Home > Balsporten > Hockey > De geschiedenis van het Wagener Stadion
Hockey

De geschiedenis van het Wagener Stadion

Het nationale hockeystadion is geopend in 1938.

In de jaren dertig werd Nederland zwaar getroffen door de economische crisis. Voor de sport was het desondanks een goede tijd, want de omstandigheden bleken ideaal voor werkverschaffingsprojecten. Een snelle inventarisatie leert dat er in die tijd in minstens vijftig steden en dorpen in ons land nieuwe sportterreinen werden aangelegd – van Arnhem tot Appingedam en van Zandvoort tot Zutphen. Het hockeystadion en de Bosbaan in het Amsterdamse Bos waren ook van die projecten.

Voor hockeyclub Amsterdam was het nieuwe stadion de redding nadat de club was verbannen uit het Olympisch Stadion. “Onze toestand was bijna hopeloos,” zei clubvoorzitter Joop Wagener zelfs. “Wij dachten reeds aan terreinen bij Haarlem of in ’t Gooi.” De Amsterdamse hockeyers hadden in de jaren dertig dus bijna de stad verlaten, maar dankzij het nieuwe stadion werd de club toch behouden.

Boschplan

De eerste keer dat over hockeyvelden werd gesproken in het Boschplan – zoals het toen nog heette – was in 1932 in Het Algemeen Handelsblad: ‘De georganiseerde sport worde bevorderd door (…) het aanleggen van voetbal-, korfbal-, hockey-, cricket- en tennisterreinen.’ Vijf jaar later werd besloten een hockeystadion te bouwen in het Amsterdamse Bos. ‘De inrichting heeft men zich zoodanig gedacht,’ aldus De Telegraaf, ‘dat er ten eerste een geheel apart hockey-stadion zal verrijzen, plaats biedende aan circa zes duizend personen, terwijl voorts nog vier groote hockey-terreinen aangelegd zullen worden, die des zomers één cricketveld zullen vormen!’

Het budget was 342.000 gulden – in onze tijd ongeveer 3,2 miljoen euro. Te vergelijking: het Ajax-stadion De Meer uit 1934 kostte honderdduizend gulden minder. Zo werden 37 mensen een half jaar aan het werk gezet, maar toch protesteerde het communistische gemeenteraadslid Leen Seegers: “Waarom laat men hockeyvelden in werkverschaffing uitvoeren? Hockey is een luxe-sport.” De rest van de gemeenteraad ging wél akkoord.

Zo maakte de hockeywereld zich op voor het jaar 1938 met zowel het veertigjarige bestaan van de Hockeybond, die ook nog eens Koninklijk werd, én de opening van het nieuwe stadion – toentertijd het mooiste van Europa. Met een vierlandentoernooi werden beide gebeurtenissen gevierd, met Nederland – Duitsland als droomfinale. De wedstrijd eindigde alleen in ruzie, omdat niemand had nagedacht wat er moest gebeuren bij gelijkspel. Het werd 2-2 en tot op het veld woedden onvriendelijke discussies. Verlengen! Strafballen! Loting! Voor de lieve vrede werd zowel Nederland als Duitser als winnaar aangewezen.

Wagener

Tijdschrift Revue der Sporten kwam in 1938 nog met het voorstel om het nieuwe stadion te vernoemen naar Joop Wagener: ‘Het is voor 90% zijn werk’. Na de dood van de clubvoorzitter in februari 1947 is dit inderdaad gebeurd, ‘zulks ter nagedachtenis van den man, die het initiatief tot de bouw van dit stadion heeft genomen’.

Mede door Wagener was de Amsterdamse sport in slechts tien jaar spectaculair gegroeid van het Olympisch Stadion van 1928 naar het hockeystadion van 1938. Dat hele gebied in het zuiden van de stad leek inmiddels wel een sportstad op zichzelf, meende tijdschrift Sport in Beeld, ‘zóó grootsch van opzet als er nauwelijks in Europa een tweede te vinden zal zijn.’ En dat allemaal dankzij de economische crisis.

Jurryt van de Vooren
http://Sportgeschiedenis.nl

Jurryt van de Vooren is sporthistoricus. Auteur van de Bosatlas van het Nederlandse voetbal. Bezig met boekenserie over Amsterdam en sport. Nog steeds de enige Amsterdammer die is afgestudeerd op Feyenoord.