Voetbal

Darius Dhlomo over voetbal in Zuid-Afrika: “Wij zijn ons eigen voorbeeld”

Darius Dhlomo is overleden – oud-voetballer van onder meer Heracles. In 1958 kwam deze Zuid-Afrikaan naar Nederland als beroepssporter, maar maakte ook naam als strijder tegen de apartheid. Dhlomo is 83 jaar geworden. In 1997 was ik bij hem thuis.

De recente opmars van het Afrikaanse voetbal wordt beschouwd als een doorbraak. De groeiende belangstelling voor dit continent leidde enkele maanden geleden nog tot het boek ‘Afrika voetbalt!’ van Marc Broere en Roy van der Drift. Naar aanleiding van de interland Zuid Afrika-Nederland aanstaande woensdag wordt stilgestaan bij de rol die deze sport vervuld in het in het moderne Zuid-Afrika.

Darius Dhlomo speelde tot 1958 als aanvoerder bij het zwarte Zuid-Afrikaanse team Baumann Ville City Blacks. In dat jaar werd hij bezocht door een bestuurslid van Heracles uit Almelo, dat Dhlomo vroeg naar Nederland te komen.

Na aankomst voetbalde de Zuid-Afrikaan in het weekend en bokste hij op maandag. “Heracles vond dat de eerste maanden niet goed, omdat het bang was voor blessures. Ik voelde mij daardoor slecht en het bestuur gaf toen alsnog toestemming. Mijn collega’s waren erg verbaasd dat ik bij beide sporten voluit ging, maar dat is bij ons heel gewoon.”

Dhlomo’s oude team kwam uit in de zwarte competitie, die gescheiden was van de blanke. “We speelden wel tegen andere niet-blanke groepen, zodat bij ons de integratie al heel vroeg begon. We ontwikkelden een eigen manier van voetballen, die verschilde van de blanken. Hun systeem was Engels, maar dat vonden wij niets, veel te voorspelbaar en statisch. Wij zochten onze manier en daarvoor hadden wij de blanken niet nodig. Eigenlijk waren ze door het apartheidssysteem hun eigen gevangenen, omdat ze nooit hun wereld verlieten en daarom waren wij de betere voetballers.”

“Wij leerden het op straat,” licht Dhlomo toe. “Het was overleven voor ons en een goede manier voor afleiding van de apartheid. Wij speelden zonder coach en leerden daardoor zelf een wedstrijd te ‘lezen’, zoals Pele dat kon. Niet dat Brazilië ons voorbeeld was, want wij waren goed genoeg om ons eigen voorbeeld te zijn. Brazilië wereldkampioen? Dat was leuk, maar wat zij deden konden wij al.”

Dhlomo is los: “Je moet een kind niet lastig vallen met systemen en taktieken, maar hem het plezier geven van het spel. Niet vastbinden, maar geef hem de vrijheid voor het speelse element. Je moet voetballers leren te genieten en om iemand in de luren te leggen. Sport is het misleiden van de tegenstander door creativiteit.

Oversystematisering maakt juist robots van voetballers. En daar gaan de blanken de fout in. Kijk maar naar het huidige Ajax: dat speelde jarenlang een vaste taktiek en werd voorspelbaar. De tegenstander legde alles vast op video, analyseerde dat en speelt Ajax nu weg. Het systeem hier is belangrijker dan de spelers en dat is fout.”

Dhlomo had daarom, net als zijn teamgenoten, geen vaste plaats in het veld. “Ik ben ook een heel goede keeper. Toen ik nog in het doel stond speelde ik ver van de goal af. Wat Van der Sar van Ajax nu doet, deed ik veertig jaar geleden al. Vrijheid is heel belangrijk, omdat de tegenstander daardoor niet weet wat je gaat doen. Ik zal het je uitleggen.”

Dhlomo staat op en wil dat ik tegenover hem ga staan. “Jij bent de verdediger en ik kom op je af met de bal. Nu ben ik vlak voor je en ik maak een schijnbeweging naar rechts. Jij volgt mij door je linkerbeen te verplaatsen, maar wat is nu de fout?” Hij kijkt mij doordringend aan. “Mijn beide benen staan plat,” probeer ik, “en kunnen daardoor moeilijk uit positie komen.”

Hij gooit zijn armen omhoog: “Precies! En dat is de kracht van Kluivert of Ronaldo: ze buiten dat statische van de Westerse voetballer uit.”

“Weet je wat het is?” vraagt hij als we weer zitten. Hij heft zijn rechterhand en klieft als Zorro een ‘Z’ in de lucht. “Voetbal is net als schermen, tsjak-tsjak-tsjak, maar dan met de benen.” Voldaan leunt hij achterover.

Als gevolg van de apartheid was Zuid-Afrika verbannen van de internationale velden, maar daar kwam met Mandela’s komst een einde aan. Sport is nu een belangrijk onderdeel van de eenwording van het land. Toen het Zuid-Afrikaanse voetbalelftal, ‘Bafana Bafana’ in het Zoeloes, vorig jaar de Afrika Cup won was dat meer dan een behaalde overwinning.

“Ons team,” verklaarde de ANC-leiding, “heeft gedemonstreerd dat Zuid-Afrika als verenigd land zelfs de grootste problemen kan overwinnen. Het heeft laten zien dat sport als onderdeel van onze nationale cultuur is uitgegroeid van een instrument voor tweedracht en onbillijkheid naar een instrument voor nationale eenwording en ontwikkeling.”

In 1992 werd de ‘South African Football Association’ (SAFA) opgericht en was daarmee de eerste gemengde voetbalbond van het land. Voorzitter Solomon Morewa maakte in september 1995 bekend dat speciale programma’s werden gestart voor de jeugd, de scholen en voor het opleiden van trainers. Het richt zich op de 25.000 bestaande voetbalclubs en is bedoeld voor de amateurs, de zogenaamde ‘grass roots’, en de professionals. Morewa: “Er zijn enorm veel getalenteerde spelers hier, die door middel van een effectieve planning, organisatie en leidersschap worden ontwikkeld.”

Ook de regering besteedt veel aandacht aan sport, met Steve Tshwete als verantwoordelijke minister. Hij beschouwt sport als een middel om de scheidingen tussen ras en sekse te beslechten. Ook wordt het ingezet als bestrijding van de criminaliteit, verslaving en verveling. Als mensen aan sportbeoefening doen, aldus Tshwete, herwinnen zij hun eigen waarde en voelen ze zich weer onderdeel van de maatschappij en geven ze zich niet over aan frustraties.

In 1996 lanceerde de regering een campagne voor de ontwikkeling van sportfaciliteiten. Er werd 50 miljoen Rand (20 miljoen gulden) uitgetrokken ter verbetering van 126 accomodaties in de ‘onder-gepriviligeerde gemeenschappen’. Dit project levert 3.000 tijdelijke en 200 vaste arbeidsplaatsen op. Doel van de regering is het stimuleren van sportbeoefening en de zogenaamde ‘nation-building’, het hervinden van de nationale eenheid.

Dhlomo bezocht in 1992 een bijeenkomst van zwarte coaches over de toekomst van het Zuid-Afrikaanse voetbal en pleitte daar voor een eigen benadering. “Zuid-Afrika moet zijn eigen trainers opleiden, want die kennen de cultuur en opvattingen. Het voetbal bij ons heeft zich in een geheel eigen stijl ontwikkeld en dat moet worden vastgehouden. We moeten in Afrika niet meer onze hand ophouden, want dat wilden de kolonisten altijd al. Honderden jaren kolonialisme is genoeg, we moeten het nu zelf doen.”

Hij buigt zich voorover. “Dat klinkt misschien agressief, en dat is ook zo.” Lachend valt hij weer tegen de leuning.

Trainer Jan Bijl met de Zuid-Afrikaanse voetballers van Heracles, Steve Mokone e…
Trainer Jan Bijl met de Zuid-Afrikaanse voetballers van Heracles, Steve Mokone en Darius Dhlomo, in 1958. Foto Nationaal Archief
Verheugt het hem dan als een Afrikaans land wint van een Europees team, als een symbolische overwinning? “Als een staatshoofd dat aangrijpt als een belangrijke zege onderschat hij zijn land omdat hij zich dan berust in zijn slechtere positie. Hij moet inzien dat de kracht van zijn land ligt in de erkenning van zijn zwakte. De zwakte van Afrika is dat het afhankelijk is van Europa en daardoor is Europa sterk geworden.

Zonder Afrika was dat niet gelukt, want de rijkdom komt van ons. Je hebt altijd iemand anders nodig om zwakker of sterker te zijn, want sterk zijn voor jezelf helpt niets. Je moet je kunnen meten om te kijken of je beter bent en daarvan leer je altijd, bij winst en verlies. Zo is het nu met het voetbal. Je mag je dus nooit laten dwingen in een minderwaardige positie, maar als je wint mag je ook niet naast je schoenen lopen. We moeten niet trots zijn, maar zelfbewust.”

Hij vervolgt over de specifieke rol van voetbal voor de toekomst van zijn land. “Na jarenlange apartheid zijn veel mensen geïndoctrineerd door dit systeem en dat haal je niet zo maar weg. Een wet verandert niet iemand zijn gedachten, want apartheid zit in ons als water in een spons. Sport is een middel om ons te bevrijden, voor ‘dislocation’. Het is niet bedreigend, maar het brengt ons nader. Zo leren we van elkaar en zo bevrijden we ons van het verleden. Als ik de kans krijg daaraan mee te mogen helpen, wil ik erover praten. Zo hoop ik te helpen aan het uitbouwen van onze eigen karaktereigenschappen die ontstaan zijn tijdens de apartheid en die ons daar nu van kunnen bevrijden. Zo kan een oude zwakte omgebouwd worden tot een nieuwe kracht.”

Woensdag (4 juni 1998, jRRT) speelt Nederland op uitnodiging van Nelson Mandela tegen Zuid-Afrika. Wat verwacht Dhlomo?

“Minstens een gelijk spel, en anders wint Zuid-Afrika. In ieder geval hoop ik dat Nederland in de luren wordt gelegd met mooi voetbal en dat het niet ontaardt in een schoppartij. Tenslotte hebben veel toeschouwers wekenlang moeten werken om een kaartje te kunnen kopen. Ik verwacht echter dat het een reclamewedstrijd voor creatief spel wordt. En of het dan 1-1 of 6-7 wordt maakt niet uit.

Het lijkt mij wel fantastisch als een Zuid-Afrikaanse speler in een vrije positie op jullie doellijn nog iets onverwachts doet, wat bij ons heel normaal is. Laat zo’n jongen dan toch lol maken. Als hij maar achter de bal blijft, anders staat hij buitenspel.”

Hij waarschuwt Oranje voor zelfoverschatting: “Ze moeten goed uitkijken, want we hebben al gewonnen van Brazilië. Elke vorm van arrogantie is dus misplaatst. Wij hebben geleerd te vechten en we zijn creatief. En hoe kun je een goed systeem inzetten als je tegenstander constant verandert? Ja, ik verheug mij er echt op. Jammer dat ik er niet bij kan zijn.”

Meewoedig staart hij naar een innerlijk heelal, maar herstelt zich meteen. “Ach, iemand met kleine vleugeltjes vliegt niet ver. Ik volgt het op de TV.”

En als Zuid-Afrika wint? “Dat is voor ons weer een verdere bevrijding, omdat we veel respect hebben voor Oranje. Allemaal verschillende culturen in een team en dat levert een goede mengvorm op. Als we dat verslaan zijn we als land weer gegroeid. Ook voor de rest van Afrika zal het goed zijn, als we er allemaal maar van leren, zowel Nederland als Zuid-Afrika.

Misschien dat de KNVB als volgende bondscoach iemand uit een niet-blanke cultuur aanstelt, die begrijpt wat er leeft in zijn team aan verschillende inzichten. Niet dat Hiddink slecht is, integendeel, maar voor het Nederlandse voetbal is dat misschien wel goed.”

Voor mijn vertrek kijk ik nog eenmaal door zijn woonkamer en zie verschillende schilderijen hangen. Vlak achter mij, bij de tafel, hing de hele middag al een bord met een tekst. ‘Ask not what you can give to Africa. Ask what Africa can give to you.’

Advertentie

Reserveer bij bol.com

Jurryt van de Vooren
http://Sportgeschiedenis.nl
Jurryt van de Vooren is sporthistoricus. Auteur van 'Amsterdam 1928' en de Bosatlas van het Nederlandse voetbal. Bezig met boekenserie over Amsterdam en sport. Nog steeds de enige Amsterdammer die is afgestudeerd op Feyenoord.