NieuwSchaatsen

Sven Kramer: de heerser met zachte hand

Aan het einde van het schaatsseizoen kijken we naar Sven Kramer. Welke positie heeft hij in de schaatsgeschiedenis: de allergrootste of toch niet?

Foto via Wikipedia 

Door Ricus van der Kwast

Het is bijna zover. Nog wat wereldbekeren in Salt Lake City en dan kunnen de ijzers weer het vet in. Maar het wereldkampioenschap allround, afgelopen weekend in Calgary verreden, vormde natuurlijk al het echte slotakkoord van het schaatsseizoen 2018/19.

Bij de heren zal dit seizoen de boeken in gaan als het seizoen waarin Sven Kramer op de WK afstanden de heerschappij over zijn 5000 meter verloor aan Sverre Lunde Pedersen en waarin Patrick Roest definitief zijn naam vestigde als allroundkampioen. Niet als het seizoen waarin Kramer zijn tiende Europese titel won.

Zo goed als vorig seizoen in de herinnering blijft als het seizoen waarin Kramer weer geen olympisch goud op de tien kilometer won, zijn tiende wereldtitel allround misliep, en niet als het seizoen waarin hij voor de derde achtereenvolgende maal olympisch kampioen op de 5000 meter werd. De publieke opinie kan keihard zijn.

De beste

Aan het einde van elk schaatsseizoen laait gewoonlijk de discussie over de beste allrounder aller tijden weer op. Als ik Kramer was, zou ik daar gek van worden.

Hij heeft negen wereldtitels en tien Europese titels op zijn naam. De meest succesvolle allrounder na hem is op eerbiedige afstand de Finse houwdegen Clas Thunberg. Thunberg veroverde in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw vijf wereldtitels en vier Europese titels. Met twee vingers in zijn neus zou Kramer zo’n hypothetische verkiezing moeten winnen. En toch zie je iedereen, ook wie daarvoor dertig jaar te laat geboren is, na elke nieuwe Kramer-titel denken: ‘Mooi, maar toch geen Ard-en-Keessie’. Om gek van te worden inderdaad: Schenk en Verkerk hebben met zijn tweeën nauwelijks de helft van het aantal titels van Kramer.

Toch knaagt er iets. Waarom straalt de allroundschaatser Kramer niet hetzelfde superioriteitsgevoel uit als een Sergej Boebka, de polsstokhoogspringer die zijn sport gedurende meer dan tien jaar beheerste, naar believen wereldrecords bijstelde, met een laatste record dat twintig jaar standhield? Zijn er misschien gegronde redenen om te twijfelen aan die suprematie van Kramer?

De schoonheid van getallen

Kijken naar groeiend gras. Het is een uitspraak die al bijna een halve eeuw bij tijd en wijle opduikt, uiteraard vanuit de hoek van de schaatshaters. Het leidt ertoe dat er dan weer gesproken wordt over het bijschaven van de spelregels, dat er gedreigd wordt met het einde van het allroundschaatsen zoals we dat kennen.

Vooral die ellendig lange tien kilometer moet het altijd ontgelden. Eigenaardig: het is alsof iemand mij vraagt hoe lang een wedstrijd darts, snooker of curling moet duren en dan nog serieus rekening gaat houden met mijn mening. Wie van hardrijden op de schaats houdt, moet openstaan voor de schoonheid van getallen, voor de poëzie van de honderdste van een seconde. Alleen met gevoel voor cijfers kun je de geleverde prestaties op waarde schatten. Wie esthetiek in de schaatsbewegingen zoekt, stemt af op kunstschaatsen.

Of de huidige schaatsverslaggevers veel ophebben met getallen, weet ik niet. Meestal lijken ze geselecteerd omwille van hun eigen schaatsverleden. Met die schat aan getallen die ze tot hun beschikking hebben doen ze verdomd weinig. ‘Ze pakken Pedersen in’, zo bejubelden Erik van Dijk en Martin Hersman afgelopen zaterdag nog de vijf kilometers van Roest en Kramer. Minder dan twee seconden voorsprong – dat noem ik geen inpakken.

Maar dankzij de verbeterde technieken zullen verslaggevers vandaag niet meer zo opzichtig uit de bocht vliegen als Heinze Bakker tijdens de olympische 5000 meter in 1988. Bakker, die vast een verdienstelijk potje kon schaatsen, schreef Tomas Gustafson al definitief af bij de bel van de laatste ronde, juist toen het meeschrijvers en meerekenaars duidelijk was dat hij aan het inlopen was op het schema van Leo Visser, op dat moment nog de snelste. Gustafson klopte Visser op de streep met vijfendertig honderdste van een seconde. Bakker begreep er helemaal niets van, bleef verbouwereerd achter en had zojuist de blunder van zijn loopbaan gemaakt.

Je zou willen dat schaatsverslaggevers iets minder hard konden rijden, maar beter konden rekenen. Het zou hun commentaar opfleuren, het zou de waardering van de sport ten goede komen.

De zaak-Kramer

Of Kramer al dan niet de beste allrounder aller tijden is, daar moeten de getallen zich over uitspreken. Wie het helemaal zonder rekenen af wil doen, kijkt naar de Oscar Mathisen-trofee, de jaarlijkse beloning voor degene met de beste schaatsprestaties. Sven Kramer wint de trofee twee maal, in 2007 en 2017. Twee aansprekende helden uit het verleden, Ard Schenk en Eric Heiden, hebben die trofee respectievelijk drie en vier maal gewonnen, en dat in een kortere schaatsloopbaan.  Maar op dit criterium valt natuurlijk van alles af te dingen. Het is veel objectiever om met wat simpele sommen de zaak-Kramer tegen het licht te houden. Je komt dan verrassend aardige dingen tegen.

Schaatsklassementen worden gerangschikt op puntentotaal. De tijd op elke afstand wordt teruggerekend naar een 500-metertijd en de vier scores worden bij elkaar opgeteld. Hoe lager de totaalscore, hoe beter dus.

Het puntenverschil waarmee de nummer twee verslagen wordt lijkt mij zo een zinnige graadmeter. Schenk won zijn drie wereldtitels in 1970, 1971 en 1972 met een gemiddelde voorsprong van 1,798 op nummer twee, 35,96 seconde op de 10.000 meter. Heiden deed daar bij zijn drie wereldtitels (1977, 1978, 1979) nog een schepje bovenop en kwam uit op 2,111 punten. Een schaatsvorst van recenter datum, Johann Olav Koss, werd ook drie keer wereldkampioen (1990, 1991 en 1994) en hield nummer twee gemiddeld op 1,448.

Kramer deed het bij zijn negen wereldtitels met een beduidend bescheidener marge, gemiddeld 0,634 punten. Ter vergelijking nog: tijdens de tien jaar voorafgaand aan de titels van Kramer bedroeg het gemiddeld verschil tussen nummers één en twee 0,822 punten. Eigenlijk won Kramer alleen zijn eerste twee wereldtitels (2007, 2008) met overmacht, respectievelijk 1,109 en 1,329 punten.

Die puntenscores laten nog iets zien. Het laagste puntentotaal bij een wereldkampioenschap in het Kramer-tijdperk (2007-2017) werd behaald door Ivan Skobrev. Skobrev won in 2011, een Kramerloos jaar, met een totaal van 146,230. Dat was in Calgary, zonder twijfel de snelste baan waarop een wereldkampioenschap verreden is. Ook Kramer is in Calgary wereldkampioen geworden, in 2015, maar met een score van 146,509.

Dit weekend waren we terug in Calgary. Patrick Roest reed er het beste puntentotaal ooit bij elkaar: 145.561. Kramer, derde in het eindklassement, kwam tot 146.962, goed beschouwd nauwelijks slechter dan bij zijn score uit 2015. Roest reed een dertien jaar oud record van Shani Davis uit de boeken. Davis won toen in Calgary zijn wereldtitel met een totaal van 145,742. En het is ook nog steeds Davis die de Adelskalender, de wereldranglijst aller tijden, aanvoert, al ziet Kramer hem op de hielen met een achterstand van 0,153.

Met zachte hand

Genoeg getallenvoer dus om het buikgevoel te voeden dat Kramer niet de Sergej Boebka van het allroundschaatsen is. De nummers twee tijdens zijn heerschappij, Jan Blokhuijsen, Jonathan Kuck, Håvard Bøkko, noem maar op, waren niet imposant genoeg. Kramer was op zijn beurt niet oppermachtig genoeg en heeft met te zachte hand geregeerd. Hoofdschuldige is zijn 1500 meter, ironischerwijs de enige afstand waarop hij de laatste twee jaar sterker is geworden. Maar vergeleken met die eerdere schaatshelden legt hij het af op de koningsafstand, die hij bijvoorbeeld tijdens een WK nooit wist te winnen.

Kramer doet me denken aan Ivar Ballangrud. Het schaatsen in het interbellum van de vorige eeuw werd geregeerd door de Fin Thunberg en de Noor Ballangrud. Ballangrud schreef in die periode vier wereldtitels en vier Europese titels op zijn naam. Samen waren ze goed voor negen wereldtitels en acht Europese titels. Ballangrud was een stayer en zijn sterkste afstand was zonder twijfel de 5000 meter, die hij tijdens een WK zeven keer wist te winnen, tijdens een EK vier keer en twee maal bij de Olympische Spelen. In zijn actieve jaren heeft Ballangrud bovendien nog eens drie wereld- en zeven Europese kampioenschappen links laten liggen.

Ballangrud onderhield evenals Kramer een moeizame verhouding met de olympische 10 kilometer. De eerste Olympische Winterspelen in 1924 kwamen voor hem net te vroeg. Hij beleefde zijn internationale vuurdoop een paar weken later. Op de wereldkampioenschappen van dat jaar rekende hij op de 10 kilometer al direct af met de heersende olympisch kampioen, de Fin Skuttnub. Bij de Spelen van St. Moritz in 1928 maakte de  ingetreden dooi tijdens de vijfde rit een einde aan de 10.000 meter: de wedstrijd werd in zijn geheel van het programma geschrapt. Weer vier jaar later, in Lake Placid, week men af van de normale spelregels en hanteerde men een massastart, tot groot ongenoegen van de Europeanen. Ballangrud kwam op de 10 kilometer vijf meter tekort voor goud, een halve seconde, en finishte als tweede.

Thunberg, elf jaar ouder dan Ballangrud, was een laatbloeier die zijn grootste schaatssuccessen als dertiger vierde. Hij was juist meer de man van de kortere afstanden, die puur op vechtlust de langere afstanden uitreed. De titanenstrijd tussen Ballangrud en Thunberg, het meest direct zichtbaar in 1928 en 1929, verliep volgens een vast stramien. Thunberg pakte zijn winst op de 500 en 1500 meter, Ballangrud moest zijn achterstand zien goed te maken op de twee langere afstanden. Clas Thunberg was zo voor Ivar Ballangrud wat Shani Davis voor Sven Kramer had kunnen zijn, als Davis de weg naar het allroundschaatsen niet was kwijtgeraakt.

Peking 2022

Sven Kramer: niet de beste allroundschaatser aller tijden misschien, maar meer een tussenpaus, zij het ééntje die ongelooflijk lang aan de macht was. En ook een kampioen van het kaliber-Ballangrud: je kunt met minder tevreden zijn.

Kramer kan intussen hoop putten uit de geschiedenis van die twee oude kampioenen van een kleine eeuw geleden. Thunberg zou pas op zijn tweeënveertigste stoppen met wedstrijdschaatsen, nadat hij drie jaar daarvoor nog overtuigend zijn laatste Europese titel had gewonnen. Ballangrud haalde uiteindelijk zijn gram. Bij zijn laatste Winterspelen in 1936 eiste hij alsnog de 10.000 meter voor zich op. Hij was bijna vierendertig toen hij in 1938 bovendien nog een wereldrecord vestigde op diezelfde 10.000 meter. Een jaar later maakte de Tweede Wereldoorlog een einde aan zijn verdere titelaspiraties.

Iets zegt me dat Kramer nog wel een tijdje door blijft schaatsen. Hij oogt ontspannener, sympathieker dan ooit. Hij hoeft niets meer te bewijzen en kan tegelijk nog van alles bewijzen. En Peking 2022 komt dichterbij. Die vermaledijde tien kilometer staat dan vast nog op het programma.