NieuwTennis

Van ‘tannis’ tot ‘tennis’

Roger Federer en Novak Djokovic staan zondag in de Wimbledonfinale. Helaas konden de Nederlanders dit jaar wederom geen potten breken. Toch wordt er al bijna 130 jaar tennis gespeeld in Nederland. In de loop der tijd veranderde de sport van elitesport in volkssport, van ‘tannis’ in ‘tennis’.

Tennis werd rond 1885 in Nederland geïntroduceerd. In dat jaar werd de eerste Nederlandse tennisvereniging, de Anglo-Dutch Lawn Tennisclub, in Rotterdam opgericht. De club beschikte over slechts drie speelvelden. Tennis kon door iedereen worden gespeeld, zo blijkt uit een opmerking in het blad Nederlandsche Sport uit augustus 1886: ‘Het is eene uitspanning, die het aangename aan het gezonde paart, en waaraan door dames en heeren, jong en oud, deelgenomen kan worden.’

Het aantal tennisclubs groeide in de loop der jaren gestaag: in 1893 waren er acht tennisclubs in Haarlem, een jaar later vier in Leiden, in 1895 negen in Rotterdam en in 1897 drie clubs in de stad Groningen.

Van NTLB tot KNTLB

Vanaf februari 1896 verschenen er in diverse sportbladen oproepen voor de oprichting van een landelijke tennisbond. Een maand later schreef B.J. Zuijderhoff in tijdschrift De Athleet: ‘Op dus Tennis-liefhebbers, niet langer getreuzeld, maar samengewerkt voor een goed doel. Gij moogt niet langer vreemd voor elkaar blijven. Naar stand of rang behoort niet gezien. Wanneer men met elkaar in een bond verkeert, dan verkeert men nog niet met elkaar in dezelfde vereeniging.’

Het zou nog even duren, maar op maandag 5 juni 1899 werd in het Poolsche Koffiehuis in de Kalverstraat in Amsterdam, daadwerkelijk de Nederlandsche Lawn Tennis Bond (NLTB) opgericht. Bij het veertigjarig bestaan in 1939 ontving de bond, onder beschermheerschap van Prins Bernhard, het predicaat ‘Koninklijk’.

Vanaf 1899 organiseerde de bond elk jaar een nationaal kampioenschap voor individuele spelers, steeds op andere accommodaties. In 1900 werd de eerste clubcompetitie gehouden, waaraan vier verenigingen deelnamen. Deze clubcompetitie kreeg vanaf 1911 deelnemers uit meerdere delen van het land. Er werden in 1913 ‘eerste klassen’ in de regio’s West en Oost ingesteld, waarbij de kampioenen van ieder regio om de landstitel streden. De competitie werd binnen enkele maanden afgewerkt om zo voldoende tijd over te  houden voor landelijke en lokale tennistoernooien. Vanaf 1934 bestond er een nationale hoofdklasse, waarbij de winnaar als landskampioen gold.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog groeide het aantal bij de NLTB aangesloten clubs enorm. De tennisbond had namelijk de distributie van tennisballen vanuit Engeland in handen. Door de oorlog werd het steeds moeilijker om via andere kanalen aan ballen te komen. Particulieren met een tennisbaan gingen clubs vormen, om zo ook via de bond aan tennisballen te kunnen bestellen. Veel van deze zogenaamde ‘mobilisatieclubs’ werden echter vrij snel na beëindiging van de oorlog weer opgedoekt.

Kampioenenmaker Gerard Scheurleer

De Hagenees Gerard Scheurleer heeft in de pioniersjaren van het tennis veel voor die sport betekend. Hij was een groot kenner van de sport en een ware kampioenenmaker. ‘Als jij de komende jaren uitsluitend met mij tennist, maak ik je tot een groot kampioen’, zo zei hij in 1912 tegen de veertienjarige Arthur Diemer Kool. Twee jaar later mocht het lid van HLTC Leimonias zich kampioen van Nederland noemen.

Begrippen als tenniscoach en tennisleraar bestonden nog niet. Liefhebbers leerden tennissen door het af te kijken van anderen. De betere wedstrijdspelers waren dan ook continu aan het discussiëren over de juiste techniek en tactiek.

In Engeland verschenen daar aan het begin van de twintigste eeuw zelfs boeken over, inclusief foto’s van topspelers als voorbeeld. Moest er nu met onderspin worden gespeeld, zoals bij real tennis, de voorganger van het lawn tennis? Of diende de bal nu juist vlak te worden geraakt, zoals bij het zogenaamde rackets,de voorganger van squash? Of was topspin toch raadzamer? Topspin werd al vanaf 1880 toegepast, en werd de dropstroke genoemd, omdat de bal door het effect een plotselinge duik maakte. Tennis was een jonge sport en het ontdekken van de juiste speelwijze en techniek zou decennia in beslagnemen.

Henk Timmer: op eenzame hoogte

Scheurleer kreeg zelf tennisles van zijn moeder, en wel op de banen van Leimonias, dat toen de huidige METS banen bespeelde. Hij ontwikkelde zich in razend tempo. Al snel kon hij de beste spelers van Leimonias goed partij bieden.

Adolf Broese van Groenou, net als Scheurleer een verdienstelijk speler en lid van Leimonias, was in die periode bondsvoorzitter. Architect Broese van Groenou ontwierp in 1927 het Leimonias stadion. Ook bedacht hij het bondslogo, de zwarte tulp op de oranje achtergrond.

Ondertussen ging Scheurleer verder met het ontdekken van tennistalent. Zo logeerde de Hilversumse gymnasiast Henk Timmer in zijn eindexamenjaar elke weekeinde bij Scheurleer in Scheveningen. Scheurleer zou Timmer in de loop der jaren aan vele kampioenschappen helpen.

Timmer behaalde bij de Olympische Spelen in Parijs 1924 samen met Kea Bouman een bronzen medaille in het gemengd dubbelspel. In jaren twintig en dertig werd hij ook negen keer Nederlands kampioen enkelspel, acht keer (met diverse partners) in het herendubbelspel en vijf keer in het gemengd dubbel.

Van 1927 af stond hij in Nederland op eenzame hoogte. Timmer was zeer snel, speelde uitgesproken intelligent en had vooral een hele mooie backhand. Zijn enige zwakke punt was zijn service. Hoewel hij was opgeleid op gravelbanen, deed hij het op het gras van Wimbledon uitstekend. Hij bereikte er twee keer de laatste acht en in 1930 leverde hij een fabuleus gevecht met de Franse musketier Henri Cochet, dat hij pas na vijf sets verloor.

Ook in de Davis Cup boekte hij talloze overwinningen. Timmer was een allround sportman. Hij reed drie keer de Elfstedentocht, was Nederlands kampioen squash en blonk uit in hockey, skiën en golf. Tot op hoge leeftijd bleef hij enthousiast de verrichtingen van de Nederlandse tennissers volgen. Toen Richard Krajicek in 1996 de Wimbledontitel veroverde glom Timmer in een tv-interview van genoegen.

Tennislegende Kea Bouman

Scheurleer was ook coach van een andere Nederlandse tennislegende, Kea Bouman. Bouwman was in 1927 de eerste Nederlander die een grandslamtoernooi won. Ze schreef toen Roland Garros op haar naam, dat toen overigens nog de Internationale Kampioenschappen te Parijs werd genoemd. Bouman is nog steeds de enige Nederlandse vrouw die zo’n sportprestatie op haar naam schreef.

De Daily Mail uit Londen schreef na haar toernooiwinst: ‘Bouman is een goed gebouwde en sterke jonge vrouw, die hard en zuiver kan slaan en over een voorbeeldige wedstrijdmentaliteit beschikt. Haar spel is opvallend veelzijdig. Ze heeft een uitstekende service en slaat zowel een goede forehand- als backhanddrive en retourneert bovendien de drives van haar tegenstanders sterk. Een uitzonderlijke combinatie voor een vrouw.’

In 1931 stopte ze met tennissen. In haar loopbaan heeft ze tweemaal in de officieuze top tien van de wereld gestaan: negende in 1927 en achtste in 1928. Ze was veertien keer Nederlands kampioen: vier keer enkel, vijf keer vrouwendubbel en vijf keer mixed dubbel. Ook in andere sporten blonk ze uit, want Bouman is ook nog Nederlands golfkampioen geweest en speelde voor het nationale hockeyteam.

Amputatie

Er was dus veel vaderlands tennissucces dankzij tennisprofessor Scheurleer. Hij zou ook prinses Juliana de eerste beginselen van het tennisspel hebben bijgebracht. Naar verluidt beschikte zei niet over al te veel talent. Haar echtgenoot Prins Bernhard, neef van drievoudig Wimbledonfinalist Baron Gottfried Von Cramm, zou een beter figuur op de tennisbaan hebben geslagen.

Scheurleer verloor in 1922 door een motorongeluk zijn rechterbeen. Scheurleer verzette zich tot het laatst tegen een amputatie van het been, maar het mocht niet baten. De rest van zijn leven zou hij gekweld worden door hevige fantoompijnen, waartegen geen enkele arts een adequaat middel had. Scheurleer bleef na het ongeluk betrokken bij het tennis. Hij werd onder meer captain van het Davis Cupteam en president van Leimonias.

Aartsrivalen Hajer en Okker

De in de jaren dertig opgezette tenniscompetitie kreeg in Nederland in de jaren zestig serieus vorm. De top van het clubtennis kwam tegen elkaar uit in de Hoofdklasse A (de tegenwoordige Eredivisie). Per team waren er zes spelers, waarvan twee dames en vier heren. De Hoofdklasse A bestond uit vier teams die in totaal elf wedstrijden op verschillende zondagen tegen elkaar afwerkten.

De Haagse tennisclub Leimonias ging er in die periode met de meeste titels vandoor. Bekende clubnamen uit de Hoofdklasse A waren in die periode Thor uit Den Haag, Festina uit Amsterdam, DDV (‘De Derde Vrijdag’) eveneens uit Amsterdam, de Hilversumse Lawn Tennisclub en Metselaars uit Scheveningen.

In de Hoofdklasse B kwamen toen teams uit als Alta uit Amersfoort, Racketeers en Victoria uit Rotterdam, Oranje TC uit Den Haag en Haarlemse LTC. Kan ook geen kwaad, want er staan al genoeg voorbeelden van clubs uit die tijd.) en Amstelpark uit Amsterdam.

Berucht in de jaren zestig was de rivaliteit tussen Jan Hajer en Tom Okker. In 1963 volgde Hajer Willem Maris op als nationaal kampioen in het enkelspel, maar vanaf 1965 was Okker heer en meester. Hajer verloor vier maal in de finale van het herenenkelspel van Okker. In 1967 won hij nog wel de titel in het dubbelspel met Evert Schneider.

Gouden tijden

In de hierop volgende decennia zou de Nederlandse competitie alleen maar populairder worden bij de toptennissers, zeker met de invoering van de Eredivisie in 1973. De jaren tachtig waren helemaal een toptijd. Zo kwam ‘Big Brenda’ Schultz, ooit de nummer negen van de wereldranglijst, uit voor zowel Popeye Gold Star als TC Zandvoort. Marcella Mesker en dubbelpartner Ingelise Driehuis vonden onderdak bij Metselaars. Ook Miriam Oremans en Kristie Boogert, de zilveren medaillewinnaressen van de Olympische Spelen in Sydney 2000, waren fanatieke Eredivisiespeelsters.

Bij de mannen liep eveneens een hele roedel toppers rond. De eredivisieslogans uit die tijd waren: Springplank naar de top en Kom vandaag kijken naar de toppers van morgen. Sjeng Schalken en Jacco Eltingh schreeuwden het in hun jonge jaren van de posters: Waar zijn we begonnen? Bij de Manege natuurlijk!

Paul Haarhuis en Tjerk Bogtstra speelden bij het Eindhovense ELTV. Richard Krajicek genoot zijn opleiding bij Popeye Goldstar in Amsterdam. Jan Siemerink tenniste in Den Haag en sloot zijn carrière af bij Dekker Tennis. Martin Verkerk, finalist op Roland Garros, vertoonde zijn kunsten bij zowel Amstelpark als Hilverheide. Raemon Sluiter kwam uit voor Halfweg in Spijkenisse. Ook Michiel Schapers speelde Eredivisie, eerst in Rotterdam en later bij TC Zandvoort.

Geen ‘sandwichmannetjes’

In het eerste jaar van zijn bestaan bestond de Eredivisie uit twee poules van zes teams (tegenwoordig is dat één poule met acht teams). Alle grote namen uit het Nederlands tennis speelden mee in een van de twaalf ploegen en de competitie leefde als nooit tevoren. Met de sterke opkomst van de televisie raakten in die tijd ook sponsors geïnteresseerd in het tennis, waardoor de sport langzaam professionaliseerde.

De KNLB was aanvankelijk niet gecharmeerd van commerciële invloeden. Onder druk van de buitenwereld moest de bond echter overstag. Met de instelling van de Eredivisie in 1973 werd tevens shirtreclame toegestaan. De KNTLB had wel een aantal voorwaarden aan de afmetingen gesteld;. Zo mocht de sponsornaam maximaal zes vierkante centimeter beslaan, onleesbaar vanaf de tribune. Ook mocht de sponsornaam niet voluit worden vermeld. Het was namelijk niet de bedoeling dat het bedrijfsleven de tennissers ging aankleden als zogenaamde ‘sandwichmannetjes.’

Sportpromotor Ton Vissers was echter niet voor één gat te vangen. Hij ontdekte dat de regels wel toestonden dat de volledige naam van de club kolossaal groot op de shirts werd vermeld. Vissers richtte daarop een nieuwe club op die de naam droeg van de sponsor. Bij deze club ging vervolgens bijna de gehele landelijke tennistop spelen. Langzaam maar zeker gingen tennissers steeds meer geld verdienen en de KNLTB vreesde de geldmachine die toptennis zou kunnen worden.

Tennisverslaggever Herman Kuiphof zag het in 1974, bij de start van het ABN AMRO- tennistoernooi, met lede ogen aan: ‘Het is niet erg dat er veel geld omgaat in het tennis. Als je maar niet op één avond een fortuin kunt verdienen, zelfs als verliezer.’

Van elitesport naar volkssport

In datzelfde jaar 1974 voerde de bond strenge regels in voor tenniskleding. Iedere speler die tussen 1 mei en 1 oktober competitie of toernooien speelde, diende overwegend witte kleding te dragen. De witte kleding benadrukte het elitaire karakter van de sport. Pas eind 1980 werd de eis van witte tenniskleding door de bond losgelaten. De gehele sport lijkt sinds die tijd het elitaire imago steeds meer te verliezen. Niet alleen de fabrieksdirecteur doet tegenwoordig graag aan tannis, ook jan met pet speelt nu regelmatig ‘een potje tennis.’

De sport werd in de jaren zeventig en tachtig dan ook bij een breed publiek steeds populairder. In 1983 werd het magische aantal van een halfmiljoen KNLTB-leden, verdeeld over 1427 verenigingen, bereikt. Tegenwoordig zijn dat er circa 650.000. Die leden spelen uiteraard lang niet allemaal in de Eredivisie, maar dat doen jammer genoeg onze nationale toppers ook niet.

Van de huidige generatie vrouwen is Kiki Bertens groot geworden dankzij de Eredivisie, waar zij De Lobbelaer vertegenwoordigde. Bibiane Schoofs en Angelique van der Meet komen voor dezelfde club uit in deze competitie. Michaëlla Krajicek speelde vorig jaar bij ALTA. Bij de heren is van de toppers eigenlijk alleen Jesse Huta Galung de competitie trouw gebleven. Hij speelde eerst bij het inmiddels opgeheven De Manege en inmiddels alweer jaren bij De Lobbelaer.

Wellicht levert de Eredivisie als het uithangbord van het Nederlands verenigingstennis op termijn toch weer een nieuwe Henk Timmer, Kea Bouman, Tom Okker of Richard Krajicek op.

Advertentie


Koop bij bol.com

Micha Peters
Bedenker en beheerder van Sportgeschiedenis.nl. Journalist en (sport)historicus.