NieuwSport en politiek

Onder Rutte IV wordt een complete generatie in de steek gelaten

Pas in de jaren zestig toonde de overheid voor de eerste keer belangstelling voor sportbeleid, maar onder Mark Rutte is aan die tijd een einde gekomen.

Het oude veld van AFC Amsterdam aan de Zuidas, foto Doriann Kransberg via het Stadsarchief Amsterdam

Tot ver na de Tweede Wereldoorlog weigerde de overheid zich actief te bemoeien met sport. Van alle kanten kwamen noodoproepen, zoals bij de oprichting van de Sportraad Amsterdam in 1952. ‘Meer sportterreinen, meer oefengelegenheden voor indoorsporten’, eiste dit nieuwe orgaan, tot grote ergernis van de gemeente Amsterdam. In 1955 werd de behoefte uitgesproken voor de bouw van vijftien nieuwe sporthallen in de komende vijf jaar voor alléén de hoofdstad. Er kwam er niet één.

Noodtoestand

Het Nederlands Olympisch Comité maakte een nationale inventarisatie in de Sportnota 1958, schrijvend over ‘de noodtoestand waarin honderden sportverenigingen verkeren’, Het aantal leden van sportverenigingen was tussen 1946 en 1957 bijna verdubbeld terwijl het aantal accommodaties was afgenomen. Steeds méér sporters maakten gebruik van steeds minder faciliteiten.

De tennisbond constateerde een minimaal tekort van 266 tennisbanen. Volgens de KNVB was er behoefte aan 1426 velden, nog los van 841 bestaande voetbalaccommodaties met onvoldoende kleedgelegenheden. De crisis in de lichaamsbeweging heerste verder op scholen, zowel in het aantal gymlokalen als vierkante meters speelruimtes. Als gevolg hiervan was er alle reden voor het uitbreken van de gezagscrisis en het generatieconflict midden jaren zestig. Er was voor de jeugd simpelweg niets te doen in de betonjungle.

‘Waar kan je een geïmproviseerd rovertjesspel doen, waar krijgertje spelen, waar spanning en avontuur beleven zonder onder een auto te komen of door een agent te worden berispt?’, zo omschreef Algemeen Handelsblad treffend in 1951 – toen al!

Geen bezuiniging

Pas in 1960 kwam er enige verandering met het verschijnen van de overheidsnota Lichamelijke oefening en sport, een keerpunt in het beleid. Sportbeoefening werd hierin beschouwd als een zinvolle vorm van vrijetijdsbesteding. In 1965 kreeg Amsterdam eindelijk zijn eerste sporthal, tien jaar later dan gehoopt. Twee jaar later legde het kabinet-Cals in de Troonrede vast dat er zou worden geïnvesteerd in de bouw van sporthallen door het hele land. En aan het eind van het decennium sloot de overheid zich aan bij de nationale campagne Trim U Fit. In een speciale bijlage in De Telegraaf van 18 augustus 1969 riepen de ministers en staatssecretarissen zelfs op om in beweging te komen. ‘Weg met de buikjes en de slappe spieren.’

In de decennia daarna is er veel gebeurd. In de nota Sport 70 presenteerde de sportwereld een gedetailleerd plan voor een nationaal sportbeleid, wat al snel zijn vruchten afwierp. Na een effectieve lobby in 1973 keurde de Tweede Kamer een amendement goed om een bezuiniging op het sportbudget ongedaan te maken. En ook in Europa kwam sport op de politieke agenda met het handvest Sport voor Allen uit 1975, waarin officieel werd vastgelegd dat iedere Europese burger recht heeft op actieve sportbeoefening.

De paarse kabinetten van de jaren 90 hadden veel aandacht voor innovatie op sportgebied, onder meer via de nota Wat sport beweegt. In 1999 werd de breedtesportimpuls geïntroduceerd voor ‘versterking van de sociale infrastructuur en op de intrinsieke en maatschappelijke doelen van sport’. Voor de eerste keer kwam er een bewust topsportbeleid, dat in onze tijd leidt tot ongekende successen op de Olympische Spelen.

Nieuwe betonwoestijn

Deze aandacht voor de maatschappelijke positie van sport is een intermezzo geweest, zo blijkt inmiddels. De beweegruimte is opnieuw in gevaar. In 2017 toonde De Bosatlas van het Nederlandse voetbal aan dat voetbalclubs steeds meer naar de buitenkant van de stad worden gedrukt, in veel gevallen gedwongen door de eigen gemeente. Al die clubs zitten tenslotte maar op dure grond waar ook huizen, fabrieken en wegen hadden kunnen staan – net als in 1951. Steeds méér voetballers maken gebruik van steeds minder velden.

Onderzoek van de Universiteit van Amsterdam uit 2019 toonde aan dat er in die stad in de voorgaande vijftien jaar alleen al binnen de Ring A10 meer dan drie vierkante kilometer aan groen is verdwenen – evenveel ruimte als 500 voetbalvelden. In datzelfde jaar wees de Sportraad Amsterdam erop dat de sportnorm voor nieuwbouwwijken slecht wordt nageleefd. Zo waren er in het stadsdeel Noord 6700 woningen gepland zónder nieuwe sportvelden, net als in alle andere bouwputten van de stad. Deze constatering van de Sportraad leidde tot grote ergernis bij de gemeente Amsterdam, net als in 1952. En toen moest corona nog beginnen, de grootste klap voor de sportwereld.

In het nieuwe regeerakkoord is hiervoor geen enkele aandacht. De oprukkende betonwoestijn krijgt opnieuw alle ruimte. Het huidige sportbeleid is daarmee een historische stap van Rutte IV. Helaas wel letterlijk, want de maatschappelijke positie van de sport gaat minstens zeventig jaar terug in de tijd. Voor de tweede keer wordt een complete generatie in de steek gelaten.

 

Waardeer dit artikel!

Dit artikel las je gratis. Vond je het de moeite waard? Dan kun je dat laten blijken met een kleine financiële bijdrage.

 
Mijn gekozen waardering € -

Micha Peters
Bedenker en beheerder van Sportgeschiedenis.nl. Journalist en (sport)historicus.