Home > Schaatsen > Zonder voorbereiding verbrak Coen de Koning het werelduurrecord schaatsen
Schaatsen

Zonder voorbereiding verbrak Coen de Koning het werelduurrecord schaatsen

In 1906 verbrak Coen de Koning het werelduurrecord zonder voorbereiding. Sportgeschiedenis heeft zijn dagboekaantekeningen.

Coen de Koning schreef over zijn leven een uitgebreid verhaal, dat in 2005 door Coen Rams op papier werd gezet – hier helemaal lezen. Rams is kleinzoon van de voormalige schaatser. Hierin staan ook de herinneringen van De Koning aan zijn werelduurrecord, dat hij reed op 29 januari 1906.

Het is een bijzonder verhaal, want De Koning had zich hier helemaal niet op voorbereid! Het weekend ervoor had hij een EK gereden, waarna hij na aandringen ook nog een aanval deed op dat record.

En daarin slaagde hij, waarmee De Koning de enige schaatser ooit is, die een EK won, een WK, de Elfstedentocht (twee keer zelfs) en het werelduurrecord verbrak. Zijn aantekeningen over het werelduurrecord staan hieronder.

Uit het dagboek van Coen de Koning:

‘In deze winter werd ik weer alleen uitgezonden naar Davos en ik ging op 10 december al met de D-trein en kwam de 11e december om vier uur ‘s middags weer in mijn oude hotel aan. Evenals andere jaren was ik geheel alleen op de ijsbaan. Ik was in Davos om zo te zeggen geheel ingeburgerd. Ik voelde me nu niet meer als een kat in een vreemd pakhuis. Overal had ik kennissen, zoals E. Meerkämper, fotograaf te Davos, Meng, die mijn schaatsen sleep, W. van Eijk, een Hollander die een groot pension had, de weledele heer Plantinga, Hollandse consul in Davos en nog veel meer, zodat ik mij toch niet eenzaam voelde.

Het is een leuk land, dat Zwitserland. Standen kenden de Zwitsers niet, dat bleek uit het feit dat ik in het hotel veel kaartte(kruisjassen). Daar deed dan een drukkersknecht aan mee, een notaris, de hotelhouder en ik. Het ging er erg gemoedelijk aan toe.

Wij kregen als deelnemers aan de wedstrijd een Churkaart. Deze kaart gaf recht op alle uitvoeringen die werden gehouden in het Churhaus. Deze konden wij gratis bezoeken. Ik heb er dikwijls van genoten. Vooral als er echte Tirolers kwamen. Zo mooi als die konden jodelen, heb ik nog nergens aangetroffen. Als die op het programma stonden, dan was ik steeds present. Maar Coen lag ondanks dat om 10 uur op zijn bed. Hoe mooi of het ook was.

E. Meerkämper had mij al in de winter van 1903-1904 gezegd: “Coen, jij moet het werelduurrecord van Edgington (een Engelsman) gaan verbeteren. Dat kan jij gemakkelijk.” In de tijd dat ik in Davos was, had ik daarvoor ook getraind, maar mijn val maakte het toen natuurlijk onmogelijk. Maar nu begon hij er weer over. Doch ik had er geen zin in om een uur te rijden. Nee, dat was niets voor mij, dus ik trainde mij daar niet op.

Mijn doel was om op de 5000 meter een betere tijd te maken en ook op de andere afstanden. Tegen de tijd dat de wedstrijden zouden beginnen, kwamen de rijders naar Davos. Schilling uit Wenen, Zijler uit München, Gundersen uit Christiania, Ashe uit Engeland en nog enige andere rijders.

Een dag of vier voor de wedstrijd kwam Meerkämper op de baan en klampte mij weer aan: “Coen, dat uurrecord moet jij nu verbeteren. Daar is nu een mooie gelegenheid voor, want de wedstrijd in het kunstrijden die in Berlijn zou worden gereden, die kan daar niet doorgaan. Zij hebben daar geen ijs. En die wordt hier maandag, nadat jullie zaterdag en zondag hebben gereden, gehouden. Dus is het niet maandag, maar dinsdag dat de feestdag wordt gegeven van het Churverein en dan kunnen Gundersen en Schilling jou gangmaken.”

Ook de heer H. Valär, president van de Davoser IJsclub, raadde mij aan het te proberen en ook volgens hem zou ik zeker slagen. Na nog wat tegengestribbeld te hebben, gaf ik eindelijk toe en woensdagavond stond het met dikke, vette letters in de Davoser Courant: De Koning zou maandag 29 januari trachten het record dat op naam stond van Edgington uit Engeland te breken. Dit record werd ook in Davos gevestigd en hij legde in één uur 30.896 meter af.

De heer Valär en Meerkämper hadden de toezegging van Schiller en Gundersen dat zij zouden gangmaken. Tijd om gezamenlijk te trainen was er niet, daar deze gangmakers zich alleen gingen oefenen voor de wedstrijd van 27 en 28 januari. Het schema van de heer Edgington was door de heer Meerkämper aan een grondig onderzoek onderworpen en met mij druk besproken, welke tijd ik over elke 400 meter moest maken om het te breken. Ik zou een paar vrienden vragen of zij mij elke ronde de tijd wilden doorgeven, maar in hoofdzaak was de heer Meerkämper de man die verder alles voor mij zou regelen.

Europees Kampioenschap 1906

Zaterdag 27 januari 1906 werd om elf uur ‘s morgens gestart voor de 500 meter. Die 500 meter was voor mij de grootste strop. Gundersen één, Schilling twee en ik was derde geworden. Ik was wel in mijn tijd vooruitgegaan, want 48 4/10 had ik nog nooit gemaakt.

‘s Middags moesten we de 5000 meter rijden. Gundersen werd eerste, ik tweede en Schilling derde. Omdat Gundersen en Schilling eerste en tweede waren op de 500 meter, moesten die samen rijden op de 5000 meter en ik moest met Ashe rijden. Daar had ik niet veel aan, daar ik direct al vóór lag, er was geen strijd met hem. Mijn tijd was veel beter geweest, als ik met Gundersen had moeten rijden. Op de korte afstand is een mindere kwaliteit renner niet zo erg als op de lange afstand.

Op zondag 28 januari moesten we de 1500 en 10.000 meter rijden. De 500 en 1500 meter lagen mij altijd slecht, maar ze moesten gereden worden. ‘s Morgens om elf uur werd een aanvang gemaakt met de 1500 meter en hoe ik mij ook inspande, ik werd op deze afstand derde. Eerste Gundersen, tweede Schilling en derde De Koning. Alweer derde en ik was op mijzelf zeer boos. Maar ’s middags zou ik de 10.000 meter zo rijden dat de brokken ijs om mijn oren zouden vliegen. Ik moest deze afstand winnen.

Ook nu moest ik weer rijden tegen Ashe, omdat de Gundersen eerste was en Schilling tweede, maar dat kon mij op de 10.000 meter niets schelen. Ik moest als eerste rijden, dat vond ik niet erg leuk temeer daar ik de tijd van Gundersen niet wist. Maar ook daar kwam ik goed overheen, rijden zou ik en ik was zeer geladen.

Tegen één uur werd het sein gegeven. Direct van start af, zette ik alles op alles. “Rijden als de duivel, rijden Coen en je moet winnen.” En toen ik 24 banen had afgelegd, spurtte ik uit alle macht. Ik ging direct naar de box en wist niet wat mijn tijd was. Eén van de Hollanders kwam mij vertellen dat ik de 10.000 meter in 18 minuten 50 2/10 seconde had afgelegd.

Daarna moesten er nog een paar rijden en toen waren Gundersen en Schilling aan de beurt. Vanuit de box heb je zicht op de baan en toen ik Gundersen zag rijden, kon ik mij niet indenken dat ik zo hard kon rijden. Ik dacht: “Coen, je wordt weer tweede.” Wat reed hij regelmatig, wat reed hij toch soepel. Het was geen krachtpatser zoals ik. Eindelijk klonk de bel voor de laatste ronde en ik zag Gundersen bij het uitkomen van de laatste bocht nog een flinke spurt nemen.

En toen maar angstvallig wachten welke tijd hij had gemaakt. En ja hoor Meerkämper kwam op de box af en gaf mij de tijd van Gundersen op: 18 minuten 55 2/10. Ik was eerste op de 10.000 meter. Hoera! Gundersen was kampioen van Europa. Ik bezette in het algemeen klassement de tweede plaats en Schilling uit Oostenrijk was derde.

Werelduurrecord

De heer Valär en Meerkämper kwamen mij na de wedstrijd nog even in mijn hotel bezoeken en vertelden mij dat Gundersen en Schilling om elf uur op maandag 29 januari op de baan aanwezig zouden zijn. Ook alle buitenlandse juryleden met chronometers, de rondentellers (2 man), een persoon voor de kruising en twee bochtcommissarissen zouden aanwezig zijn. Ze hadden een proces-verbaal van de landmeter dat de baan juist 400 meter lang was, dus alles was wat dat betreft in orde. De heer Meerkämper zou zorgen dat ik elke ronde de tijd zou doorkrijgen. De mensen die dat zouden doen, stonden aan de kant van de baan en daarom kon ik die goed verstaan. Ook kreeg ik elke ronde als ik binnen het gemaakte schema bleef een seintje, dus nu was het maar of ik dit één uur zou volhouden.

‘s Avonds ging ik eerst naar de prijsuitdeling en het banket en daarna zo gauw mogelijk naar bed. Ik moet eerlijk bekennen dat ik geen uur geslapen heb, dat uur rijden zat mij wel zwaar op mijn maag. Maar ik had A gezegd en dus moest ik ook B zeggen.

‘s Morgens klom ik om half negen uit mijn bed. Ik kon niet langer op bed blijven. In het hotel was alles in diepe rust, behalve het personeel. Nadat ik nog enige kaarten en brieven had geschreven, was ik om tien uur in de ontbijtzaal en daar stond mijn biefstuk, brood en melk al klaar en begon ik maar direct om dit naar binnen te slaan.

Om ongeveer half elf kwamen Gundersen en Schilling beneden en om elf uur waren we op de baan. Juist was het laatste kunstrijderspaar klaar met hun verplichte oefeningen, dus was de baan voor mij vrij. Alle juryleden waren aanwezig en om half twaalf moest ik starten. Daar ik de gewoonte had om steeds met mijn mond open te rijden, zocht ik naar een zacht stukje hout en toen ik klaar was, vertrok ik precies om half twaalf.

Ik had niet met mijn gangmakers kunnen oefenen. Nee, nog geen baantje. We hadden afgesproken dat om de 5 banen een andere zou invallen. Gundersen zou de eerste vijf banen gaan maken. Op ongeveer 150 meter van de start af zou hij klaarstaan om mij op te vangen. Ik startte of ik 500 meter had te rijden en Gundersen was op zijn post en na vijf banen gereden te hebben, kwam Schilling hem aflossen. Dat ging niet al te best.Na deze vijf banen nam Gundersen prima over zonder tijd te verliezen.

Toen was het na vijf banen weer de beurt aan Schilling. Hij liet verstek gaan. Het was te hard gegaan. Dus moest ik deze vijf banen geheel alleen rijden. Daarna kwam Gundersen weer in de baan en ik moet zeggen, dat overnemen was af. Nadien was Schilling steeds op zijn post om over te nemen. Het was en bleef niet goed. Toen ik zowat een kwartier had gereden, was het net of ik lood in mijn schoenen had en ik was van plan om ermee op te houden. Dat duurde maar een ogenblik. Opgeven en mij laten uitlachen, nee, dat nooit. Doorzetten of erbij neervallen.

Dat duurde zowat anderhalve baan en toen was ik ermee klaar. Ik heb zeer dikwijls mijn gangmakers aangezet om harder te rijden. Het was alsof ik Schilling niet erg vertrouwde in de bocht. Hij had al een paar maal misstappen gemaakt en dus was ik op alles voorbereid. En ja hoor, op een gegeven ogenblik viel Schilling vlak voor mijn voeten en ik sprong over hem heen, wat zeer kostbare seconden kostte. Dit is mij tweemaal overkomen, maar het liep goed af. In die tussentijd werd mij gemeld dat ik al veel meer meters had gereden dan Edgington. Toen hoorde je in alle talen aanmoedigingen, vooral de aanwezige Hollanders deden hun uiterste best.

Elke keer als ik voorbij Meerkämper kwam, knikte hij goedkeurend. Ik kon zien dat hij over mijn rijden buitengewoon tevreden was. Ook onze voorzitter B.W. van Vloten was in zijn nopjes. Ik had aan de heer Valär gevraagd of hij mij vijf minuten voor het einde van het uur wou waarschuwen. En ja hoor, toen ik 55 minuten had gereden kreeg ik opgegeven: “Nog vijf minuten.” En toen heb ik nog alles gegeven wat in mij zat en toen het schot viel dat ik een uur had gereden, kon ik geen streek meer geven. Ik was geheel leeggereden.

De heer Van Eijk ving mij op, anders was ik zeker gevallen. Met Gundersen en Schilling ging ik naar de box en heb mij direct gewassen, droge onderkleding aangetrokken en even gemasseerd (dat moesten we zelf doen, daar de bond ons geen masseur gaf) en toen verder aangekleed. Onderwijl kwam het bericht dat ik 32.370 meter in het uur had afgelegd. Dus ik had 1474 meter meer in het uur afgelegd dan mijn voorganger. Na een kwartier kwam ik op de baan en toen was er een Fransman die mij graag wilde filmen en ik heb toen nog een paar baantjes voor hem gereden.’

Jurryt van de Vooren
http://Sportgeschiedenis.nl
Jurryt van de Vooren is sporthistoricus. Auteur van 'Amsterdam 1928' en de Bosatlas van het Nederlandse voetbal. Bezig met boekenserie over Amsterdam en sport. Nog steeds de enige Amsterdammer die is afgestudeerd op Feyenoord.