Ajax-architect Daan Roodenburgh deed in 1936 mee aan de Olympische Spelen in Berlijn
Op 28 april 1996 nam Ajax afscheid van Stadion De Meer. Architect Daan Roodenburgh stuurde het ontwerp in naar de kunstwedstrijden op de Olympische Spelen van 1936.

Daan Roodenburgh in 1934 tijdens de opening van stadion De Meer. Uitsnede via het Stadsarchief Amsterdam
Precies dertig jaar geleden speelde Ajax zijn laatste wedstrijd in De Meer. Aan een tijdperk van 62 jaar was een einde gekomen.
Gaarne ben ik bereid aan de tentoonstelling te Berlijn ’36 deel te nemen
Erelid
Na de dood van architect Daan Roodenburgh op 4 februari 1972 was Ajax in rouw. In de jaren dertig was hij als commissaris van de club verantwoordelijk voor het ontwerp en de bouw van stadion De Meer, tussen 1934 en 1996 de voorganger van de Johan Cruijff Arena. Als dank voor zijn diensten werd hij benoemd tot erelid.
Eerder was Roodenburgh ook al betrokken geweest bij enkele uitbreidingen van het Houten Stadion, waar Ajax van 1907 tot 1934 speelde. De laatste officiële wedstrijd was tegen Feyenoord, die met 4-0 door de thuisclub werd gewonnen. Johnny Roeg maakte het allerlaatste doelpunt.
‘In 1900 bespeelden wij een terrein in de Buiksloterham,’ blikte clubvoorzitter Marius Koolhaas terug in het clubblad. ‘Vandaar verhuisden wij naar ons gezellige terreintje aan den Middenweg en op 9 December zullen wij ons intrek nemen in het prachtige Ajax-stadion. Dat het afscheid ons niet zoo zwaar viel, daarvoor hebben de mannen van Volkers wel gezorgd, want in een keurig gespeelden wedstrijd hebben zij Puck van Heel c.s. met een gevoeligen nederlaag naar de Rottestad gezonden.’
Toeschouwers op het veld
Dat er juist tegen Feyenoord afscheid werd genomen van het stadion op het huidige Christiaan Huygensplein is ironisch. Het was namelijk de groeiende sportieve rivaliteit met deze Rotterdamse club, die ervoor zorgde dat Ajax gedwongen werd om een groter onderkomen te bouwen. Hun onderlinge wedstrijden trokken zoveel bezoekers dat het Houten Stadion bijna letterlijk uit elkaar viel.
Bij aanvang in 1907 waren er amper faciliteiten, maar in de jaren daarna kwamen er steeds meer. Steeds meer bezoekers werden steeds beter ondergebracht door investeringen van de rijke voorzitter Wim Eggerman. Roodenburgh ontwierp de nieuwe tribunes.
Het ging allemaal wel moeizaam, want bij de thuiswedstrijd van 1927 tegen Feyenoord stortte een tribune in. Het was zo druk dat de voetballers geen ruimte hadden voor een hoekschop. Er waren zelfs toeschouwers, die door het strafschopgebied slenterden om de wedstrijd wat beter te zien!
Het gezaghebbende tijdschrift Revue der Sporten was genadeloos: ‘Op gevaar af het met de leiders der Meer-club aan den stok te krijgen, moeten we de regeling bij Ajax—Feijenoord als zeer beslist onvoldoende kenschetsen. De organisatoren bij Ajax kennen toch welzóó het klappen van de zweep, dat ’n ordelooze boel als nu voorkomen had kunnen worden.’
En zo was het afscheid van het Houten Stadion. Met Feyenoord als tegenstander was er voor duizenden belangstellenden geen plaats meer, die zich allemaal woedend verzamelden op het plein voor de hoofdingang – het bewijs dat het zo echt niet verder kon.

Het Houten Stadion in 1930, foto via het Stadsarchief Amsterdam
Kunstwedstrijd
Op 9 december 1934 speelde Ajax zijn eerste wedstrijd in De Meer. Ook hier was Roodenburgh betrokken als architect, voor hem de grootste en belangrijkste opdracht in zijn loopbaan. En met succes, volgens het Ajax Clubnieuws op 1 januari 1935: ‘In tien maanden tijd is ons Ajax-stadion verrezen, als resultaat van vele samenwerkende krachten, als symbool van wat clubgeest, spelkwaliteit en organiseerende kracht vermogen, als zij samengaan met het groote ideaal, het clubbelang voor oogen.’
Het ontwerp voor dit stadion deed in 1936 zelfs mee aan de kunstwedstrijden op de Olympische Spelen van 1936 in Berlijn, in die tijd nog een officieel onderdeel. Als Roodenburgh daar had gewonnen, was hij olympisch kampioen architectuur geworden, net als Jan Wils in 1928 met het Olympisch Stadion in Amsterdam.
Diezelfde Wils zat in 1936 in de jury om hierover te oordelen, waarbij Nederland alleen al op dit onderdeel maar liefst twaalf inzendingen had. Twee vielen er vanwege belangenverstrengeling meteen al af, omdat die van Wils zelf waren. Zwembadarchitect Wolter Bakker kwam met vijf ontwerpen, waarmee hij dus in theorie winnaar van goud, zilver én brons had kunnen worden. Het laat wel zien dat Nederland op voorhand de lat niet zo heel hoog had gelegd met deze stroom aan bijdragen.
Olympiër
De uitnodiging voor deelname kwam van Wils zelf, blijkt uit het archief van Roodenburgh, dat wordt beheerd door het Nieuwe Instituut. Op 4 maart 1936 stuurde hij een brief aan zijn Amsterdamse collega voor een inzending voor de expositie in Berlijn. ‘Namens het Nederlandsch Olympisch Comité doe ik U weten, dat wij het zeer op prijs zouden stellen om op die tentoonstelling te mogen exposeeren foto’s en tekeningen van het Ajax-stadion te Amsterdam.’
Twee dagen later volgde het antwoord: ‘Gaarne ben ik bereid aan de tentoonstelling te Berlijn ’36 deel te nemen. Met collegiale groeten.’
Door een brief op 29 april 1936 van het NOC aan Roodenburgh weten we zeker dat de foto’s daarna inderdaad werden verstuurd. ‘Wij verzoeken U ons te willen opgeven voor welk bedrag Uw inzending dient te worden verzekerd.’ De originele afdrukken liggen negentig jaar later nog steeds bij Ajax Erfgoed. Het Duitse organisatiecomité stuurde na afloop een herinneringsplaquette naar Roodenburgh.
Hoe het precies afliep, is onduidelijk. Ajax zelf meende dat hun clublid een bronzen medaille had gewonnen, zo schreef het clubnieuws tenminste in november 1959: ‘De schepping van de heer Roodenburgh werd bekroond met de derde prijs.’
En dat is gek, want in 1962 schreef Jan Cottaar in het jubileumboek van het Nederlands Olympisch Comité iets heel anders over de Nederlandse inzendingen van 1936: ‘Het resultaat was teleurstellend. Een eervolle vermelding voor ‘Renners bij regenweer’ van G. Kramer, was alles wat er voor de Nederlandse kunst af kon!’
De beste bron hiervoor is het officiële rapport van de Olympische Spelen van 1936 zelf, waarin uitgebreid verslag werd gedaan van de kunstwedstrijden. Als winnaar van de derde prijs worden H. Stieglholzer en H. Kastinger vermeld voor hun ontwerp van een sportcentrum in Wenen. De naam van Roodenburgh wordt nergens genoemd.
Ook in de Nederlandse pers uit die tijd is er niets te vinden over de olympische avonturen van Roodenburgh, in ieder geval niet via Delpher. Zelfs Ajax merkte er in 1936 helemaal niets over op, ook al was het daarna erg trots op de derde prijs, die het erelid nooit had gewonnen.
En tóch is Roodenburgh een officiële olympiër, want zijn naam en bijdrage wordt door het Internationaal Olympisch Comité vermeld bij de resultaten van Berlijn 1936.
