NieuwSchaatsen

Willy de Beer legde de basis voor het olympische succes van de Nederlandse schaatsvrouwen

Nederlandse vrouwen hebben in het verleden veel succes gehad bij het schaatsen op de Olympische Winterspelen. De naam van de pionier is alleen vergeten.

Willy de Beer in 1962, foto via het Nationaal Archief

In de voorspellingen voor de Winterspelen wordt rekening gehouden met wat gouden medailles voor de Nederlandse vrouwen bij het langebaanschaatsen. Zestig jaar geleden was de schaatsbond nog niet geïnteresseerd in dit thema.

Ik was de enige Nederlandse vrouw en hing er maar zo’n beetje bij

Frustrerend

Het publiek was al vertrokken en de ijsmachines leken al uitgezet. Zo zacht was het ijs in de voorlaatste rit van de olympische 3000 meter op de gloednieuwe kunstijsbaan van Innsbruck.

Voor Willy de Beer was het een frustrerend slot van wat een mooi markeringspunt in de Nederlandse schaatsgeschiedenis had moeten zijn: het optreden van de eerste Nederlandse hardrijdster bij de Olympische Winterspelen. Terwijl zij zich wanhopig door het boterzachte ijs worstelde, werd op het middenterrein al de cérémonie protocolaire voorbereid voor een unieke huldiging. Want nóch De Beer, nóch de rijdsters in het laatste paar hadden een schijn van kans om de oppermachtige Russin Lidia Skoblikova van haar vierde gouden medaille af te houden. Een “full house”, zoals dat nog nooit was voorgekomen, en zoals dat alleen door Eric Heiden in 1980 zou worden geëvenaard: het winnen van álle afstanden bij de Winterspelen.

Terwijl De Beer zich naar een tijd van 5.49,9 ploeterde, en daarmee vóórlaatste zou worden, zag ze Skoblikova zich al voorbereiden om haar vierde gouden medailles in ontvangst te gaan nemen. Onder de klanken van het Sovjet-volkslied trekt De Beer haar schaatsen uit en loopt geheel alleen en zwaar teleurgesteld naar de kleedkamers. “Nee, ik heb geen leuke herinneringen aan die eerste Winterspelen”, herinnert zij zich nu, 82 jaar oud. “Ik was de enige Nederlandse vrouw en hing er maar zo’n beetje bij. Moest alles in m’n eentje doen en voelde me doodongelukkig.”

Op 11 februari vertelt Willy de Beer over haar deelname aan de Olympische Spelen van 1964. Dat doet ze in het Olympisch Stadion tijdens een gezamenlijke bijeenkomst van de Sociëteit Olympisch Stadion en Stichting De Sportwereld.

Er zijn nog kaarten beschikbaar. Meer informatie staat hier.

Langebaanschaatsen was voor mannen

De Beer had haar uitzending naar de Spelen te danken aan haar goede prestaties bij het WK dat in 1963 in Japan werd verreden, het eerste WK waar in vier dagen zowel de vrouwen als de mannen om de wereldtitel streden. Dat ze daar heen mocht, liet al zien hoe serieus de KNSB het vrouwenschaatsen nam.

De nationale kampioene van dat seizoen, begin januari verreden op de steenkoude natuurijsbaan in Groningen, had geen moment gedacht dat ze als kampioen naar het WK zou mogen. De schaatsbond stuurde immers zelden of nooit een vrouw naar een WK.

Ja, kunstrijdsters, díe mochten wel. Sjoukje Dijkstra en Joan Haanappel hadden al laten zien dat ze tot de absolute wereldtop behoorden. En dus raadde de schaatsbond meisjes aan om de kunstrijschaatsen onder te binden.

Hardrijden voor vrouwen, zo vond de bond, was leuke folklore op de kortebaan in Friesland (140 meter voor vrouwen), maar het serieuze langebaanschaatsen was toch echt iets voor mannen. Vrouwen hadden dan wel sinds 1937 een eigen langebaan-WK, maar daar deden maar een paar landen aan mee. Bovendien waren de Russinnen overmachtig. Nederlandse vrouwen zouden daar geen enkele kans tegen maken.

Dat Rie Meyer in 1958 werd ingeschreven voor het WK in het Zweedse Kristinehamn, was eigenlijk niet de bedoeling geweest. Maar ja, ze was op eigen kosten met de mannenploeg meegegaan naar Scandinavië, dus dat startbewijs kreeg ze voor één keer in de schoot geworden. Dat Meyer uiteindelijk heel netjes dertiende werd in een veld van 26 vrouwen, bracht de bond niet op andere gedachten.

Willy de Beer had in 1963 ook een “incident” nodig om alsnog naar Japan te mogen afreizen. De vrouw van de ploegarts (sic!) had op het laatste moment afgezegd, waarna ze alsnog mee mocht. Het ticket was immers al vooruit betaald.

Willy de Beer in 2025 tijdens het gesprek. Eigen foto.

Medemblik

Maar hoe was ze er toe gekomen om te gaan hardrijden? Bij ons in Medemblik en omgeving waren heel wat ijsclubs die wedstrijden organiseerden. Voor mannen uiteraard, maar dankzij de lokale crack Jan Langedijk, die een eigen trainingsgroepje had, kreeg ze de smaak te pakken.

“Als dertienjarige won ik al een wedstrijdje op de kortebaan. Maar ik wilde ook bochten leren rijden, net zoals de mannen, dus wilde ik ook echte Noorse schaatsen. Daar stond je wat hoger op en kon je wel pootje-over de bochten door. Na veel zeuren kreeg ik mijn echte noren, maar helaas volgden er alleen maar slappe winters. En ik had geen geld om op eigen kosten mee te gaan met de mannenploeg naar Scandinavië.”

In 1959 kwam er eindelijk weer ijs.  En dat betekende in die tijd dat er meteen wedstrijden werden gehouden. “Ik kon in Krommenie meedoen, daar was een aparte wedstrijd voor vrouwen. Moest ik tegen Rie Meyer rijden, die nog steeds heel sterk reed. Van de zenuwen bleek ik na het startschot als bevroren staan.”

Jaap Edenbaan

In 1961 werd in Amsterdam de Jaap Eden-baan als eerste 400-meter kunstijsbaan van Nederland aangelegd. Massaal kwamen rijders uit het hele land naar Amsterdam om te trainen en ook de meiden lieten zich niet weerhouden.

Carry Geijssen was één van de eersten, ze woonde vlak om de hoek in de Indische buurt. Uit Delft kwam Stien Kaiser over, die met Kees Verkerk mee kon rijden. “We kregen toen echt een soort kernploegje voor vrouwen. Maar dat deden we gewoon allemaal zelf. De KNSB bemoeide zich nog steeds niet met ons. Het is te danken aan mensen als Theo Ekelschot en later Piet Zwanenburg, die ons wel serieus namen.”

Hoogtepunt uit haar carrière was, zoals al gememoreerd, haar reis naar Japan waar ze in Karuizawa mee mocht doen aan het WK voor vrouwen. Ze was natuurlijk weer de enige Nederlandse vrouw, maar voelde zich nu wel thuis in de ploeg, die onder gezag van ploegleider Klaas Schenk (inderdaad, de vader van) bestond uit Henk van der Grift (de verrassende wereldkampioen van 1961), Rudie Liebrechts en Arie Zee.

De Beer keek haar ogen uit. “De Japanners hadden alles perfect geregeld. We mochten zelfs een speciale trainingswedstrijd rijden boven op een berg in Hakone. Je kon daar alleen met een stoeltjeslift komen!”

Ze zag ook voor het eerst de ongenaakbare Russinnen met hun geweldige techniek eindeloos in de rondte rijden. Nee, die zou ze nooit kunnen verslaan, maar voor de overige rijdsters deed ze weinig onder.

“Mijn 500 meter mislukte volkomen, dat kwam omdat we nauwelijks op de start hadden getraind en ook niet aan die hoge snelheden op een prachtige, hoog gelegen kunstijsbaan. Maar verder verliep het toernooi prima. Op de 1500 meter werd ik zevende, na vijf Russinnen en een Chinese. Ik reed allemaal persoonlijke records en eindigde uiteindelijk als veertiende.

Wat ik me ook nog herinner: de Russische ster Inga Voronina, die al drie keer wereldkampioen was geworden, reed haar warming up in een prachtige bontjas. Kun je je dat voorstellen? Pas veel later hoorde ik dat ze in 1966 was vermoord door haar echtgenoot, die ook schaatste. Het was een schok om dat te horen.”

Het startnummer van 1964

Winterspelen

Door haar zevende plaats op de 1500 meter kreeg De Beer de toezegging om in 1964 aan de Winterspelen in Innsbruck mee te doen. Die voortijdige aanwijzing zorgde voor een hoop gedoe, want intussen waren er meer vrouwen die steeds beter gingen rijden.

Met name Stien Kaiser, de Delftse typiste bij de lokale politie, verbeterde in januari ’64 op de Jaap Edenbaan meermalen de Nederlandse records van Willy de Beer. Omdat zeal 24 was (!), wees de KNSB haar verzoek om ook aan de Winterspelen mee te doen af met het argument dat ze toch al flink op leeftijd was en wel snel zou gaan trouwen en haar schaatsen aan de wilgen hangen.

Wie de geschiedenis kent, weet wel beter. Kaiser werd in 1967 (in Deventer) en 1968 wereldkampioen. De Russinnen bleken dus niet onverslaanbaar! De kroon op haar carrière kwam in 1972, toen ze bij de Winterspelen in Sapporo op 33-jarige leeftijd in de allerlaatste race van haar carrière goud won op de 3000 meter.

En De Beer? Die zag het op tv en kon enige jaloezie niet onderdrukken. “Ik was in 1965 getrouwd en eigenlijk al gestopt. Maar het bleef kriebelen. In 1966 maakte ik een comeback. Bij het Nederlands kampioenschap werd ik verrassend tweede, achter Carry Geijssen, maar vóór Stien Kaiser.

Deze keer had ik wél naar het wereldkampioenschap gemogen, maar dat werd in Oulu gehouden, een afgelegen stadje in Finland. Dan zou ik minstens twee weken van huis zijn en dat durfde ik als jonge moeder niet aan. Toch ben ik er trots op dat ik aan het begin heb gestaan van het langebaanschaatsen voor vrouwen. Want het duurde wel heel lang voordat de KNSB ons serieus nam. En kijk nu eens wat de Nederlandse vrouwen presteren. Ze zijn de beste van de wereld!”

Plakboeken

Tijdens het gesprek bleek dat Willy de Beer nog een aantal plakboeken heeft van haar loopbaan. Het gaat om circa 200 pagina’s, vol met onbekend materiaal van het vrouwenschaatsen in de jaren zestig. Een deel ervan is in dit magazine te zien.

Deze bron is zeer divers met foto’s, ledenkaarten, handtekeningen van leden van de kernploeg, ansichtkaarten, brieven van de schaatsbond, diploma’s voor kampioenschappen en zelfs het startnummer en deelnemerskaart van de Olympische Winterspelen van 1964.

Zulke plakboeken zijn onmisbaar voor het historische onderzoek naar de opkomst van vrouwen in de sport – in dit geval bij het langebaanschaatsen. Er zijn weliswaar veel geschreven verhalen over vrouwensport in dagbladen en sporttijdschriften, maar die werden altijd geschreven door mannen. Deze plakboeken werden door de vrouwen zelf gemaakt, waarmee we meer door hun eigen ogen kunnen kijken naar die pioniersjaren.

Willy de Beer en Marnix Koolhaas bij de plakboeken. Eigen foto

Waardeer deze site!

Onze content is gratis. Vond je het de moeite waard? Dan kun je dat laten blijken met een kleine financiële bijdrage.

Mijn gekozen waardering € -

Marnix Koolhaas
Marnix Koolhaas werkt sinds 1986 voor de VPRO, o.a. als presentator/eindredacteur van het programma OVT, Andere Tijden en Andere Tijden Sport. Daarnaast publiceert hij regelmatig over de Nederlandse schaatsgeschiedenis. Zo verscheen in van zijn hand "Schaatsenrijden - een cultuurgeschiedenis". Op dit moment werkt hij aan een geschiedschrijving van het langebaanschaatsen.