Home > Balsporten > Hockey > Overleden sporters in 2013
Gerrie Mühren in 1964
HockeySchaatsenVoetbal

Overleden sporters in 2013

Dit jaar overleden er ook in de sportwereld weer talloze toonaangevende mensen

Schaatsen

Atje Keulen-Deelstra was één van de populairste schaatsers in de periode van Ard en Keesie. Zij overleed op 22 februari op 74-jarige leeftijd. Oorspronkelijk geboren als Atje Deelstra dook haar naam al in 1954 op in de Friese kranten: ‘Meisjeskampioene van Friesland is Atje Deelstra te Grouw’. De verslaggever loofde haar optreden bij de kortebaanwedstrijden: ‘Atje Deelstra is een krachtfiguurtje dat stevig in de baan ligt.’ Na haar huwelijk met Jelle Keulen in maart 1962 zou ze ook buiten die regio beroemd worden.

Nationale successen bleven overigens nog wel even uit, omdat zij volgens de mannelijke bestuurders van de KNSB te oud was om topschaatser te worden. Daarbij was ze moeder van drie kinderen en diende zich dus met haar gezin bezig te houden. Door de opening van een kunstijsbaan in Heerenveen in 1966 kreeg de Friezin een uitstekende trainingsfaciliteit vlak bij huis. Hierdoor was ze in staat de overstap te maken naar de lange baan.

In 1968 kwamen de keuzeheren van de bond bij Atje op de koffie. Zo konden ze zich meteen op de hoogte stellen van de familiesituatie. De kinderen bleken niet hongerig achter te blijven tijdens de wedstrijden van hun moeder. Integendeel: de hele familie, dus inclusief mijnheer Keulen-Deelstra, stond achter haar schaatscarrière. En als troost: ‘Zij is bovendien een zeer goede huisvrouw. Zo naait zij zelf alle kleren voor de kinderen.’

In 1970 begon dan eindelijk de zegereeks van Keulen-Deelstra, met een nationaal kampioenschap en een wereldtitel. Toen ze 42 jaar was werd ze nog zelfs Nederlands kampioen op de marathon.

Met haar succes en aanpak vervulde zij een belangrijke rol voor de vrouwenemancipatie in ons land, en werd als vliegende huisvrouw vergeleken met Fanny Blankers-Koen. Zelf was ze hier overigens niet zo mee bezig. Legendarisch werd Atje met de uitspraak dat ze misschien wel geëmancipeerd was, maar dat woord zelf alleen niet kende.

De Noorse schaatser Hjalmar Andersen, overleden op 27 maart op 90-jarige leeftijd,won drie gouden medailles op de Olympische Winterspelen van 1952. Hij was één van de grootste Noorse sporters aller tijden.

Andersen nam deel aan drie verschillende Winterspelen (1948, 1952 en 1956). Bij zijn olympisch debuut in 1948 reed hij alleen de 10 kilometer, maar haalde de finish niet vanwege extreem slechte weersomstandigheden. Vier jaar later won hij op de Spelen van Oslo de 1500, 5000 en 10.000 meter, steeds voor een Nederlander: tweemaal Kees Broekman en eenmaal Wim van der Voort. Zijn voorsprong van 24,8 seconden op Broekman is nog altijd de grootste in de olympische schaatshistorie.

Andersen werd ook driemaal Wereld- en Europees kampioen.

Voetbal

‘Mister Vitesse’ Theo Bos overleed op 28 februari en werd slechts 47 jaar oud. Hij overleed aan de gevolgen van alvleesklierkanker. Journalist Marcel van Roosmalen volgde Bos tijdens zijn ziekte en schreef hierover het boek Het is zoals het is.

Bos speelde als verdediger zijn gehele carrière voor Vitesse. In totaal speelde Bos 369 competitiewedstrijden, waarin hij negen keer scoorde. Na zijn spelersloopbaan werd hij jeugdtrainer bij Vitesse. In 2005 verliet Bos die club en ging hij bij FC Den Bosch als hoofdtrainer aan de slag. Ook was hij later korte tijd bondscoach van Polen en hoofdtrainer van FC Dordrecht.

Jan Zwartkruis was tussen 1976 en 1981 trainer van het Nederlands elftal. Hij was van 1962 tot en met 1981 ook bondscoach van het militaire elftal. Dat team fungeerde in die jaren als kweekvijver van het grote Oranje. Topinternationals als Jan van Beveren, Jan Mulder, Henk Houwaart, Willy van der Kuylen, Rob Rensenbrink en Barry Hulshoff zijn er uit afkomstig. Als jonge voetballer van de Amersfoortse profclub HVC speelde Zwartkruis zelf nog samen met Joop van Basten, de vader van Marco.

Als assistent van de Oostenrijker Ernst Happel leidde Zwartkruis Oranje in 1978 naar de WK-finale in en tegen Argentinië. Die finale verloor Nederland in Buenos Aires met 3-1. Lang na het WK in Argentinië bleek dat Happel en Zwartkruis elkaar niet konden uitstaan. De zachtaardige Zwartkruis kon slecht tegen de norse houding van Happel.

In zijn in 2008 uitgebrachte memoires zegt Zwartkruis: ‘Het hele toernooi was een horror. Ik werd van alle kanten tegengewerkt, en met Ernst Happel viel niet samen te werken. Hij was een hork.’

De Duitse Bert Trautmann had al een heel leven achter zich, voordat hij in november 1949 zijn debuut maakte als keeper voor Manchester City. De op 19 juli op 89-jarige leeftijd overleden Duitser groeide op als kritiekloos volger van het naziregime, en via de Hitlerjugend kwam hij bij de paratroepen terecht. Hij begon zijn actieve militaire loopbaan aan het Oostfront. Hij werd krijgsgevangen gemaakt door de Russen, maar wist te ontsnappen.

Na enige omzwervingen in de chaos van het eind van de oorlog, werd hij in de Ardennen door de Britten opgepakt. Die verscheepten hem samen met enkele duizenden lotgenoten naar Engeland, alwaar hij terechtkwam in een krijgsgevangenenkamp in de buurt van Manchester. Er werden in de kampen voetbalwedstrijden georganiseerd en Trautmann bleek een getalenteerd keeper. Na zijn vrijlating uit het kamp besloot Trautmann in Engeland te blijven. Na een kort verblijf bij het voetbalteam van St. Helens Town tekende hij in oktober 1949 een profcontract bij City.

Tussen 1949 en 1964 speelde Trautmann 545 wedstrijden voor City. De meest legendarische was de (door City met 3-1 gewonnen) FA Cupfinale tegen Birmingham City in 1956. Een kwartier voor tijd kwam hij keihard in botsing met een tegenspeler. De Duitse keeper was behoorlijk duizelig en even flink van het padje. De verzorger duwde een portie vlugzout onder zijn neus en hierna speelde Trautmann, alsof er niets aan de hand was, gewoon weer verder.

Hij had wel stevige hoofdpijn. Na afloop van de wedstrijd mocht hij niet direct weg, want er wachtte hem nog een prijsuitreiking, traditioneel verricht door de Koningin. Zijn gang naar de Koninklijke Loge na afloop was een helletocht. Vooral de talloze goedbedoelde schouderklopjes van enthousiaste supporters deden zijn nek geen goed. Maar hij bleef uiterlijk onbewogen. Toen Koningin Elizabeth hem zijn medaille omhing en vroeg hoe het nu ging, zei hij enkel: ‘I’ll be fine Ma’am, thank you.’

Drie dagen na de finale was de pijn echter ondraaglijk en bleek in het ziekenhuis dat zijn nek was gebroken. Trautmann herstelde uiteindelijk volledig.

Fysiotherapeut Dick van Toorn had wellicht al veel eerder gezien wat er aan de hand was met Trautmann. Van Toorn werd in 2010 wereldnieuws, toen hij er met zijn onorthodoxe aanpak voor zorgde dat de zwaar geblesseerde voetballer Arjen Robben speelklaar was voor het WK in Zuid-Afrika. Van Toorn nam ook Johan Cruijff, Ronald Koeman en Rafael van der Vaart onder handen. Hij overleed op 30 juli en werd 81 jaar oud.

Gerrie Mühren blies op 19 september, op 67-jarige leeftijd, zijn laatste adem uit. De technisch hoogbegaafde middenvelder maakte bij FC Volendam zijn debuut in het profvoetbal. Na vijf seizoenen stapte hij over naar Ajax. In het seizoen 1969/1970 veroverde Mühren zijn eerste landstitel en werd hij voor hij Oranje geselecteerd.

Mühren maakte deel uit van het gouden Ajax van begin jaren ’70. De club won toen driemaal op rij de Europa Cup I en één keer de Wereldbeker. Na acht jaar Ajax vertrok Mühren naar Real Betis Sevilla. Hij werd direct uitgeroepen tot Spaans voetballer van het jaar. Hij sloot zijn carrière uiteindelijk af bij FC Volendam.

In 1973 werd Mühren wereldberoemd tijdens een Europa Cup 1-wedstrijd tegen Real Madrid. Ruim 110.000 toeschouwers zagen in het stadion Santiago Bernabéu hoe hij tijdens een aanval achteloos een balletje hoog begon te houden.

Joop Eversteijn, overleden op 2 november op 92-jarige leeftijd, werd in 1942 en 1943 met zijn club ADO kampioen van Nederland. Een unieke prestatie, want in die zeventig jaar daarna is het geen enkele Nederlandse voetbalclub buiten de traditionele Top Drie meer gelukt om twee keer achter elkaar landskampioen te worden. Clubs als AZ, Twente, Sparta, Willem II en Limburgia zijn er wel eens in geslaagd om eenmalig de hegemonie van Ajax, Feyenoord en PSV te doorbreken, maar ADO deed dat als enige in zeventig jaar dus vaker.

Helaas heeft ADO de naam gekregen een NSB-club te zijn geweest – volkomen onterecht. De club kreeg die reputatie omdat spits Gerrit Vreken (die op 28 februari overleed) lid van de NSB was. Frits Barend en Henk van Dorp schreven in 1979 in Vrij Nederland over hem: ‘Ik ben sympathiserend lid van de NSB geworden omdat ik in die tijd iets voor ze voelde en het laf vond om er dan niet voor uit te komen. Die vele werklozen hadden mij toch tot de conclusie gebracht: er is iets niet goed in Nederland.’

Hierdoor kreeg ADO de reputatie een NSB-club te zijn geweest. Daarbij wordt dan nooit de vraag gesteld of deze club zich inderdaad wezenlijk heeft onderscheiden van de Nederlandse samenleving in oorlogstijd in het algemeen, en van het nationale voetbal in het bijzonder.

ADO-spelers en betrokkenen uit die tijd moeten zich door dergelijk gebrek aan onderzoek altijd maar weer verdedigen tegenover onterechte beschuldigingen.

De Engelsman Bill Foulkes speelde zijn hele profcarrière, tussen 1952 en 1970, voor Manchester United. Hij droeg het shirt van de Mancunians in 688 officiële wedstrijden. Alleen Ryan Giggs, Sir Bobby Charlton en Paul Scholes gaan hem voor op de eeuwige ranglijst van de club.

Foulkes maakte in de jaren ’50 deel uit van de Busby Babes, spelers die vanuit de jeugdopleiding van Manchester United doorgroeiden naar de eerste ploeg en onder leiding van teammanager Matt Busby vele prijzen wonnen.

Aan dat succes kwam op 6 februari 1958 abrupt een einde. Toen stortte een vliegtuig met aan boord de spelers van Manchester United op de luchthaven van München tijdens het opstijgen neer. Bij de crash kwamen 20 van de 44 inzittenden om het leven en drie anderen stierven later aan hun verwondingen. In een klap verloor Manchester United acht spelers en drie leden van de technische staf.

Bill Foulkes overleefde het ongeval, net als onder meer Bobby Charlton. De ex-verdediger liep slechts een lichte hoofdwond op. Foulkes speelde één interland voor Engeland, maar zat niet in de selectie die in 1966 wereldkampioen werd. Hij overleed op 25 november en werd 81 jaar oud.

Hockey

Hans Schnitger, de voormalige speler van het Enschedese PW, was de oudste nog levende olympiër van ons land. Hij overleed op 2 februari en werd 97 jaar oud. Schnitger kwam in actie tijdens de Spelen van 1936 in Berlijn, waar hij met de hockeyploeg een brons won.

Het nationale team reisde in 1936 hoopvol af naar Berlijn. In nazi-Duitsland was India echter oppermachtig. Het land versloeg de gastheer in de finale met 8-1. Het Nederlandse team was eerder al in de halve finale met 3-0 verslagen door de oosterburen, maar kon in de kleine finale toch nog het brons pakken.

Tijdens de Spelen van 1968 en 1972 liep Schnitger opnieuw op de Olympsiche Zomerspelen rond, ditmaal als chef d’equipe van de Nederlandse hockeyteams. In 1973 legde hij zijn werk voor de hockeybond neer. Hij werd al snel benoemd tot lid van verdienste.

René Sparenberg zat ook in het Nederlandse hockeyteam dat deelnam aan de Spelen in 1936. Hij overleed op 1 juli en werd 91 jaar oud. Sparrenburg speelde bij de Hilversumsche Mixed Hockey Club. Tijdens de Tweede Wereldoorlog zat hij in een Jappenkamp.

In dagblad Trouw zei hij eerder hierover: ‘Wij werden destijds krijgsgevangen gemaakt door Japanse gevechtstroepen, voor de permanente bewaking werden Koreanen ingezet. Het wrange daarvan was dat die nog wreder waren dan de Japanners, hun overheersers voor wie ze een heilig ontzag hadden.’

Det de Beus overleed op 21 juli op 55-jarige leeftijd. Zij keepte haar hele loopbaan bij het Eindhovense EMHC en kwam 105 keer uit voor Oranje. Met het Nederlands Elftal werd ze drie keer wereldkampioen (1978, 1979, 1986), won ze olympisch goud (1984) en brons (1988) en pakte ze ook nog twee Europese titels en een Champions Trophy. De Beus werd tijdens haar carrière gezien als de beste keeper ter wereld.

De Beus beschermde met haar 1.80 meter en atletische figuur alle hoeken van het hockeydoel. Op de website van EHMC wordt ze omschreven als: ‘Lenig als een aal, ellenlange benen, een grote sprongkracht, goed balgevoel, geen angst, de wil om altijd te winnen, een prachtige reflex en een zeer solide basistechniek.’

De goalie gaf daarbij de voorkeur aan goede bewegingsvrijheid en vertikte het om zich helemaal in te pakken met lichaamsbescherming. Veel liever droeg ze makkelijk zittende en luchtige kledij.

Op haar zeventiende werd De Beus getroffen door de ziekte van Hodgkin. Ze wist te genezen, maar de bestraling die daarvoor nodig was geweest liet in de jaren die volgden zijn sporen na. Meerdere keren in haar leven kampte ze daarna met gezondheidsproblemen, die ze mede dankzij haar topsportmentaliteit wist te overwinnen.

Paardenkrachten

Bob de Jong was in de jaren ’60 en ’70 actief als rallycoureur en had in die hoedanigheid heel wat Pk’s onder zijn hoede. In 1965 was hij de eerste Nederlandse kampioen in de rallysport. In totaal won De Jong vijfmaal de nationale titel en deed hij zeven keer mee aan het wereldkampioenschap.

Na zijn sportcarrière werd De Jong journalist. Hij werkte onder meer bij het blad Autovisie en bij het radioprogramma Langs de Lijn, waarvoor hij de Formule 1 versloeg. In 1976 ging hij aan de slag bij televisiezender Veronica. Begin jaren ´80 ging hij het door hem en Rob Out bedachte televisieprogramma De Heilige Koe presenteren. Ook was hij betrokken bij het sportprogramma Veronica Sport, waarvoor hij commentaar verzorgde bij motorsport.

De Jong overleed op 10 oktober. Hij werd 71 jaar oud.

Dressuurruiter Anky van Grunsven won met haar bruine Oldenburger ruin Bonfire talloze prijzen. Samen werden ze negen keer Nederlands kampioen en veroverden ze meerdere keren goud en zilver op diverse EK’s en WK’s. De wereldbeker werd 5 keer in de prijzenkast bijgezet. De viervoeter sliep op 28 oktober op 30-jarige leeftijd in.

Op de Olympische Spelen van 1992 werd de combinatie vierde, vier jaar later in Atlanta werd er zilver gewonnen. Op de Spelen van 2000 in het Australische Sydney bekroonden en beëindigden de Brabantse amazone en Bonfire hun succesvolle samenwerking met goud.

Bonfire nam in 2002, tijdens Indoor Brabant, officieel afscheid van het Nederlandse publiek. Een bijzonder geëmotioneerde Van Grunsven zei bij deze gelegenheid: ‘Ik geloof dat ik het grootste geluk van de wereld heb mogen meemaken om een paard als Bonfire te hebben. Die voor mij door het vuur is gegaan, tien jaar lang het beste heeft gedaan wat hij kon.’

In Erp staat een standbeeld van Bonfire, dat werd genaakt door beeldhouwer Toon Grassens. Na het goud in Australië mocht Bonfire genieten van zijn oude dag en ging Van Grunsven verder met Salinero. Daarmee won ze in 2004 en 2008 olympisch goud.

Bonfire was het paard waarmee Van Grunsven grenzen verlegde. ‘Zij koppelden gratie en lichtvoetigheid aan ongedwongenheid, waardoor het leek alsof ze samen een gepassioneerde tango dansten die geen van beiden enige moeite kostte. Hippisch Nederland is Bonfire ongelooflijk veel dank verschuldigd’, aldus de website van de Koninklijke Nederlandse Hippische Sportfederatie.

Micha Peters
Bedenker en beheerder van Sportgeschiedenis.nl. Journalist en (sport)historicus.