dat doe je als schaatser soms bewust, om even een bepaald gevoel in je benen te krijgen,’ was later zijn commentaar. Toch had hij toen reeds op zijn tellen moeten passen. Dat vond coach Leen Pfrommer ook, getuige diens waarschuwing: ‘Jos, de starter let op je linkerbeen. Pas op.’

Maar even later maakte Valentijn weer dezelfde fout.

Starter Paul Hönig, die in Inzell een uitstekende reputatie genoot en door Pfrommer zelfs als de beste starter ter wereld werd beschouwd, attendeerde hem op het risico door te zeggen: ‘Jos‚ dit was de tweede keer. Wees voorzichtig.’

Ook de nerveus geworden Leen Pfrommer riep zijn grote troef toe: ‘Je hebt zoveel routine. Blijf nou staan.’

Maar het onvoorstelbare gebeurde. Even later ging Jos Valentijn voor de derde keer in de fout. Drie valse starts. Diskwalificatie. Weg wereldtitel.

‘Voordat er geschoten werd ging mijn been automatisch omhoog,’ waren Valentijns bedremmelde woorden, toen hem na afloop om commentaar werd gevraagd. ‘Dat mij zoiets nou moet overkomen. Terwijl ik zoveel ervaring heb. Daar kan ik gewoon niet bij. Ik was er echt van overtuigd dat ik kampioen kon worden. En dan gebeurt dit…’

Het incident maakte Jos Valentijn op slag tot de grote schlemiel van de Nederlandse schaatssport.

In 1977 werd het wereldkampioenschap sprint gehouden in Alkmaar. Jos Valentijn streed tot en met de laatste afstand mee om de medailles. Na een verprutste laatste 1000 meter, waarop hij slechts twaalfde werd, bleef hij echter steken op de vierde plaats, slechts 0,015 punt achter de Rus Jevgeni Koelikov.

Ook in 1978 behoorde Valentijn tot de kanshebbers. Weer lukte het niet. Uiteindelijk won de ongenaakbare Eric Heiden goud, zilver was er voor Frode Rønning en de bronze medaille ging naar Johan Granath. Valentijn werd wederom vierde.

IOC

Inmiddels was Henk Gemser in de zomer van 1976 aangetreden als de nieuwe bondscoach van de Nederlandse sprinters. Het was ook Gemser, een toonbeeld van betrokkenheid en innerlijke beschaving, die vond dat nog één keer moest worden getracht om het IOC te vermurwen en Valentijn op olympisch niveau weer startgerechtigd te krijgen.

Hoe dat afliep, staat in het boek Slagen op het ijs, schaatsherinneringen, verschenen bij K.J. Bos Uitgeefprojecten, Amsterdam, 2000, hoofdredactie Bram Buruma. Het hierna volgende citaat is het persoonlijke relaas van Henk Gemser.

‘Toen Jos Valentijn na zijn schorsing weer het ijs op mocht, lag daar alleen nog die schorsing van het IOC. En die was levenslang. Jos zou nooit de Olympische Spelen meemaken. Twee jaar lang heb ik hemel en aarde bewogen om die ban op te heffen. En eindelijk, bij het WK sprint van 1978 in Lake Placid leek het te lukken. De voorzitter van de KNSB (in die periode Herman van Laer, B.R.) zou praten met Avery Brundage, de voorzitter van het IOC (Hier moet Gemser zich vergissen. Avery Brundage was in 1972 afgetreden als voorzitter en in 1975 overleden. Waarschijnlijk wordt bedoeld Lord Killanin, B.R.).

Een dag later kwam hij mij vertellen dat Jos geschorst zou blijven. Het gesprek had niets opgeleverd. Ik was kapot. Journalisten vroegen me wat er aan de hand was. Ik vertelde het verhaal. En zij begrepen er niets van. Want Brundage (Lord Killanin) was vanwege het slechte weer gestrand in New York en nooit in Lake Placid aangekomen. Dat gesprek was er dus helemaal niet geweest. Toen ik dat hoorde, kreeg ik een waas voor mijn ogen. Ik ben buiten mezelf getreden. Ik rende naar het toilet, sloeg de deur dicht en rukte uit pure razernij de toiletpot uit de vloer. Die heb ik daarna over de klapdeurtjes op de wastafel en tegen de spiegel gegooid. Kortom, ik heb de hele boel verbouwd. Ze moesten zelfs de hoofdwaterleiding afsluiten. Uiteindelijk kwam ik te laat voor de prijsuitreiking. Daarvoor heb ik Eric Heiden nog mijn excuses aangeboden. Maar toen ik het verhaal vertelde, begreep hij me. Later ben ik naar Jos gegaan. Een vreselijk moment. Normaal was het één stuk dynamiet. Nu was hij stil. Misschien ook omdat hij hoorde wat ik aangericht had. Maar onze relatie bestaat nog steeds. Die gaat nooit meer over.’

Daarna raakte de loopbaan van Valentijn in een neerwaartse spiraal. Zijn motivatie werd minder en hij zette niet meer alles voor het schaatsen opzij. In 1979 werd hij nog vijfde bij het nationaal kampioenschap, bij de NK van 1980 viel hij uit op de laatste 1000 meter. Zo eindigde de schaatscarrière van een van de talentvolste sprinters die ons land heeft gekend. Met drie Nederlandse sprinttitels en een tweede plek op het wereldkampioenschap, maar zonder een aansprekende internationale titel en zonder olympische deelnames. Zijn echtgenote, de Friese sprintster Haitske Pijlman, haalde de Olympische Spelen wel. Zij werd in 1980 15e op de 500 meter en 14e op de 1000 meter.

Jos Valentijn is nu (sport)fysiotherapeut en heeft een eigen praktijk in Heerenveen. Hij is nog steeds betrokken bij de schaatssport. Zo was hij enige jaren lid van de commissie topsport langebaan van de KNSB. Tegenwoordig maakt hij deel uit van de Raad van Commissarissen van IJsstadion Thialf.

Advertentie

Bestel bij Bol.com