Olympisch kampioene Ans Schut leerde schaatsen op het ijs van Paleis Het Loo
De Olympische Winterspelen van 1968 waren de doorbraak van de Nederlandse langebaanschaatsers. Dat gold ook voor Ans Schut uit Apeldoorn, die op 80-jarige leeftijd is overleden.
Ans Schut op de Olympische Winterspelen van 1968. Foto Ron Kroon via het Nationaal Archief
De eerste keer dat de naam van Ans Schut verscheen bij het schaatsnieuws was begin 1964. Tijdens nationale wedstrijden in Deventer won ze zowel de 500 als 1000 meter.
Ze krabbelde voor het eerst op de vijver van het paleis
Paleisijs
Het was geen toeval dat ze in Overijsel werd opgemerkt, omdat ze zelf uit Apeldoorn kwam. De ijsbaan was toen gloednieuw, uit 1962, als tweede van het land. De eerste was de Jaap Edenbaan in Amsterdam.
Als klein meisje stond Schut in de koude winters al op het ijs, waarbij haar buurman Wim ten Hoven meteen zag dat ze een talent was. Hij had er dan ook oog voor als voormalig wielrenner en schaatser. “Ze krabbelde voor het eerst op de vijver van het paleis, waar het machtig schaatsen is. Ans was niet van het ijs te slaan.”
Ten Hoven gaf haar naam door aan Ab Steneker van de Apeldoornse en Deventer IJsclub en tevens trainer van de oostelijke damesselectie. “Ik zag haar in 1963 voor het eerst schaatsen. Door het kleine aantal deelnemers viel zij onmiddellijk in de prijzen. Ik zag toen wel wat in haar en heb haar geadviseerd door te gaan.”
Met succes, aldus Steneker. “Ze is een van de trouwste leden op de training. Nooit afwezig, werkt hard, ook buiten de normale trainingen om.”
Pech
In die tijd had de KNSB amper aandacht voor het langebaanschaatsen bij vrouwen. Er was geen enkele visie om hier vooruitgang op te boeken. Willy de Beer deed in 1964 weliswaar als eerste Nederlandse vrouw mee aan het langebaanschaatsen op de Olympische Winterspelen, maar kreeg vooral tegenstand van de schaatsbestuurders, aldus De Beer in een gesprek vorige maand. “Gaan jullie maar kunstrijden, zeiden ze. Dat is voor meisjes.”
De bond verzon zelfs regels om uitzending van vrouwen naar de Winterspelen te voorkomen. Rie Meijer wilde in 1960 desnoods op eigen kosten meedoen, maar dat werd geblokkeerd. “Zover waren ze nog niet,” merkte De Beer op over de bestuurders.
Toch meldde zich een zeer ambitieuze en succesvolle generatie, ook nog met Stien Kaiser, Carry Geijssen en Atje Keulen-Deelstra. Van Schut werd verwacht dat zij tot de beste zou behoren, maar daarvoor had ze net iets te veel pech met valpartijen op beslissende momenten.

Ans Schut in 1969 in Heerenveen. Foto Jac. de Nijs via het Nationaal Archief
Grenoble
Op de Winterspelen van 1968 ging het allemaal wél goed met een olympische titel op de 3000 meter. Een dag eerder had Geijssen als eerste Nederlandse langebaanschaatser een gouden olympische medaille gewonnen, waar Schut dus een mooi vervolg aan gaf.
Kort daarna had Schut geen zin meer in al die opofferingen voor de topsport. Ze was getrouwd met Jacques Boekema en had ook nog een nieuw huis gekocht.
In de zomer van 1971 schreef ze daarom een brief aan de bond dat ze er per onmiddellijk mee ophield. ‘Een bericht, dat bij de KNSB als een bom insloeg,’ aldus de Leeuwarder Courant.
’Reeds twee maanden was de damesselectie bezig met de conditietraining en men had er bij de KNSB min of meer op gerekend dat Ans Boekema-Schut zich in alle hevigheid zou gaan voorbereiden op de Olympische Winterspelen, die in 1972 in het Japanse Sapporo gehouden zullen worden. Maar Ans heeft er helemaal geen behoefte meer aan dagelijks twee uur te trainen. Ook al gaat het om evenementen waar de nodige roem vergaard kan worden, het deert de Apeldoornse niet meer. Ze is het beu nog langer topsport te bedrijven.’


