Sport en politiek

De kosmische herscheppingsdrang van dr. Gerrit Nieuwenhuis

Op 26 april 1927 opent de Academie voor Lichamelijke Opvoeding (ALO) in Amsterdam officieel haar deuren. Daarmee gaat een lang gekoesterde wens van gymleraren en sportbestuurders in vervulling. De ALO is het eerste Nederlandse opleidingsinstituut waar onderwijzers, sportcoaches en jeugdleiders een praktische én een wetenschappelijke opleiding kunnen volgen. De belangen zijn groot. Wil het ‘Oude Europa’ haar plaats op het wereldtoneel niet verliezen aan een ‘ontwakend, concurrerend Azië’, dan heeft het een bevolking nodig die fysiek en mentaal haar mannetje staat. ‘Holland moet weer nieuw leven krijgen’, zo laat rector Gerrit Nieuwenhuis tijdens de opening weten. Aan de ALO de taak hiervoor te zorgen.

Wie is de man die deze grote woorden sprak? Een man aan wie in de gedenkboeken van de ALO nauwelijks aandacht wordt besteed. Welke ideeën heeft hij over sport? En hoe vergaat het de ALO onder zijn leiding?

Gerrit Nieuwenhuis rond 1915. Collectie Jaap Nieuwenhuis.

Gerrit Jacob Nieuwenhuis (1877-1931) wordt geboren in Deventer, als oudste zoon in een welvarende bakkersfamilie. De jonge Gerrit voelt echter niet veel voor een toekomst in de zaak; hij wil kennis vergaren en doorleren. Zijn relatief eenvoudige middenklasse-afkomst maakt dat er na de lagere school één mogelijkheid tot vervolgstudie openligt: de Rijkskweekschool voor Onderwijzers en Onderwijzeressen. Gerrit wordt dan ook leraar.

Zijn loopbaan als schoolmeester begint in 1896 dicht bij huis, op de lagere school in Apeldoorn. Hij besluit hij zijn wereld te vergroten door emplooi te zoeken in Nederlands-Indië en gaat in 1902 aan de slag als privé-docent bij de welgestelde plantersfamilie Vonck/Van Zijll de Jong in Soerabaja. Teruggekeerd is hij tussen 1905 en 1911 leraar aan de Gooische School in Laren, , waarna hij besluit sociologie en ethnografie te gaan studeren, wat vooral mogelijk wordt gemaakt door de contacten en financiële steun van zijn Indische werkgever. Hij volgt studieonderdelen in Amsterdam en Londen, en promoveert in november 1915 cum laude aan de Universiteit van Zürich op dans in Nederlands-Indië.

De kersverse doctor keert terug naar de Oost, waar hij even als leraar op een middelbare school in Batavia werkt. Al snel wordt hij aangesteld als wetenschappelijk adviseur van de Koloniale Onderwijsraad. In die functie adviseert hij het koloniale bestuur, gevraagd en ongevraagd, over opvoeding en onderwijs.
Nieuwenhuis meent dat de Nederlanders in Indië een dubbele taak hebben. Allereerst moeten zij de Indische bevolking voorbereiden op de toekomst in een moderne Westerse wereld, op de lange termijn leidend tot autonomie. Maar dit is een lang en moeizaam traject, waardoor de tweede taak, bestendiging van het Nederlandse belang in Indië, hier naadloos op aansluit.

Hand in hand naar de toekomst dus, waarbij Nieuwenhuis het vooral nuttig acht de Nederlandse taal actief te verspreiden. Beheersing van het Nederlands geeft de Indische bevolking toegang tot Westerse kennis en kunde, terwijl het er tegelijkertijd toe bijdraagt dat de Nederlandse invloed over langere tijd behouden blijft. Hij maakt zich daarom hard voor de invoering van een nieuwe taalonderwijsmethode, die het de Indiërs makkelijker zal maken om het Nederlands onder de knie te krijgen. Deze methode-Nieuwenhuis is een groot succes: miljoenen Indiërs leren het Nederlands te beheersen – in ieder geval passief.

Sport als respectafdwinger

Ook in de sport ziet Nieuwenhuis een belangrijk pedagogisch instrument. Lichamelijke opvoeding moet de Indiërs ‘leren werken’ en hen voorbereiden op de economische strijd in de wereld. Wat dat betreft valt er namelijk nog veel te verbeteren. Hij stelt dat de Javanen moed, zelfvertrouwen, doorzettingsvermogen en verantwoordelijkheidsgevoel missen en bovendien lui zijn en te snel tevreden. Daarnaast kunnen de Javanen met behulp van sport samenwerkingsvermogen en gemeenschapszin ontwikkelen, en dat zijn onmisbare vaardigheden, als het land op termijn tenminste een zelfstandige democratie wil worden.

De schone taak van de Nederlanders is om de Indiërs daarbij te begeleiden. Sport is echter ook voor henzelf een niet te onderschatten hulpmiddel. De Nederlanders in de tropen zijn volgens Nieuwenhuis vaak zwakke en indolente types, maar via sport kunnen ze worden opgevoed tot leidersfiguren met een krachtig lichaam, groot weerstandsvermogen en sterke zenuwen. Daarmee zouden ze het nodige respect afdwingen bij de inheemse bevolking.

Gerrit Nieuwenhuis rond 1915. Collectie Jaap Nieuwenhuis.

Nieuwenhuis laat zich inspireren door de buurlanden van Nederlands-Indië en is met name onder de indruk van Japan. Daar is de gymnastiek al in 1886 verplicht gesteld in het onderwijs en wordt ook veel tijd besteed aan militaire oefeningen. Dankzij het ‘Bushido’-systeem, dat lichamelijke oefening combineert met karaktervorming, is het land hard op weg een wereldmacht te worden, waarmee de Westerse landen terdege rekening moeten houden. Zo heeft het land van de rijzende zon Korea al geannexeerd, en daar het onderwijs naar Japans voorbeeld hervormd. ‘Het jonge Azië’ sterkt zich voor de ‘wereldstrijd’, zo concludeert hij.

Dat Gerrit Nieuwenhuis zich laat beïnvloeden door ontwikkelingen in de regio is verklaarbaar, maar toch opmerkelijk. Het is bekend hoe gymnastiek en Engelse sporten als cricket, voetbal en lawntennis zich vanuit Europa over de wereld verspreiden, en zodoende ook in Azië terechtkomen. Voor Nieuwenhuis dient het Westen niet alleen als voorbeeld voor het Oosten, maar ook vice versa. Zijn ideeën laten zien dat de verspreiding van sport en sportidealen over de wereld geen eenrichtingsverkeer is, maar ook de andere kant op werkt.

Daarbij moet wel worden aangetekend dat Nieuwenhuis met zijn ideeën over sport weinig voor elkaar krijgt in Nederlands-Indië. Het blijft een land in de tropen, waarin een groot deel van de bevolking – Europeanen en Aziaten – er weinig voor voelt zich op het sportveld in het zweet te werken. In Nieuwenhuis’ thuisland vinden zijn plannen meer weerklank.

Een instituut zonder leiding

In Nederland zijn al sinds het eind van de negentiende eeuw plannen om een academisch opleidingscentrum voor sport, gymnastiek en lichamelijke opvoeding op te richten. Plannen van ‘sportminister’ Frits van Tuyll van Serooskerken en het Nederlands Olympisch Comité lopen echter stuk op een gebrek aan financiële middelen. Begin jaren twintig lukt het toch als Henri Deelen (1893-1957), Piet Gunning (1886-1960) en Karel van Schagen (1894-1972) de handen ineenslaan. De drie mannen zijn actief in de Amsterdamse onderwijs- en opvoedingswereld en weten in hun netwerk voldoende middelen bijeen te sprokkelen om van start te gaan.

Als het driemanschap op zoek gaat naar een geschikte rector voor de Academie is deze snel gevonden. Tijdens een ontmoeting op een van de schepen van de stoomvaartmaatschappij ‘Nederland’, varend tussen Nederland en de Oost, maakt Gunning kennis met Nieuwenhuis, zo schrijft Frans Kaandorp in We hebben gym!, zijn diepgravende masterscriptie uit 2013. Gunning raakt zeer onder de indruk van Nieuwenhuis’ ideeën en ziet in hem de uitgelezen persoon om de ALO te leiden.

De eerste cursussen van de Academie starten in het najaar van 1925. Gunning neemt tijdelijk het rectoraat waar, omdat Nieuwenhuis nog werk heeft in Indië. De verwachting is dat hij in de loop van het eerste studiejaar naar Nederland komt, maar dat valt tegen. Na zijn terugkeer diverse keren te hebben uitgesteld, wordt Nieuwenhuis pas in het voorjaar van 1927 in zijn functie geïnstalleerd.

Schermles op de Academie voor Lichamelijke Opvoeding, Collectie ALO Amsterdam.

Nieuwenhuis’ bijna twee jaar durende absentie is genoeg om een aantal grote problemen te laten ontstaan. Vooral de aanstelling van schermdocent Willem Hubert van Blijenburgh (1881-1936) roept veel verzet op. Hubert van Blijenburgh is een felle propagandist van de Zweedse gymnastiek; een beweegsysteem dat hij superieur acht aan de Duitse gymnastiek die gangbaar is in het Nederlandse onderwijs. Met zijn pleidooien voor onderwijshervorming, waarbij hij en passant het vakmanschap van de gymnastiekonderwijzers in twijfel trekt, maakt hij weinig vrienden. Voor enkele gymleraren blijkt zijn aanstelling zelfs reden hun medewerking aan de ALO stop te zetten of te weigeren.

Met andere ALO-docenten ligt Van Blijenburgh voortdurend in de clinch. Zo verzet hij zich op zijn beurt in het najaar van 1926 tegen de aanstelling van Fredericus Duvergé (1883-1945,) die in het verleden de wetenschappelijkheid van zijn dissertatie in twijfel heeft getrokken. En dat terwijl Duvergé zelf volgens Van Blijenburgh ‘niet in staat is een geregelde gedachtengang te volgen, noch logisch te redeneren of zijne denkbeelden uiteen te zetten’. Dit maakt hem als docent compleet ongeschikt.

Een door het bestuurscollege ingestelde onderzoekscommissie kiest uiteindelijk voor de gulden middenweg. Van Blijenburgh en Duvergé worden aangesproken op hun gedrag, maar kunnen aanblijven als docenten. Hiermee is het conflict voorlopig gesust, maar de interne verhoudingen blijven op scherp staan.

Bijkomend probleem is dat Van Blijenburgh beweert dat plaatsvervangend rector Deelen hem in een persoonlijk onderhoud een hoogleraarschap in de Zweedse Gymnastiek in het vooruitzicht heeft gesteld. Het is een belofte die door Henri Deelen ten stelligste wordt ontkend en waarover in de ALO-archieven ook niets is terug te vinden. Deelen besluit zich niet aan de kwestie te branden en deelt Van Blijenburgh mee dat pas na terugkomst van Nieuwenhuis een beslissing kan worden genomen.

Naast deze personele problemen zijn de financiën van de ALO een bron van zorg. Al vóór de start in 1925 vertoont de conceptbegroting grote gaten: minstens 50% van de geraamde uitgaven zijn ongedekt. Met steun van het Rode Kruis, de ANWB, de Nederlandse Voetbalbond en enkele, niet nader genoemde, Amsterdamse zakenlieden wordt uiteindelijk genoeg geld binnengehaald om toch met de Academie van start te kunnen gaan. Maar: een lange termijnoplossing ontbreekt. Op het moment dat Nieuwenhuis naar Nederland komt, staan de zaken er niet al te best voor. De balans van 1927 telt een gat van 5.000 gulden op een totaal van 36.500, en op de begroting voor 1928 ontbreekt 15.000 gulden, op een totaal van 53.000. Aan Nieuwenhuis de lastige missie om een zak geld te vinden.

Overigens is er ook een lichtpuntje: de ALO mag zich verheugen op belangstelling uit de hoogste kringen. Prins Hendrik geeft in april 1927 acte de présence om de officiële opening van koninklijke uitstraling te voorzien. De man van Koningin Wilhelmina laat zich daarbij tevens kennen als grappenmaker. Nieuwenhuis, net terug uit Nederlands-Indië, krijgt van de prins toevertrouwd dat hij de koloniën in de Oost graag eens zou willen bezoeken. Het enige probleem is dat hij financieel afhankelijk is van zijn vrouw en de koningin wil zijn snoepreisje niet bekostigen. Of Gerrit Nieuwenhuis hier iets zou kunnen betekenen?

Een ondiplomatieke bestuurder

Eenmaal als rector geïnstalleerd toont Nieuwenhuis direct zijn weinig diplomatieke kant. In het conflict tussen Van Blijenburgh en Deelen kiest hij min of meer positie voor de eerste. Hij oordeelt dat de instelling van een leerstoel Zweedse Gymnastiek ongewenst is, maar dat het wel ‘een zwakte’ was van Deelen om de beslissing hierover op het bord van Nieuwenhuis te schuiven. Hij is zich bewust van de problemen die hij zich hiermee op de hals haalt, maar stelt dat hij niet bevreesd is om maatregelen te nemen die tegen de wil van de docenten ingaan. De leerstoel in de Zweedse Gymnastiek komt er dus niet, en de verhouding tussen Nieuwenhuis en Deelen is meteen getroebleerd.

Gymnastiekles op de Academie voor Lichamelijke Opvoeding. Collectie ALO Amsterdam.

Nieuwenhuis zorgt voor meer onrust als hij een jaar later een nieuw visiedocument voor de Academie schrijft. In de nota Wijzigingen in den opzet der Academie v. Lich. Opvoeding rekent hij in felle bewoordingen af met het sectarisme van de ALO.

Bij de opzet van de Academie was ervoor gekozen om bepaalde vakken in drie verschillende richtingen aan te bieden – neutraal, protestants-christelijk en rooms-katholiek – om tegemoet te komen aan het verzuilde karakter van de Nederlandse samenleving. Volgens Nieuwenhuis ondergraaft dit de nationale taak van de ALO. Niets minder dan het voortbestaan van de natie staat op het spel en dan heeft men niets aan dergelijke verscheidenheid. Eenheid staat voor hem voorop.

Ook wil Nieuwenhuis een einde maken aan de drie verschillende afstudeerrichtingen op de Academie. Studenten in de ALO kunnen een diploma krijgen als gymleraar, jeugdleider of fysiotherapeut, maar Nieuwenhuis wil het opleiden van gymleraren tot kerntaak van de academie maken. Hij pleit er daarom voor om de andere twee richtingen op te heffen. Nou ja, pleiten… het gaat meer richting fulmineren wat Nieuwenhuis op papier doet, met onderstrepingen en al: ‘En de heele heilgymnastiek moet van de Academie verdwijnen en met haar alles wat meer medisch is dan natuurwetenschappelijk (orthopaedie en pathologie).

Ook al heeft en het N.O.C. en het College van Advies de heilgymnastiek aan de hoogere opleiding verbonden, onze Academie, die niet van den Staat is en daarom met belangengroepen te maken heeft, mag er niet aan denken. Aan haar ééne taak – de vorming van synthesische leiders – heeft ze meer dan genoeg. En ze kan alleen maar erkenning afdwingen als ze bij die ééne taak blijft, en niet den schijn van dilettantisme op ander gebied aanneemt.’

In zijn klare visie op de toekomst van de ALO borduurt Nieuwenhuis voort op ideeën die al sinds de eerste helft van de negentiende eeuw in het Nederlandse gymnastiekonderwijs circuleren. Hij meent dat lichamelijke oefeningen niet alleen het lichaam en het karakter vormen, maar uiteindelijk ook de geest of ‘de ziel’. Door te sporten kan men een beter mens worden – een ‘Totale Mens’ zelfs.

De nota van Nieuwenhuis voelt voor ALO-oprichters Van Schagen, Deelen en Gunning als een mes in de rug. Tijdens de afwezigheid van Nieuwenhuis hebben zij twee jaar lang getracht de boel naar beste vermogens op te zetten en te runnen, en nu wordt hun voorgehouden dat alles anders moet.

Met name Henri Deelen verzet zich fel tegen de plannen van Nieuwenhuis. Als reactie op het visiedocument van Nieuwenhuis schrijft hij zijn eigen beschouwing, waarin hij zich ‘teleurgesteld’ toont ‘omdat de rector zich niet voldoende heeft verdiept in de motieven achter de opzet van de ALO’. Deelen is rooms-katholiek en de woorden van Nieuwenhuis over vorming van lichaam en ziel voelen voor hem bijna als heiligschennis. Daarbij staat zijn katholieke achterban sceptisch tegenover het overwegend ‘neutrale’ Amsterdamse instituut. In Tilburg is ongeveer gelijktijdig een katholiek instituut opgericht en Deelen wil aan zijn achterban bewijzen dat hij de belangen van de katholieken op afdoende wijze behartigt. Hij ijvert daarom voor het behoud van de katholieke afstudeerrichting.

‘Geen man uit één stuk’

Misschien nog wel belangrijker is dat Deelen problemen heeft met enkele ‘persoonlijke eigenschappen’ van de rector. In zijn beschouwing houdt hij zich hierover nog op de vlakte, maar in een brief aan prof. dr. Philipp Kohnstamm, lid van het curatorium, gaat hij helemaal los. Deelen is vernietigend over de competentie en het karakter van Nieuwenhuis: ‘a. Als Organisator van onze Academie is hij ongeschikt; b. Als leider der studenten is hij minder geschikt; c. Bij de buitenwereld brengt hij de Academie in miscrediet’, en hij is ‘slordig, vergeetachtig en praatziek’. Ook neemt Deelen het Nieuwenhuis bijzonder kwalijk dat die de directeur van het gemeentelijk zwembad – bij de ALO op bezoek om zijn dochter in te schrijven – zou hebben ingelicht over ‘den z.g. wankelen finantieelen toestand der Academie’.

In zijn beschuldigende brief noemt de voormalige beroepsmilitair Deelen de rector ‘geen man uit één stuk’ en acht hij hem geen goed voorbeeld voor de jeugd. Met deze nauwelijks verholen verwijzing naar de homoseksualiteit van Nieuwenhuis benoemt Deelen indirect een in ieder geval voor hem kennelijk groot probleem. Gerrits zuster Willemien Schoemaker-Nieuwenhuis – zowel in Indië als in Nederland het hoofd van Gerrits huishouding – heeft haar neef Jaap, zoon van Gerrits broer Jaap, eens toevertrouwd dat ‘Daddy’, zoals Gerrit werd genoemd, in de periode 1925-1927 in Nederlands-Indië een verhouding had met kunstschilder Arnold ‘Nolle’ Bokhorst.

Op www.deventer-bokhorstkunst.nl schrijft Carolus van Doornen daarover: ‘Nieuwenhuis wist de vader van Nolle te overreden om zijn zoon te laten gaan, bekostigde de overtocht naar Indië en nam hem op in zijn huis onder de voorwaarde, dat hij zou proberen met palet en penseel de kost te verdienen. (…) De ongetrouwde Nieuwenhuis had (…) geen zuivere of “normale” relatie met Nolle, zoals blijkt uit een aantal onaangename en dwingende brieven van hem aan Nolle, die bewaard zijn gebleven.’

Sinds de kerstvakantie van 1926 gaat een geselecteerde groet ALO-studenten op wintersportreis. Die eerste keer verblijft de ALO-groep in het Oostenrijkse Gargellen. Deze fotoansichtkaart stamt uit 1931 en is genomen – aldus de tekst op de achterkant – in ‘Wintersportplats Hofgastein’ in Oostenrijk. Achterste rij, tweede van links: Nolle Bokhorst, vijfde van links: Adam Bachtiar, achtste van links: Jaap Nieuwenhuis en twaalfde van links (nauwelijks te zien): Gerrit Nieuwenhuis. Zittend tweede van links: Sjafei Samoerdja en links van het midden, kalend: Gerrit Nieuwenhuis. Collectie Jaap Nieuwenhuis.

Het feit dat Nieuwenhuis homoseksueel is, wordt nooit direct benoemd, maar is min of meer een publiek geheim, en binnen de familie Nieuwenhuis een welbekend gegeven. In latere levensschetsen wordt hij beschreven als een man met ‘verborgen kanten’ en ‘met hoge emotionaliteit, in ’t bijzonder van het niet-instinctieve, hoogere sentiments-leven’, waardoor uitingen tot stand kwamen ‘die een deftige Hollandsche vergaderingen moesten doen rillen’. In het Nederland van de jaren twintig en dertig van de twintigste eeuw is homoseksualiteit nog verre van algemeen geaccepteerd. Zeker rouwdouwers als ex-legerofficier Deelen zullen het moeilijk hebben gevonden om Nieuwenhuis onbevooroordeeld te benaderen.

De inhoudelijke en persoonlijke tegenstellingen tussen Nieuwenhuis en Deelen splijten het ALO-bestuur. Voorzitter Abraham Dudok van Heel (1871-1936), overigens ook een beroepsmilitair, is net als de rector fel tegen de levensbeschouwelijke opsplitsing, terwijl Gunning, die afkomstig is uit een prominent geslacht van predikanten en theologen, de kant van Deelen kiest. Uiteindelijk hakt de senaat van de Academie in het voorjaar van 1930 de knoop door en spreekt onbeperkt vertrouwen in de rector uit. Deelen en Gunning moeten het veld ruimen, waarmee de rust binnen de muren van de Academie vijf jaar na de oprichting dan eindelijk lijkt te zijn gevonden.

Te vroeg einde

Nu Nieuwenhuis als rector eindelijk zijn gang kan gaan, begint hij met puin ruimen. Hij brengt verbetering in de financiële positie van de ALO met de hulp van zijn goede vriend Henri Deterding (1866-1939), president-directeur van Koninklijke Shell en een groot voorstander van sport en lichamelijke opvoeding. Deterding weet een paar van zijn zakenvrienden te overtuigen een waarborgfonds op te zetten, waarop de Academie in geval van nood kan terugvallen. Eerder heeft hij ook al zo’n constructie opgetuigd ter ondersteuning van de Olympische Spelen van 1928 in Amsterdam.

Hij overleeft de ALO-crisis zodoende, maar komt niet onbeschadigd uit de strijd. Met zijn compromisloze houding en zijn uitgesproken mening heeft hij flink wat mensen tegen zich in het harnas gejaagd. Van de mensen die hij moet opleiden heeft hij evenmin een hoge pet op. In een toespraak in 1930 verwijt hij de gymnastiekonderwijzers dat zij zich vooral bezighouden met hun eigen uren en salarisverhogingen; zaken die volgens hem totaal onbelangrijk zijn binnen het grotere geheel van het ‘voortbestaan van de Westerse beschaving’.
Als de mogelijkheid zich voordoet voor zijn benoeming tot hoogleraar in de sociologie, lijkt dit een oplossing die voor alle partijen het beste is. Dit geluk is hem echter niet gegeven. In de nacht van 26 september 1931 verongelukt hij met zijn auto in de buurt van Deventer (zie de kadertekst). Voor Nieuwenhuis moeten zijn jaren in Nederland als een teleurstelling hebben gevoeld. In een brief aan Gunning spreekt hij in 1926 nog uit blij te zijn in Nederland een ‘hoger geestelijk milieu’ te vinden dan hij in Indië gewend is. Hij verheugt zich op het ‘contact met idealisten die Nederland sterker wilden maken’. Maar in de praktijk moet hij zich bezighouden met ruzies die het niveau van het schoolplein nauwelijks ontstijgen, waar hij zich overigens als door een blinde ijver gedreven in mengt.

In een In Memoriam stelt Kohnstamm dan ook dat Nieuwenhuis zich vaak niet begrepen voelde. Ook gymnastiekonderwijzer Jo Korpershoek (1884-1967) moet erkennen dat zijn collega’s de bedoelingen van de rector niet altijd op waarde wisten te schatten. Een tragische conclusie over een man die alom werd erkend als een briljant denker met een ‘kosmische herscheppingsdrang’. De ‘bohemien onder de ambtenaren’ trad vaak buiten de gebaande paden, maar altijd in de overtuiging daarmee de jeugd van dienst te zijn. Waar Korpershoek nog fijntjes aan toevoegt: ‘Voor de detailles was hij niet georiënteerd, hij zag de groote krachten, de hoofdlijnen en het groote doel, de vakkundige detailles liet hij aan de technici, moest en wilde hij hun laten.’
De Oostenrijker Karl Gaulhofer volgt Nieuwenhuis op als rector. Over hem zijn de gedenkboeken van de ALO kort ‘gezien de politieke opvattingen, waarvan de benoemde sinds 1940 openlijk blijk gaf’. Maar dat is een ander verhaal.

Het erfgoed van Nieuwenhuis

Anno 2017 zijn de ideeën van Nieuwenhuis opvallend actueel. ‘Binnen honderd jaar geeft China overal de toon aan’, zo stelt hij in 1930. ‘Zij hebben mensen en herbergen in hun bodem immense hulpmiddelen.’ Een waarschuwing die net zo goed tegenwoordig zou kunnen klinken. Het Aziatische continent is nog steeds, of alweer, in opkomst en ook nu vrezen er mensen dat China het Westen gaat overvleugelen. Of de doemdenkers weet hebben dat aan het eind van de jaren 1920 identieke woorden hebben geklonken, is echter de vraag.

Hans Mackaaij, opleidingsmanager van de ALO tussen 2008 en 2016, meent dat het gedachtengoed van zijn voorganger Nieuwenhuis en de keuzes die hij maakte, niets aan waarde hebben verloren: ‘Ik kan me er geheel in vinden. Heilgymnastiek heeft zich uiteindelijk ontwikkeld tot het mooie vak van fysiotherapie en ook het beroep van gymleraar is volop tot wasdom gekomen. Ik ben blij dat er toentertijd tot specialisatie is besloten, en dat er direct hieraan verbonden een verbreding van de focus van het vak heeft plaatsgevonden: van het lichaam naar de totale mens.’

Toch herinnert er bij de Academie weinig meer aan haar eerste rector. In het laatste gedenkboek van het instituut, uitgegeven ter ere van haar 75-jarig bestaan, komt zijn naam zeggen en schrijven twee maal voor.
Op de huidige ALO-locatie aan de dr. Meurerlaan in Amsterdam is gelukkig nog wel de massieve plaquette van Gerrit Nieuwenhuis aanwezig, die in 1932 in het academiegebouw aan de Nicolaas Maesstraat 100 is geplaatst.

Het ronde monumentje van 47 bij 47 centimeter is steeds naar nieuwe locaties meeverhuisd zonder een vaste plek te krijgen, maar daar is verandering in gekomen na de recente verbouwing in augustus 2016. Faculteitsvoorzitter Jacomine Ravensbergen: ‘De plaquette heeft nu een definitieve ereplaats gekregen, naast het schilderij van Dr. Rudolph Meurer naar wie het faculteitsgebouw is vernoemd – de coach van de nationale roeiploeg die in 1900 in Parijs de eerste Nederlandse gouden olympische medaille behaalde.’

Dit artikel is eerder verschenen in #79 van het sporthistorische magazine de SPORTWERELD (maar 25 euro!: zie www.desportwereld.nl).

Waardeer dit artikel!

Dit artikel las je gratis. Vond je het de moeite waard? Dan kun je je waardering laten blijken met een kleine financiële bijdrage.

 
Mijn gekozen waardering € -

Jelle Zondag
Jelle Zondag (1985) is promovendus bij de Onderzoeksgroep Sportgeschiedenis aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Daar werkt hij aan een proefschrift over de ideologische geschiedenis van sport, lichamelijke opvoeding en beweegcultuur in Nederland. Hij is bestuurslid van de Stichting de Sportwereld en redacteur van de Canon van de Lichamelijke Opvoeding. Zelf is hij actief als voetballer, wielrenner en hardloper.