BasketbalNieuw

De Nederlandse Basketball Bond bestaat 75 jaar

Op 15 juli 1947 werd de Nederlandse Basketball Bond opgericht. Deze sport werd lange tijd gezien als een gekke vorm van korfbal.

De oudste foto van basketbal in Nederland, in 1930 bij de AMVJ, foto via het Stadsarchief Amsterdam

Op 22 februari 1947 kwamen er vanuit heel Nederland basketballers naar het AMVJ-gebouw in Amsterdam om te praten over de oprichting van een bond. De aanwezigheid van Dick Schmüll was vanzelfsprekend, want hij was toen al decennia betrokken bij deze sport. Op 15 juli 1947 was de daadwerkelijke oprichtingsvergadering van de Nederlandse Basketball Bond.

Technisch zwak

De directe aanleiding was de deelname van Nederlandse spelers aan het EK basketbal, wat in 1946 en 1947 nog was gebeurd zonder aansluiting bij de internationale bond. En ook hier had Schmüll een grote rol als technisch leider van dit team. Het EK van 1946 was in Genève, de eerste editie na de oorlog, waarvoor Nederland werd uitgenodigd, ondanks de afwezigheid van een nationale bond. In een razend tempo stelde hij als technisch leider een team samen, dat een maand later al naar Zwitserland reisde. “Wat voor ploeg?,” zei Schmüll. “Weet ik veel, tien korfballers of zo, maar we gingen wel.”

Het was de geboorte van het Nederlandse basketbalteam, want op dat EK speelde het tegen Engeland zijn eerste officiële wedstrijd. ‘Veel vertrouwen in de kunst der Nederlandsche spelers had men te Genève niet,’ merkte Algemeen Handelsblad op. ‘Men had nog nimmer iets van Nederlandsche baskettballspelers op internationaal terrein gehoord.’ De verbazing was dan ook groot toen Nederland met 48-27 won. De ploeg was technisch nog zwak, luidde het algemene oordeel, maar het spelbegrip maakte veel goed, net als haar wilskracht. Oranje eindigde uiteindelijk op een zesde plaats op dit EK, van de tien deelnemers.

Ook voor het EK van 1947 werd Nederland uitgenodigd, maar dan wel onder de voorwaarde dat er daarna zo snel mogelijk een nationale bond werd opgericht. Precies 75 jaar geleden gebeurde dat na een periode van enkele decennia, waarin deze sport al in Nederland werd beoefend.

Een soort van korfbal

Basketbal werd in de beginperiode vooral vergeleken met korfbal. Volgens de vaderlandse pers was die nieuwe sport wel leuk als training, maar meer ook niet. Korfbal was echt en puur. En Nederlands, dachten de lezers er als vanzelf dan bij.

Dat het twee compleet verschillende sporten waren, werd overigens in 1920 al duidelijk toen korfbal de status kreeg van olympische demonstratiesport. Er was even sprake van een ontmoeting tussen Nederlandse korfballers en Amerikaanse basketballers op die Spelen van Antwerpen, maar dat ging toch niet door. Een jaar later moesten de liefhebbers het doen met een lezing over basketbal en korfbal.

Toch werd er eind 1921 een wedstrijd gemeld met Nederlandse basketbalspelers. Dagblad De Grondwet schreef: ‘Een match van baskettball, die te Antwerpen gespeeld werd tusschen de Antwerpsche gemengde ploeg Scaldis en de Hollandsche gemengde ploeg Philips-Sport club van Eindhoven, is onder veel belangstelling door de Antwerpenaren met 2—1 gewonnen.’

Wat ze nou precies hebben uitgespookt in Antwerpen, is echter de vraag, want 2-1 is wel een hele merkwaardige uitslag. En een half jaar eerder hadden die twee clubs ook al tegen elkaar gespeeld, maar dat was gewoon een korfbalwedstrijd, ter ere van de internationale promotie. Het meest aannemelijk is dat De Grondwet zich vergiste als Nederlandstalige krant in de Verenigde Staten en simpelweg niet doorhad dat er in het thuisland een korfbalwedstrijd was gespeeld.

Jonge Mannen

Gedurende de jaren 20 waren er wel verschillende demonstraties in ons land. Basketbal stond overigens niet alleen, want in diezelfde periode bereikten ook sporten als handbal, volleybal, badminton en midgetgolf ons land. In 1924 bijvoorbeeld werd er gebasketbald bij de Militaire Gymnastiek- en Sportschool in Utrecht. Vooral de AMJV, voluit de Amsterdamse Jonge Mannen Vereniging, was belangrijk voor al die sporten door aan de lopende band demonstraties te houden in hun onderkomen aan het Leidse Bosje. Het was ook de plek waar Schmüll werkte, die daar heel veel tijd en energie in stopte.

In januari 1930 was bij de AMVJ in ieder geval de eerste basketbalwedstrijd, waaraan we de oudste Nederlandse actiefoto van deze sport hebben overgehouden. In oktober dat jaar waren er internationale basketbalwedstrijden met een team van de Y.M.C.A. uit Londen en vijf eersteklassers uit de Nederlandse korfbalcompetitie. ‘Een pas loopen is geoorloofd,’ merkte sporttijdschrift De Corinthian op. ‘Solospel eveneens, doch dan is men verplicht den bal na elken pas te laten stuiten. De Hollanders werden door dit „dribbelen” herhaaldelijk verrast.’

De verslaggever had een leuke dag beleefd, alhoewel hij in basketbal nog geen onafhankelijke sport herkende: ‘Het is een aardig spel voor de toeschouwers, daar de strijd zeer levendig is en veel behendigheid van de spelers vereischt wordt. We gelooven zeker, dat men het meer en meer ook in ons land —evenals dat thans reeds alle Angelsaksische landen het geval is — zal gaan beoefenen en als wintertraining voor athleten of als oefening om de spieren lenig te houden voor onze voetballers zou dit mannelijke spel zeer geschikt zijn.’

Zoo huiverig

Deze terughoudendheid van de nationale sportpers was kenmerkend voor die tijd. Dat althans meende tijdschrift Sport in Beeld op 5 april 1932: ‘Waarom staan de sportredacteuren toch zoo huiverig ten opzichte van al het nieuwe, van al wat zich baan breekt van al wat ontluikt en ontbolstert? Waarom is men zoo sèc ten aanzien van honkbal en basketbal van pingpong en badminton? Is men bang dat de rubrieken nog uitgebreider worden dan thans? Huivert men voor het geld, dat men opnieuw zal moeten uitgeven? Of hebben de heeren geen zin meer om zich in een nieuwen tak van sport in te werken of om zich medewerkers te assumeeren, die den nieuwen tak van sport goed kunnen behandelen?’

Om toch aandacht te generen dook de nieuwe sport op de meest onverwachte plekken op, zo blijkt uit De Revue der Sporten van 20 april 1931: ‘De groote zaal van het Concertgebouw, die al heel wat gymnastiekuitvoeringen als afwisseling van Mengelberg’s en Monteux’ concerten heeft overleefd, was Zaterdagavond j.l. gereserveerd voor de afdeeling Lichamelijke Ontwikkeling van de A.M.V.J., die daarmee haar eerste openbare uitvoering gaf. De internationale basketballwedstrijd tusschen de A.M.V.J. en ’n vijftal Engelschen en Amerikanen vormde ’n pakkend slot; de Engelschen combineerden aanvankelijk zoo snel, dat het leek of ze tweemaal zoo talrijk waren als de A.M.V.J.’ers.’

Canadese soldaten

In datzelfde jaar werd het bestaan gemeld van de basketbalclub van de AMJV, de eerste van ons land, waarmee Amsterdam het centrum werd van deze sport, die verder in het land maar weinig werd beoefend. Tijdens de oorlogsjaren ontstond er in Rotterdam weliswaar een plaatselijke variant, maar die ontwikkelde bij gebrek aan contact met Amsterdam volgens andere regels. Pas na de Tweede Wereldoorlog kwam deze sport in een groeispurt, onder meer vanwege demonstratiewedstrijden van geallieerde soldaten na de Bevrijding. Vooral de Canadese soldaten bliezen het basketbal leven in met enkele professionele spelers, van wie we helaas de namen niet weten.

Op 24 mei 1945 was er in Amsterdam een basketbaltoernooi in de sportzaal van het Hoofdbureau van Politie, inclusief een team van Canadezen. Op 10 juni was in Rotterdam een toernooi met een Amsterdamse en Canadese ploeg, waarbij het wederom onbekend is met welke spelers. Dat is jammer, want volgens Het Vrije Volk hebben die soldaten een enorme bijdrage geleverd aan het Rotterdamse spel: ‘Buitengewoon veel hebben de spelers geleerd van de Canadezen, toen deze na de bevrijding in Rotterdam kwamen. Van hen leerde men de moderne Amerikaanse regels.’

Met de oprichting van een bond werd basketbal dan eindelijk een nationale sport. Na een aanlooptijd van enkele tientallen jaren slaagden de basketballers er dan eindelijk in als serieuze sport te worden erkend in dit korfballand.

Jurryt van de Vooren
https://sportgeschiedenis.nl
Specialist in sporterfgoed. Schreef mee aan het boek "Nooit meer Qatar" over de FIFA en mensenrechten. Al 25 jaar de enige Amsterdammer, die is afgestudeerd op Feyenoord.