NieuwSport en politiek

Minister Bruins van Onderwijs is de grootste bedreiging voor de universiteitssport sinds de Tweede Wereldoorlog

De universiteitssport bestaat tachtig jaar, maar wordt momenteel serieus bedreigd door ingrijpende voorstellen. Sportgeschiedenis start een artikelenserie over de geschiedenis van de sport op de universiteit, omdat hier maar weinig over bekend is.

Sportbeoefening tijdens de civitasdagen van 1957 van de Vrije Universiteit in conferentieoord ‘De Pietersberg’ in Oosterbeek. Foto via de Beeldbank UBVU

De universiteitssport is met zo’n 123.000 beoefenaars één van de grootste onderdelen van de Nederlandse sportbeweging. Door regeringsvoorstellen staat die nu onder grote druk. Het is de grootste bedreiging voor de studentensport sinds de Tweede Wereldoorlog.

In de afgelopen jaren schreef ik twee boeken over de geschiedenis van de universiteitssport, eerst voor de Vrije Universiteit en daarna de Universiteit van Amsterdam. Met behulp van die onderzoeken schets ik de ontwikkeling van de sportende studenten.

Weg met de scheidsmuren. Weg met hokjes, allen één voor de universiteit

Keizer Karel Universiteit

De Duitse inval in mei 1940 leidde niet meteen tot een stilstand van het universitaire leven en daarmee van de studentensport. ‘Ondanks dit alles,’ schreef Peter Jan Knegtmans in Een kwetsbaar centrum van de geest, ‘werd tijdens en na de spannende maanden in de winter van 1940-’41 in veel opzichten een normaal studentenleven geleid. Er werd gefeest, gesport en gestudeerd.’

Het universitaire sportleven was nog geheel in handen van het studentencorps. De universiteiten en de overheid bemoeiden zich voor de Tweede Wereldoorlog niet met het geestelijke en lichamelijke welzijn van de studenten. De Keizer Karel Universiteit besloot al snel na de Duitse inval dat hierin verandering moest komen. Zij benoemde Jos Serré tot sportleider van de universiteit – als eerste ooit. Deze instelling liep daarmee vijf jaar vooruit op de geschiedenis.

Amsterdam

De Amsterdamsche Studenten Sport Unie ASSU greep het eerste bezettingsjaar aan voor nieuwe activiteiten. Deze organisatie bestond al sinds 1938, met een jaar later zelfs een internationale wedstrijd tegen studenten uit Munster, maar tot veel meer was ze niet gekomen.

In de winter van 1940-1941 ontstond er weer wat leven in de ASSU, een samenwerking van verschillende studentenorganisaties. De ASSU was niet bedoeld als vervanging van de bestaande studentensportverenigingen, maar behartigde de sportbelangen ‘van den student aan de Amsterdamsche Universiteit’.

Zo was er in de sport een zeer opmerkelijke samenwerking ontstaan met corporale en niet-corporale organisaties, dwars door alle zuilen en levensovertuigingen heen. Dat was volkomen nieuw, al was het pril en, naar later bleek, zeer kwetsbaar. Gustave Tripels werd aangewezen als algemeen leider, waarbij hij meteen de universiteit benaderde om mee te werken. In een gesprek met het ANP op 23 december 1940 sprak hij de wens uit voor een vaste vrije middag voor alle studenten om een sport te beoefenen. “Wij denken ons dan ook met een dergelijk verzoek te wenden tot den rectormagnificus en spreken de hoop uit, dat wij een gunstig gehoor zullen vinden.”

In de maanden daarna sprak hij met het universiteitsbestuur, het Departement van Opvoeding, Wetenschap en Cultuurbescherming en de wethouder van Onderwijs in Amsterdam, die allemaal hun medewerking toezegden. Het leidde zelfs tot een Algemeene Universiteits Sportdag op 30 mei 1941, met een interfacultair hockeytoernooi op het Museumplein en zwemwedstrijden in het Sportfondsenbad Oost. De rector-magnificus reikte persoonlijk de prijzen uit. Heel bijzonder, want studenten, universiteit en de overheid werkten zo voor de eerste keer samen bij de studentensport.

Het einde

Het is bij deze ene sportdag gebleven, want in de maanden daarna kwam het openbare studentenleven compleet tot stilstand. De oorlog werd in die maanden grimmiger met op 22 en 23 februari 1941 de eerste razzia’s onder de Joodse bevolking in Amsterdam, waarbij 400 jonge mannen werden opgepakt en afgevoerd – de aanleiding voor de Februaristaking. Enkele maanden later, op 11 juni, waren er razzia’s in Amsterdam-Zuid, onder meer bij de Joodse roeiclub Poseidon. Onder de gearresteerden bevonden zich vijf studenten en drie promovendi. Niemand keerde terug.

Het Amsterdamse studentenleven kwam zo tot een einde, ook in de sport. Op 28 oktober 1941 ontbond het Amsterdamse studentencorps zichzelf uit protest tegen het Joodse ledenverbod. Het leidde tot de grootste kroegjool ooit in de Amsterdamse corpsgeschiedenis om te voorkomen dat de bezittingen in verkeerde handen kwamen. De complete drankvoorraad werd die avond weggezopen. Via de disputen werden de onderlinge banden nog wel gehandhaafd, al was het vaak in het geheim met de bijeenkomst bij één van de leden thuis. Er kwam zo een voorlopig einde aan de studentensport in Amsterdam.

Elk papiertje met informatie was dodelijk als potentieel bewijsmateriaal

Ondergronds

Vanaf de ontbinding van het Amsterdamse studentenleven is het heel moeilijk om een beeld te krijgen welke discussies er werden gevoerd over het universitaire leven en de rol daarbij van sport en lichamelijke opvoeding. Er werd niets meer vastgelegd, omdat het leven van deze studenten permanent in gevaar was. Elk papiertje met informatie was dan dodelijk als potentieel bewijsmateriaal. Zo waren er geen openlijke aankondigingen meer van vergaderingen, die al helemaal niet meer werden genotuleerd.

Dat neemt niet weg dat we met gebruik van verschillende bronnen toch een redelijk beeld krijgen hoe er in die laatste oorlogsjaren werd nagedacht over de toekomst van de universiteit en het studentenleven ná de oorlog. Daarbij werd ook gesproken over de rol van sport en lichamelijke opvoeding, al vormden die maar een klein deel van het hele debat. Toch mogen we dit deel niet onderschatten, want alleen al het feit, dat er over het lichamelijke en geestelijke welzijn van de studenten werd nagedacht, was nieuw.

Civitas

Daar was wel de steun voor nodig van de universiteit, vooral financieel, omdat dit anders een onmogelijke ambitie was. Zo werden de contouren van een nieuwe universitaire cultuur steeds beter zichtbaar, de zogenaamde civitasgedachte, waarbij de complete universitaire gemeenschap met elkaar zou samenwerken.

Dat gold ook voor de Vrije Universiteit, waar curator Taeke Ferwerda in juni 1941 de eerste besprekingen had met de hoogleraren Jacobus Oranje en Jan Waterink. Iets vergelijkbaars speelde in diezelfde tijd ook op de universiteiten in Groningen, Tilburg en Utrecht. ‘Weg met de scheidsmuren,’ vatte sporthistoricus Nico van Horn deze nieuwe tendens samen. ‘Weg met hokjes, allen één voor de universiteit.’

De omstandigheden werden steeds zwaarder door de massale onderduik en de Hongerwinter, maar de studenten en universiteiten bleven opvallend hoopvol over de toekomst: ‘Door de oorlog, wat het wegvallen van de bestaande organisatievormen met zich meebracht, is het mogelijk een flinke sprong verder te gaan.’

Meteen na de Bevrijding kwamen er allemaal nieuwe overkoepelende organisaties op de universiteiten, ook in de sport. Daarover meer in het volgende deel.

Waardeer deze site!

Onze content is gratis. Vond je het de moeite waard? Dan kun je dat laten blijken met een kleine financiële bijdrage.

Mijn gekozen waardering € -

Jurryt van de Vooren
https://sportgeschiedenis.nl
Specialist in sporterfgoed. Al meer dan 25 jaar de enige Amsterdammer, die is afgestudeerd op Feyenoord.