Sport en politiek

De arbeider en zijn sportorganisatie

De arbeidersbeweging probeerde grip te krijgen op de sport. Sportgeschiedenis heeft historische filmbeelden.

Door Jan de Leeuw

Bij de VARA liep de tiendelige serie De Strijd over de geschiedenis van de Nederlandse arbeider en de sociaaldemocratie. Aanleiding was het negentigjarig bestaan van de Vereniging van Arbeiders Radio Amateurs (VARA). Na eigen vakbonden, politieke partijen en een krant (Het Volk) kreeg de socialistische zuil er in 1925 in Nederland een eigen radio-omroep bij: de VARA. Een jaar later, in 1926, werd ook een socialistische sportbond opgericht: de Nederlandsche Arbeiders Sportbond (NASB).

Verzuiling

Het einde van de negentiende eeuw, maar zeker het begin van de twintigste eeuw kan gezien worden als de beginperiode van de verzuiling in Nederland. Belangrijke levensbeschouwelijke stromingen, zoals katholicisme en protestantisme, richtten eigen maatschappelijke organisaties op: katholieke en protestante scholen, boerenorganisaties, vakbonden, media en sportorganisaties.

De verzuiling kan gezien worden als een tegenoffensief van de christelijke organisaties tegen een aantal bedreigende ontwikkelingen in de moderne maatschappij. Na de vijftiende eeuw raakten de kerken steeds meer in een verdedigende positie ten aanzien van nieuwe maatschappelijke ontwikkelingen en stromingen. De invloed van de kerk en het geloof op de samenleving nam langzamerhand af: secularisatie.

Belangrijk was de periode van de Verlichting in de achttiende eeuw met haar nadruk op een rationele benadering van de werkelijkheid. Ook kan gedacht worden aan de opkomst van wetenschap en techniek (vooral de natuurwetenschappen), vormen van atheïstische filosofie en stromingen als humanisme, liberalisme, socialisme en feminisme. Vooral het opkomende socialisme werd door de kerken aan het einde van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw als een bedreiging gezien. Arbeiders dreigden over te lopen van de kerk naar de organisaties van de socialistische beweging als vakbonden, politieke partijen, culturele organisaties, et cetera.

Verzuiling in de sport

Ook de sportwereld raakte verzuild. Er ontstonden sportverenigingen en -bonden op katholieke of protestants-christelijke grondslag. In het tweede gedeelte van de negentiende eeuw werden de eerste katholieke sportverenigingen opgericht. Het ging om gymnastiek- en voetbalverenigingen in Zuid-Nederland.

De eerste gymnastiekverenigingen waren Eendracht in Maastricht (1876), Swentibold in Sittard (1881) en Volharding in Meerssen (1890). De eerste katholieke voetbalverenigingen waren Victoria in ’s-Hertogenbosch (1890) en Concordia in Eindhoven (1896). In de besturen van de katholiek sportverenigingen zat vaak een geestelijk adviseur: veelal een priester. Hij zag er op toe dat de sportvereniging handelde conform de regels van de kerk en de bisschoppen.

In 1910 werd de eerste katholieke sportbond opgericht: de Rooms-Katholieke Gymnastiek- en Atletiekbond in het bisdom Roermond. De eerste katholieke voetbalbond zag het licht in 1916. Deze bond is te beschouwen als de ‘voorvader’ van de Nederlandse Katholieke Sportfederatie (NKS).

In 1926 werd de Nederlandsche Arbeiders Sportbond (NASB) opgericht door enkele bestuurders van het Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV), een vakbond op socialistische grondslag. De bond streefde ernaar dat sport ook mogelijk werd voor de arbeidende klasse.

De ontwikkeling en uitbouw van een eigen socialistische zuil gaf uitdrukking aan de toegenomen kracht van de socialistische arbeidersbeweging. In de laatste decennia van de negentiende eeuw had deze beweging haar aanvangs- en opbouwfase beleefd. Denk aan Karl Marx, de Eerste Internationale (een samenwerkingsverband van socialistische organisaties in Europa) en de opkomst van socialistische vakbonden en later ook politieke partijen. In het begin van de twintigste eeuw wist de arbeidersbeweging een groot succes te boeken: de overname van de macht in Rusland in 1917 (de Oktoberrevolutie van de Bolsjewieken, Lenin en Trotski), waarna ook in andere landen de socialistische beweging in het offensief was.

De houding van socialistische organisaties tegenover sport

Sporten was in de tweede helft van de negentiende eeuw in Nederland vooral een activiteit van de hogere klassen. Socialisten zagen sport als een activiteit waarmee arbeiders zich konden uitwikkelen tot gezonde en krachtige mensen. Dat was nodig omdat zij leefden onder erbarmelijke omstandigheden: weinig geld voor voeding en kleding, slechte bezuinig, ongezond en zwaar werk.

In de socialistische opvatting werden lichamelijke en geestelijke ontwikkeling in elkaars samenhang gezien: een gezonde geest in een gezond lichaam. Sport moest gericht zijn op een harmonieuze ontwikkeling van de mens, maar ook op gelijkwaardigheid en solidariteit. In deze opvatting over sport pasten geen competitie- en prestatiedrang, persoonsverheerlijking, heldenverering en commercie. Dat leidde tot individualisme en egoïsme.

In de socialistische beweging was men, evenals in confessionele kringen, groot voorstander van amateursport. Sport diende ingezet te worden voor de culturele en sociale verheffing van de arbeidersklasse. Vandaar dat er vaak culturele activiteiten op het programma stonden bij sportevenementen die georganiseerd werden door de arbeiderssportorganisaties.

Arbeiders Olympiaden in het interbellum

In enkele west- en midden-Europese landen ontstonden in het interbellum grote arbeiderssportbonden: in Frankrijk, Duitsland, België, Oostenrijk en Tsjecho-Slowakije. Deze bonden werden internationaal verenigd door de SASI: de Socialistische Arbeiderssport Internationale. In deze organisatie heerste de opvatting dat de arbeidersklasse nooit meer de fout uit de Eerste Wereldoorlog moest maken om te kiezen voor het eigen land, in plaats van voor de kameraden, in welke land ze ook verbleven. “Kameraden hadden elkaar afgeslacht voor nationale belangen en niet voor de Internationale.”

Op haar hoogtepunt, in 1931, had de SASI bijna twee miljoen leden in Europa, waarvan meer dan de helft in Duitsland. Men had concurrentie van een communistisch georiënteerde arbeiderssportorganisatie, die echter veel minder aanhang had: de Red Sport Internationale (RSI), opgericht in 1921 in Rusland. In 1928 vond in Moskou de eerste Spartakiade plaats als communistisch alternatief voor de ‘burgerlijke’ Olympische Spelen.

In het interbellum werd een drietal Arbeiders Olympiaden georganiseerd: concurrenten van de ‘burgerlijke’ Olympische Spelen. De Spelen vonden plaats in Frankfurt am Main in 1925, in Wenen in 1931 en in Antwerpen in 1937. De deelnemers sportten voor de wereldvrede en zeker niet voor de nationale eer of persoonlijk succes. Het socialisme ging immers uit van solidariteit met de (sport)kameraad. De solidariteit van de arbeidersklasse kende geen geografische grenzen.

De ISAS was verantwoordelijk voor de organisatie van de verschillende Arbeiders Olympiaden. Het volkslied van het land van de winnaar werd niet gespeeld, wél het lied van de socialistische beweging: de Internationale. Ook was er maar één vlag: de rode vlag, symbool van het socialisme.

Aan de Arbeiders Olympiade in Wenen in 1931 namen 80.000 arbeiders deel. Het was de tijd van toenemende spanning tussen de socialistische beweging in al haar diversiteit van communisme tot reformisme en het opkomende fascisme en nazisme in Europa, in het bijzonder in Duitsland en Italië.

De internationale spanning was tijdens de Arbeiders Olympiade van 1937 in Antwerpen nog meer voelbaar. Uitgesproken hoogtepunt was de aankomst van de delegatie uit Spanje. De socialistische kameraden die in de burgeroorlog vochten tegen de fascisten van Franco werden met groot gejuich ontvangen in het stadion. “De kreet die de hele week in de Antwerpse lucht hing was No Pasaran: “Ze (de fascisten, jdl) komen er niet door.”

De geplande vierde Arbeiders Olympiade in Helsinki zou niet doorgaan, vanwege de oorlog.

De NASB en de oorlog

In de eerste oorlogsjaren was de continuering van het reguliere sportleven de kern van het ‘sportbeleid’ van de bezetter. De Duitsers achtten een radicale omvorming tot nationaalsocialistische (sport-)organisaties kansloos vanwege de mogelijke onrust, maar zeker ook vanwege de grote invloed van de zuilen op de Nederlandse sport.

In 1941 werden vanuit het Departement van Opvoeding, Wetenschap en Kultuurbescherming initiatieven ontwikkeld om de eenwording van de Nederlandse sport te bevorderen. Deze initiatieven hadden wisselend succes. Sommige sportbonden lieten zich niet vermurwen, zoals de gymnastiekbonden, korfbalbonden en wandelsportbonden. Deze bonden hechtten sterk aan de eigen confessionele identiteit. In 1941 werd een poging gewaagd de Nederlandsche Arbeiders Sportbond (NASB) volledig in te lijven bij de organisatie Vreugde en Arbeid. De NASB, die tegen de uitsluiting van de joodse sportbestuurders was, wilde dit voorkomen en hief zichzelf op.

Direct na de oorlog werden door de kerken de verzuilde organisaties veelal in ere hersteld, ook de verzuilde sportorganisaties. De Nederlandse Katholieke Sportfederatie (NKS) werd als federatie van katholieke sportbonden opgericht in 1946. De Nederlandse Christelijke Sport Unie (NCSU), de koepelorganisatie van de protestants-christelijke sportzuil, volgde in 1955. De in 1946 opgerichte Nederlandse Culturele Sportbond (NCS) was in feite een heroprichting van de Nederlandse Arbeiders Sport Bond (NASB). Tegenwoordig heeft de NCS nadrukkelijk een humanistisch karakter.

Bronnen

  • S. Stuurman (1980), Verzuiling, kapitalisme en patriarchaat, SUN, Nijmegen.
  • M. Derks (1987), Sport en spanning. Da katholieke voetbalbeweging in het interbellum. In: Leidschrift, jrg. 4, nr. 1.
  • W. van Buren en P. Mol (2000), In het spoor van de sport, hoofdlijnen uit de Nederlandse sportgeschiedenis, Arcadia, Haarlem.
  • J. Hoorens (2002), Monseigneur P.J. Boymans (1914-1984), De Priester in de sport, NKS Boymansfonds, ’s Hertogenbosch.
  • P. Bekink en F. Dugour (1989), Van Arbeiderssport naar Recreatiesport, NCS, Amsterdam.
  • J. Vanderbeke (2013), Alternatieve Olympiades in het interbellum, www.ethesis.net, 19 februari 2013.
  • J. van de Vooren (2005), En toen was er sport, Immerc BV, Wormer.
  • E. de Ruijter (2008), Een dozijn plaatjes van de Arbeiders Olympiade, Instituut voor Sociale geschiedenis, Amsterdam.
  • G. Biesterbos, R. Geertzen, B. Heijnen (2001), ‘Thuis in je club’, 55 jaar NKS, NKS, ’s Hertogenbosch.

Advertentie

Koop bij bol.com