Voetbal

17 april 1911: Nederlands voetbal ontsnapt aan ramp op tribune

Op 17 april 1911 ontsnapte Amsterdam aan een voetbalramp tijdens Nederland – Engeland. Er bestond in die tijd nog geen stadion in ons land en daarom werd er gespeeld op landgoed Roosenburgh in de Watergraafsmeer met tijdelijke zit- en staanplaatsen. Door krankzinnige drukte stortte een houten tribune in en kon een andere net op tijd worden gestut.

Uitpuilende tribune

Het was een wonder dat er die dag geen doden zijn gevallen op het terrein, dat normaal werd bespeeld door R.A.P. Het werd Amsterdam in ieder geval nogmaals duidelijk gemaakt dat er een stadion moest komen mét een doordracht plan voor een geregelde circulatie van reusachtige mensenmassa’s.

Tijdschrift De Revue der Sporten schreef er een uitgebreid commentaar op, dat we hier voor een groot deel plaatsen. De conclusie was duidelijk: sport was zo populair geworden in Nederland dat het tijd werd voor een echt stadion, van steen graag. ‘Een wedstrijd is nu een ding van gewicht, waar duizenden heensjokken, heentuffen, heenrollen per as. ‘n Wedstrijd is nu ‘n ding, dat je beziet van tribunes, waarvoor politie in de kleeren schiet, waarvan ‘n burgemeester ‘n slap boordje kan krijgen.

Kort en bondig, dingen zooals dezen Maandag zijn voorgevallen, ‘t moet voor ‘t eerst en ‘t laatst zijn. Men kan rustig zeggen, dat de tijd dient afgewacht te worden, dat de toestand ‘t volmaakte nabij is, onzin, er moet gehandeld worden, de knuisten moeten uit de mouw.

Laten we ‘t treurige, dat dien dag op Roosenburgh voorviel, snel voorbij gaan. Daar is noch de N.V.B., noch het R. A. P.-bestuur debet aan. Watergraafsmeer schijnt nu eenmaal ‘n kreupele bouw-politie te hebben. Deze en de gewetenlooze aannemer der tribunes zijn de verantwoordelijken, en niemand anders.  Maar toch is dit ongeval eene vingerwijzing, een minder prettige waarschuwing geweest.

Waar moet ‘t heen? Het eigen veld! Een groot veld, een stevige boel. Geen tribunetjes van lattekes en nageltjes! Flinke omrastering, flinke zitplaatsen van ijzer en steen, gelijk in het buitenland. Het kost geld. Volkomen waar! Maar waar ‘n 20.000 man naar ‘n voetbalwedstrijd loopen, daar is geld te krijg.

‘n Eigen veld! En geen opkoopers meer, geen voorverkoop, geen idioot hooge prijzen. ‘n Eigen veld, waar geen 20.000 menschen geborgen kunnen worden, neen 50 000, want straks staan ze voor de deur. ‘n Eigen veld, flink afgezet.

Ons volk is zoo keurig, zoo gentlemanlike, dat een stevige afrastering echt noo-dig is. Onze volksaard is Maandag weer prachtig voor den draad gekomen. De gents gingen voor je neus opstaan, de ladies gingen pardoes op je persplaats zitten, en het schuim slingerde met aardkluiten en vervreten appeltjes.

Overzicht van het terrein in 1911, samengesteld uit twee verschillende foto’s

Om zulk een horde in bedwang te houden, dient er natuurlijk ook politie te zijn. Tenminste ‘n flinke handvol pootige boys, niet zulke sabel-aaiers als op de plek, aan de baren ontworsteld. Op deze wijze toch kunnen wij geen Engelsch elftal meer recipieeren.

We moeten ‘n veld hebben, waar ‘n hoekschop op te nemen is. Dien beruchten afternoon moest eerst ‘n heel stelletje beenen gerangeerd, en lichamen weggewrongen. Ja ja, knusjes!

Als we dien toestand hebben . . . . dan vallen er geen tribunes meer in, dan kraken geen hekken meer, dan golft het jonge gepeupel niet meer naar de veld-lijnen, behoeft men geen wedstrijd meer mede te maken in angsten en ergernis.

Laat ‘t thans genoeg zijn ! Laten wij, wordt er wederom zulk een monsterwedstrijd georganiseerd, gereed zijn, en ons woelig volkje ontvangen op een terrein, dat zoowel hun rust en louter genoegen zal schenken als aan degenen, die nader tot onze mooie sport staan.’

Aldus de Revue op 19 april 1911. Deze bijna-ramp zorgde inderdaad voor een nieuwe discussie over de bouw van een stadion. In 1908 had de gemeente Amsterdam hier al voor de eerste keer over gesproken, maar na de gebeurtenissen in Watersgraafmeer was het voor iedereen duidelijk dat dit er nu echt moest komen. Een inzamelingsactie onder de stedelijke notabelen bracht voldoende geld op en ook de politieke steun om in 1914 het Nederlandsch Sportpark te openen, de voorloper van het Olympisch Stadion. Zo was de bijna-ramp niet helemaal voor niets geweest.

Advertentie

Reserveer bij bol.com

Jurryt van de Vooren
http://Sportgeschiedenis.nl
Jurryt van de Vooren is sporthistoricus. Auteur van 'Amsterdam 1928' en de Bosatlas van het Nederlandse voetbal. Bezig met boekenserie over Amsterdam en sport. Nog steeds de enige Amsterdammer die is afgestudeerd op Feyenoord.