Studenten protesteerden in de jaren 70 tegen hun eigen universitaire sportcentra
De universiteitssport bestaat tachtig jaar en is in die tijd enorm gegroeid. In een artikelenserie beschrijven we de geschiedenis – het vorige deel staat hier.

Er waren in de jaren 60 en 70 allemaal studentenacties, maar de sportvoorzieningen waren geen thema. Foto via het Nationaal Archief
De universiteitssport is met zo’n 123.000 beoefenaars één van de grootste onderdelen van de Nederlandse sportbeweging. In de afgelopen jaren schreef ik twee boeken over de geschiedenis van de universiteitssport, eerst voor de Vrije Universiteit en daarna de Universiteit van Amsterdam. Met behulp van die onderzoeken schets ik de ontwikkeling van de sportende studenten.
Zelfs bij het studentencorps waren voorstanders van het linkse standpunt van sportieve gelijkheid en broederschap
Principieel onjuist
In de jaren zestig werden door heel Nederland universitaire sportcentra gebouwd. Het was het directe gevolg van de eerste overheidsinvesteringen in deze sector, na discussies van tientallen jaren lang. Het eerste protest tegen deze instellingen kwam van – echt waar – de linkse studentenbeweging.
In 1969 verscheen een rapport van kritische studenten, waarin werd opgemerkt ‘dat het de taak van de overheid is de sport voor iedereen te verzorgen en niet in de vorm van een studentenvoorziening voor studerenden aan een instelling voor hoger onderwijs’. Het was principieel onjuist, zo luidde de conclusie, dat de sport voor studerenden een groter belang heeft dan voor niet-studerenden.
In de Universiteitsraad van de Universiteit van Amsterdam, die in 1971 was ingevoerd, klonk regelmatig dezelfde kritiek over de noodzaak van een centrale hal. In plaats daarvan moesten er door de hele stad kleinere buurtsportcentra komen, waar iedereen gebruik van kon maken, en dus niet alleen de studenten. Zelfs bij het studentencorps waren eind jaren zestig voorstanders te vinden van dit linkse standpunt van sportieve gelijkheid en broederschap.
Deze progressieve inzichten over gedeelde sportcentra botste alleen wel met de bestaande realiteit, omdat de complete Nederlandse sportwereld toen al een kwarteeuw werd belemmerd door enorme tekorten aan veilige faciliteiten. Het Nederlands Olympisch Comité bracht al in 1958 een Sportnota uit over ‘de noodtoestand waarin honderden sportverenigingen verkeren’. Het aantal sporters in Nederland was tussen 1946 en 1957 zo goed als verdubbeld terwijl het aantal accommodaties was afgenomen.
Zo ontstond de paradoxale situatie dat steeds méér sporters gebruik maakten van steeds minder faciliteiten. De tennisbond constateerde een tekort van minimaal 266 banen. De KNVB had behoefte aan 1426 nieuwe velden, nog los van 841 bestaande voetbalaccommodaties met onvoldoende kleedgelegenheden. En dan waren er nog eens tientallen bonden met zulke klachten en tekorten.
Amsterdam onttrok zich niet aan deze nijpende situatie – integendeel. Daar werd in 1913 (!) voor de eerste keer een commissie samengesteld om de aanleg van een sporthal te onderzoeken. Pas in 1965 werd in de Van Hogendorpstraat die eerste sporthal geopend, na meer dan een halve eeuw discussies. Vóór die tijd moesten zaalsporters uit Amsterdam-Noord en de Westelijke Tuinsteden minstens twintig kilometer reizen om hun sport te beoefenen. Als noodoplossing kreeg de stad in 1961 de eerste opblaasbare sporthallen van het land, als reactie op de dreigende sluiting van honderd tennisbanen, de helft van het totaal. De crisis in de sport was verschrikkelijk, oordeelde de Sportraad Amsterdam begin jaren zestig. Aan het eind van dat decennium was het allemaal nog net zo erg.
Het was daarom niet te verwachten dat Amsterdam op korte termijn buurtsportcentra zou bouwen. Er was in ieder geval geen enkele aanwijzing van zo’n enorme trendbreuk, waarop dan ook werd gewezen door de voorstanders van centrale voorzieningen voor de studentensport. Niet alleen leverden die een bijdrage aan de ontwikkeling van de universiteitssport, maar nog mooier was dat die ruimte groot genoeg was om ook onderdak te bieden aan andere Amsterdammers sporters.

Werelden in botsing
Ondank dit opmerkelijke verzet van de studentenbeweging werd er in 1976 toch een studentensportcentrum geopend aan de De Boelelaan. De progressieve studentenfractie van de ASVA in de Universiteitsraad kwam daarna nog steeds met grote bezwaren, waarover Hans Anton Spaans een notitie schreef. Het leidde tot enorme commotie, want het studentenraadslid strooide hierin met ongefundeerde en onbewezen beschuldigingen.
Zo vond Spaans het onzinnig dat het sportcentrum trainers had ingehuurd, omdat de studenten veel liever zelf gingen sporten, zónder instructies van die specialisten. Deze coaches waren volgens hem ook nog eens verblind door de sportideologie, waarbij alleen de beste mocht overwinnen, ten koste van alles. De vrouwelijke studenten waren daar het grootste slachtoffer van, want die werden uitgesloten van een populaire sport als zaalvoetbal. De ASVA beschuldigde het sportcentrum daarmee van seksisme en discriminatie, zónder een concreet geval te noemen.
Wat het programma biedt, is veelal op uitdrukkelijke wens van de deelnemers
Het geld voor die trainers, zo vervolgde de notitie, kon beter worden gebruikt om extra zaalaccommodaties te huren. Spaans dacht dan aan tafeltennistafels op de instellingen zelf, ‘misschien her en der een tennis- of basketbalbaan op een binnenterrein, maar bijvoorbeeld ook squash.’ Deze sporten namen toch weinig ruimte in, zo meende de ASVA tenminste, wederom zonder concrete voorbeelden.
Deze notitie sloeg in als een bom. Voorzitter Lex van Rootselaar van de Universitaire Sportvereniging was razend. ‘Een groot deel van de deelnemers gaat het wel degelijk om het verbeteren van de eigen vaardigheden. Dat is in de ogen van de ASVA misschien niet zoals het goede studenten betaamt, maar is wel de praktijk.’
Er werd door de studentenbond daarom een tegenstelling onder de studenten gesuggereerd, die er helemaal niet was: ‘Ook recreatiesporters willen plezier beleven aan hun sport en daarvoor is wel degelijk instructie nodig, zo mogelijk aangepast aan de niveaus van de deelnemers.’
Van Rootselaar verweet de ASVA een fundamenteel tekort aan kennis over de universiteitssport – een terechte constatering. Een sport als tennis heeft juist wél veel ruimte nodig, wat precies het probleem was: ‘Ten eerste is er in Amsterdam geen zaalruimte te huren door de universiteit en ten tweede loopt de financiering van beide dingen verschillend.’ Het geld dat bespaard zou worden met het ontslag van de coaches, kon daarvoor dus niet worden ingezet.
Het College van Bestuur stuurde een officiële reactie, die langer was dan de notitie zelf – vooral om alle vooraannames te weerleggen. Zo verwierp universiteitssecretaris Ruud Bleijerveld de gedachte dat studentensporters niet waren geïnteresseerd in trainingen en instructies. ‘Wat het programma biedt, is tot stand gekomen in overleg en veelal op uitdrukkelijke wens van de deelnemers. Als in de huidige situatie zich af en toe het geval voordoet, dat een bij de instructeurs ontstane vacature niet kan worden opgevuld, dan stromen de klachten binnen.’
Bleijerveld reageerde ook op de beschuldiging van seksisme en discriminatie op de sportvloer. Mannen hadden volgens hem net zoveel last van het ruimtegebrek, zoals de wachtlijsten aantoonden. Het was een bron van zorg voor het universiteitsbestuur, verzekerde Bleijerveld: ‘Conform het in de concept-nota neergelegde beleid zal ons college zijn inspanningen tot uitbreiding van accommodatie voortzetten en waar nodig versterken.’
Zo maakte deze ASVA-notitie pijnlijk duidelijk dat het Sportcentrum en de studentenbond twee verschillende werelden waren, die regelmatig met elkaar in botsing kwamen. Ze hadden weliswaar dezelfde wortels in de Tweede Wereldoorlog, maar daar was in de jaren zeventig geen sprake meer van.
Deel 1 staat hier
Deel 2 staat hier
Deel 2 staat hier

