BoekenVoetbal

Cliché: het leven van een voetballer is net een spannend jongensboek

Waarom wordt het leven van een voetballer toch zo vaak vergeleken met een spannend jongensboek?

Het leven van een succesvolle voetballer is net een jongensboek, lezen we vaak. Met zo’n opmerking verwijzen zulke journalisten dan naar het genre, dat vooral bekend werd door De A.F.C.-ers van Jouke Broer Schuil, gepubliceerd in 1915. Dit verhaal zette de toon in het wereldje van jongensboeken over voetbal, zo schreef historicus Piet de Rooy in De wijsheid van de jongensclub: “Andere schrijvers wisten er slechts variaties op te maken.”

Schuil was overigens niet de eerste die voetbal in een jongensboek beschreef, want C.J. Kievit had in 1904 de primeur met Okke Tannema. Twee jaar later verscheen Piet’s Vlegeljaren van Jan Feith met ook een rol voor het wielrennen.

Feith was in die tijd een bekende naam in de sportwereld, onder meer als voetballer, hockeyer, tennisser en schaatser. Daarnaast was hij sportjournalist, zodat hij heel goed wist waarover hij schreef in Piet’s Vlegeljaren. “Schitterend van teekening vooral in het verslag van den voetbalmatch”, vond het Rotterdamsch Nieuwsblad daarom.

Kievit daarentegen was een leraar, die het jongensboek vooral zag als een opvoedkundig instrument. De sport was bijzaak, wat voor de meeste schrijvers van dergelijke werken gold. Hun verhalen werden er niet spannender van, merkte Peter Smink in 2006 op in De cultus van het lijden: “Ouderwets, laten we het daarop houden. Dat dergelijk werk in de regel werd geschreven door schoolmeesters is er debet aan. Zij verkeerden in dat tijdvak kennelijk nog in de positie het denken en de smaak der jeugd te dicteren.”

De braafheid van dit genre bleef decennialang bepalend voor het jongensboek tot in de jaren 60 de gezagsverhoudingen kantelden. Dit betekende het einde van het traditionele, gezagsgetrouwe jongensboek, het einde van de tijd dat helden een kuif hadden en Kick, Roel of Sjaak heetten. De jeugd had geen schoolmeesters meer nodig om denken en smaak te laten dicteren.

Nostalgie

In die jaren 60 gebeurt er iets opvallends, want juist vanaf die tijd wordt het gewoonte onder sportjournalisten om de vergelijking te maken tussen sport en jongensboeken. Ze gaan verder waar de kliek van J.K. Schuil en C.J. Kievit net mee was opgehouden.

Het oudste voorbeeld is uit 1966 toen het Nieuw Israëlitisch Weekblad schreef over voetballer Rafi Levy. In 1961 had hij Tel Aviv Maccabi verlaten voor een sportief avontuur in Australië en Zuid-Afrika om na vijf jaar weer naar Israël te gaan. “De terugkeer van Rafi Levy”, schreef deze krant, “het klinkt als de titel van een van de zesendertig delen van een jongensboek.”

In de jaren 70 duikt die vergelijking steeds vaker op in de voetbalverslagen. In 1974 bijvoorbeeld schreef het Leidsch Dagblad dat het slot van de competitie leek alsof die uit een boeiend jongensboek kwam. In 1977 plaatste de Telegraaf een artikel over N.E.C.: “Wat zich allemaal afspeelt rond de Nijmeegse ploeg hoort eigenlijk thuis in een spannend jongensboek.” En dan was er Het Vrije Volk in 1983 met een verslag over FC Wageningen – DS’79, die eindigde in 4-4: “Als in een mooi jongensboek…”

Ook tot sportboekenschrijvers is het inmiddels doorgedrongen – en dan vooral bij het wielrennen. Herman Chevrolet kwam in 2007 met zo’n vergelijking in De Flandriens: “Het debuut van Vanlerberghe kan zo in een jongensboek.” Wilfried de Jong in 2013 in De man en zijn fiets: “Peter Post. Een naam als een held in een jongensboek.” En Laurens ten Dam zei in 2014 tegen Nando Boers in De Muur over zijn debuut in de Tour de France: “Het was een jongensboek. Ik was van anti-kraker Tourrenner geworden. Beetje rock-‘n-roll voelde dat.” En dat zijn dan nog maar een paar voorbeelden uit de sportboeken.

Het cliché van het jongensboek lijkt daarmee vooral een verlangen naar een tijd, die nooit meer zal komen, toen helden een kuif hadden en Kick, Roel of Sjaak heetten (of Peter Post). Toen Cruijff nog Cruijffie was en dat omkoping, corruptie en matchfixing onbekend waren in de voetballerij.

In dat verlangen naar die tijd van weleer wordt het heden over het hoofd gezien. Alle voetbaljournalisten die het hebben over een jongensboek zijn toch echt even vergeten dat de KNVB inmiddels ruim 125.000 vrouwelijke leden heeft – nota bene de snelst groeiende tak bij deze bond. Voetbal komt tegenwoordig ook in meisjesboeken voor.

Advertentie

Reserveer bij bol.com

Jurryt van de Vooren
http://Sportgeschiedenis.nl
Jurryt van de Vooren is sporthistoricus. Auteur van 'Amsterdam 1928' en de Bosatlas van het Nederlandse voetbal. Bezig met boekenserie over Amsterdam en sport. Nog steeds de enige Amsterdammer die is afgestudeerd op Feyenoord.