NieuwVoetbal

De Joodse geschiedenis van Feyenoord

Isaac Pinhashick was in 1915 het eerste Joodse lid van Feyenoord. In de jaren daarna speelden Joodse leden, voetballers en bestuurders een grote rol bij deze Rotterdamse club. In samenwerking met het NIW.

Richard Dombi 1941, de Joodse Wonderdokter van Feyenoord. Foto uit de Collectie H.J. Tollens via het Regionaal Archief Dordrecht

Een nieuwsbericht op de website van Feyenoord op Holocaust Memorial Day over het antisemitisme in het voetbal heeft veel aandacht getrokken. De club vertelde hierin over enkele projecten die al sinds 2013 lopen, onder meer in samenwerking met de Anne Frank Stichting. Verder schreef de club over Joodse Feyenoorders, die in de Tweede Wereldoorlog zijn vermoord.

De timing van dit bericht viel op, omdat dit bewust werd verspreid op Holocaust Memorial Day. In Duitsland wordt die dag al langer gebruikt door profclubs om te vertellen over hun eigen Joodse leden, waarvan veruit de meeste zijn vermoord in de Holocaust. In Nederland was dit echter nog nooit gebeurd. Mede daarom kreeg Feyenoord veel positieve reacties via de sociale media, de meeste van de eigen supporters.

Isaac Pinhashick

Tot op heden weten we eigenlijk vrij weinig over de Joodse geschiedenis van Feyenoord. Mede door onderzoek van Mark Lievisse Adriaanse, Simon Kuper, Jan Oudenaarden, de Feyenoord Supportersvereniging, Joods Erfgoed Rotterdam en het Joods Monument in de afgelopen tien jaar wordt hierover gelukkig steeds meer bekend.

Zo is duidelijk geworden dat Feyenoord veel meer Joodse leden heeft verloren in oorlogstijd dan altijd werd gedacht. Op de officiële lijst van oorlogsslachtoffers staan zeventien namen, van wie vijf Joodse slachtoffers. Volgens de laatste tellingen zijn er minimaal 45 Feyenoorders gedood in de Tweede Wereldoorlog, zowel leden als donateurs. En daarvan waren er maar liefst 27 Joods, méér dan de helft van het totaalaantal!

Alleen al deze cijfers laten zien dat het clubleven van Feyenoord sterk werd beïnvloed door de vooroorlogse Joodse cultuur. Isaac Pinhashick was al in 1915 de eerste Joodse Feyenoorder, zo reconstrueerde Jan Oudenaarden in het eerste deel van zijn boekenserie De geschiedenis van Feyenoord. De club bestond toen nog maar zeven jaar. En inderdaad werd de naam van Pinhashick in september 1917 genoemd in clubblad De Feijenoorder, omdat hij had voldaan aan zijn contributieplicht. Vier jaar later werd hij geroyeerd vanwege een te hoge contributieachterstand.

Zijn ouders waren afkomstig uit Rusland, maar die waren eind 19e eeuw de pogroms ontvlucht. Om dezelfde reden waren de vader en moeder van Chaim Lachovitsky na een vlucht in Rotterdam beland, maar dan vanuit Polen. In 1920 werd ook Chaim lid van de Rotterdamse club, die toen nog was gehuisvest op het Afrikaanderplein. ‘Feyenoord vormde door zijn ledenbestand en zijn supportersaanhang al een getrouwe afspiegeling van de bevolking van Rotterdam-Zuid,’ concludeerde Oudenaarden. ‘Door deze Oost-Europese inbreng werd dat nog versterkt.’ Zowel Isaac als Chaim overleefde de oorlog, bij hoge uitzondering.

Ome Sjaak

In 1917 verhuisde Feyenoord naar een nieuw onderkomen aan de Kromme Zandweg, de voorloper van de Kuip uit 1937. Dat gebeurde noodgedwongen, omdat de gemeente Rotterdam had besloten om volkstuintjes aan te leggen op het Afrikaanderplein. De club bestond nog geen tien jaar en had niet de middelen om deze overstap te maken. Heel even dreigde opheffing van Feyenoord, maar precies op dit cruciale moment in de clubgeschiedenis stak Isaak – Ome Sjaak – Barzilay de helpende hand toe, stammend uit een geslacht van Portugees-Spaanse Joden. Als eigenaar van de grond op de Kromme Zandweg stelde hij die beschikbaar aan Feyenoord. Zo werd de club net op tijd gered. ‘Finantiëel hadden wij vooral in de voor ons zoo moeilijke jaren, den grootst mogelijken steun van hem,’ blikte Bert Heesakker in 1933 terug in het jubileumboek ter ere van het 25-jarige bestaan. ‘In de jaren, dat hij op de inrichting moest toeleggen, heeft hij ons nog menigmaal schulden kwijt gescholden.’

Tot en met de opening van de Kuip in 1937 speelde Feyenoord aan het stadion op de Kromme Zandweg. Op die plek was in 1921 de eerste wedstrijd tegen Ajax, het begin van de grootste sportieve rivaliteit in de Nederlandse sport. Ook werden daar in de jaren twintig de eerste landstitels gewonnen, waarmee Feyenoord de belangrijkste club van Rotterdam werd. Succes went alleen snel en zo vergat iedereen dat de club in 1917 bijna was opgeheven. Feyenoord zelf eerde Barzilay nog wel als Lid van Verdienste. Ook kreeg hij een eigen pagina in het jubileumboek van 1933. Barzilay overleed in 1957.

De opening van het stadion aan de Kromme Zandweg in 1921. Foto van de Zutphense Voetbalvereniging Be Quick via de collectie Erfgoedcentrum Zutphen, identificatienummer 0513_0119_0002

De Wonderdokter

Tot de Tweede Wereldoorlog waren er tientallen Joodse Rotterdammers actief bij Feyenoord – als lid, donateur of supporter. Zo mengde zich de Joodse cultuur met het Rotterdamse voetballeven, wat ook niet zo gek is in een stad met in de jaren dertig ongeveer 13.000 Joodse inwoners. Alleen Sparta al had in 1941 zo’n tachtig Joodse leden, nog los van alle supporters en donateurs –  waarschijnlijk enkele honderden. Ook SMV (Steeds Moedig Voorwaarts) had veel Joodse leden, van wie er vermoedelijk minimaal dertig zijn vermoord in de oorlog. Na een aantal fusies is SMV inmiddels onderdeel van VV Hillegersberg.

Deze Joodse invloed was op verschillende manieren zichtbaar bij Feyenoord, zowel voor als na de oorlog, om te beginnen op het veld zelf. Tussen 1935 en 1939 was Richard Dombi coach van het eerste elftal, een Oostenrijkse Jood. Hij werd geboren onder de naam Richard Kohn, maar werd bekend onder de bijnaam Dombi, ofwel ‘kleine eminentie’.

Dombi bezorgde Feyenoord de grootste sportieve successen tot dan toe, precies in de jaren van de verhuizing naar de Kuip. Verder was hij legendarisch vanwege zijn medische kennis, vooral door een zeer pijnlijk zalfje, dat elke voetbalblessure verhielp. Een voetballer als Leen Vente wilde alleen maar naar Feyenoord vanwege Dombi, alias de Wonderdokter. Niet omdat hij per-sé in de Kuip wilde spelen, maar vanwege de helende handen van Dombi, die hem konden verlossen van een aanhoudende knieblessure.

Feyenoord-families

In de lagere elftallen zaten behoorlijk wat Joodse spelers. Sallie van Naarden werd in 1934 als zestienjarige ingedeeld in het twaalfde elftal en stapte een jaar over naar het elfde. Eind 1936 zegde hij zijn lidmaatschap alweer op om onduidelijke redenen.

Emmanuel en Aron Naarden kwamen uit voor verschillende jeugdelftallen. Hun vader Barend adverteerde maandelijks in het clubblad voor zijn kledingwinkel op de Pretorialaan. Elk clublid werd daarin een korting van vijf procent aangeboden – zéér welkom in de crisistijd van de jaren dertig. ‘Loop eens even langs z’n winkel / Want daar ligt een mooie buit / Jassen, jasjes, pakken, pakjes / Mensch, je kijkt je oogen uit!’ Op deze manier hielpen deze Joodse Feyenoorders hun clubgenoten in het dagelijks leven.

Er waren meer van zulke Joodse Feyenoord-families. Het gezin Van der Horst woonde aan de Van Oldenbarneveldtstraat 113. Hun leven stond in het teken van hun geliefde club. De drie zoons Machiel, David en Salomon speelden sinds de jaren dertig bij Feyenoord. Vader Arend, kapper van beroep, was weer donateur.

Als deze leden van al die Feyenoord-families een uitwedstrijd van het eerste elftal wilden zien, moesten ze contact opnemen met clubdonateur Joseph de Haaf, want die regelde hiervoor de auto’s. In het clubblad plaatste hij oproepen aan de Feyenoorders om ook eens hun club aan te moedigen buiten Rotterdam. ‘Het plan is aanbevelenswaardig,’ oordeelde De Feijenoorder, ‘en wij hopen, dat men er in slagen zal tot het gewenste doel te geraken.’ Wat nu bekend staat als Het Legioen, de trouwe schare Feyenoorders, bracht deze Joodse donateur zo’n negentig jaar geleden dus al in de praktijk.

Phida Wolff

Misschien wel één van de allerbelangrijkste Feyenoorders aller tijden is Phida Wolff, een jiddische Amsterdammer, zoals René Zwaap in 1998 schreef in De Groene Amsterdammer. (Naschrift: over Wolff is nieuwe informatie gevonden, waaruit blijkt dat hij geen Joodse achtergrond heeft. Zie onderaan dit artikel.) Wolff is ook opgenomen in de Database Joods Biografisch Woordenboek. In 1934 werd hij clubadministrateur en was zo de eerste betaalde kracht van Feyenoord. Wolff zorgde ervoor dat elk lid braaf zijn contributie betaalde.

Al voor de Duitse bezetting voelde hij aan welk vreselijk lot de Joodse bevolking boven het hoofd hing. Tot in het voorjaar van 1940 legde Feyenoord namelijk nog de religieuze geaardheid van de leden vast, maar die besloot hij te verwijderen uit angst voor de eventuele consequenties voor de Joodse Feyenoorders. Zo zei hij althans in 1989 tegen journalist Harry van Wijnen, wat hij een kleine tien jaar later bevestigde tijdens mijn bezoek.

En dan was Wolff ook nog de huisdichter van Feyenoord, die letterlijk een complete boekenkast vol had geschreven, zo heb ik tijdens een bezoek vlak voor zijn dood in 1998 met eigen ogen gezien. In zijn dienstjaren bij Feyenoord had hij alleen verzaakt in de maanden tussen de Razzia van Rotterdam van november 1944 en zijn bevrijding uit een Duits kamp in Osnabrück in april 1945.

Een cartoon van Phida Wolff uit clubblad De Feijenoorder

Verdwenen en vergeten

Tijdens de oorlogsjaren werden veruit de meeste Joodse Feyenoorders vermoord. Van de gezinnen Naarden en Van der Horst overleefde niemand. Wolff keerde wel terug, net als Maurits Hillel van Hertzfield, die Sobibor overleefde, samen met zijn vrouw. Vóór zijn deportatie was hij commissaris van stadion De Kuip.

Zo was binnen enkele jaren de complete Joodse cultuur bij Feyenoord verdwenen en vergeten. De meeste van deze Feyenoorders werden zelfs nooit op het clubmonument geplaatst, omdat zij op het moment van hun moord geen lid waren. Ze komen niet eens meer voor in de officiële geschiedenis van de club.

Deze kille juridische benadering werd niet alleen bij Feyenoord gebruikt, maar was tekenend voor het naoorlogse Nederland van de jaren veertig en vijftig. Hetzelfde gebeurde bij clubs als Achilles 1894 in Assen, HBS in Den Haag en zelfs Ajax in Amsterdam, waar ook de namen van de Joodse leden werden vergeten. Inderdaad waren deze Holocaust-slachtoffers officieel geen lid meer toen ze werden vermoord, maar dat was niet hun eigen keuze geweest. Het was door die lange reeks uitsluitende wetten waardoor hun lidmaatschap was ontnomen, als voorbereiding op de Holocaust. Clubs die na de Tweede Wereldoorlog deze Joodse namen niet op hun dodenlijsten plaatsten, erkenden daarmee in feite met terugwerkende kracht de nazi-wetgeving! Onbewust weliswaar, maar toch.

Toch is er ook na de Holocaust nog wel degelijk een Joodse invloed op het Rotterdamse clubleven zichtbaar. Wonderdokter Dombi overleefde op raadselachtige wijze de oorlogsjaren. In al die jaren, zo herleidde Oudenaarden in 2016, woonde hij in Tuindorp Vreewijk. Hij had zijn sporen uitgewist door zijn geboortedatum, nationaliteit en zelfs zijn geloof te veranderen. Ook zijn naam had hij gewijzigd, waarbij hij vermoedelijk zijn bijnaam Dombi als nieuwe achternaam voerde. Zo werd hij onzichtbaar voor de bezetters terwijl hij wel gewoon actief bleef als coach voor onder meer Emma uit Dordrecht en VOC en Neptunus uit Rotterdam.

In 1944 plaatste het Schiedams Dagblad zelfs een tekening van Dombi, gemaakt door de beroemde voetbalcartoonist Bob Ushi – óók met joods bloed. Het is ongekend, maar zo legde een Joodse tekenaar van een goed gelezen dagblad in 1944 een Joodse voetbaltrainer vast!

Dombi ging in de jaren vijftig opnieuw aan het werk bij Feyenoord en raakte bevriend met Gerard Meijer, de latere verzorger van deze club. Als enige buitenstaander kreeg Meijer het geheime recept van het wonderzalfje, gebaseerd op zuivere rubbermelk, dat zeer moeilijk was te krijgen. “Ik kon er aankomen via contacten in de Rotterdamse haven,” zei hij in 2015. “Die moest dan in een pan worden verhit tot honderd graden. Aan de hand van de kwetsuur was er een bepaalde hoeveelheid rubbermelk met daarbij een bepaalde hoeveelheid paraffine. Ik stond er een dag lang in te draaien en te roeren.” Tot 2009 bleef Meijer in dienst bij Feyenoord, de levende nalatenschap van de kennis van Dombi.

Respect

De maanden in gevangenschap in Duitsland maakte een diepe indruk op Phida Wolff. Hij legde die eind 1945 vast in de bundel Osnabrücker Pumpernickel, een verzameling pretentieloze versjes over het Duitse kampleven. Meteen na terugkomst in Rotterdam reorganiseerde hij de clubadministratie, die tijdens zijn afwezigheid in een chaos was veranderd. Het Feyenoord-bestuur werd bedolven onder uittreksels van briefwisselingen.

Zijn verdere productie was onvoorstelbaar. Hij sprak op recepties, onderhield de contacten met andere clubs en schreef ook nog eens boeken over Feyenoord. Volgens een berekening begin jaren 70 waren daarvan zo’n honderdduizend exemplaren verkocht! En toen moest de grote bestseller Geen woorden maar daden nog komen.

Eén van zijn beroemdste en meest sportieve brieven namens Feyenoord werd in december 1966 naar Ajax gestuurd, dat net in de Europa Cup 1 van Liverpool had gewonnen tijdens de beroemde Mistwedstrijd. ‘Wij zouden reeksen van fraaie adjectieven tot een regiment van tevredenheidsbetuigingen kunnen formeren, maar willen slechts volstaan met u ons respect te betuigen voor niet alleen het succes van uw keurteam, maar vooral door de wijze van voetbal, die groots genoemd moet worden.’ Vol trots plaatste Ajax deze brief in het eigen clubblad.

In 1971 nam Wolff afscheid na 37 jaar trouwe dienst, waarover alle grote dagbladen schreven – niet slecht voor een jiddische Amsterdammer in Rotterdamse dienst. Hij was dan ook met recht een pilaar van Feyenoord.

Het heden

Naast Wolff is Benno Leeser een bekende Amsterdammer van gedeeltelijk Joodse komaf, met een grote invloed op het clubleven van Feyenoord. Hij is zoon van een voormalige speler van het eerste elftal van Ajax, was huisvriend van Rinus Michels, maar werd toch supporter van de club uit Rotterdam. Leeser is eigenaar van diamant- en juwelenhandel GASSAN, dat vorig jaar een nieuw langdurig contract sloot met Feyenoord. Hij was ook voorzitter van de businessclub, waar hij inmiddels al veertig jaar bij is betrokken.

En dan trok Feyenoord afgelopen zomer Ofir Marciano aan, een Joods-Israelische keeper, international in zijn eigen land. Ook hij kwam aan het woord in het verhaal van 27 januari. “Rivaliteit hoort bij sport,” zegt hij naar aanleiding van de rivaliteit met Ajax, “maar soms slaat het door. Gelukkig heeft Feyenoord zo snel ik hier kwam verteld hoeveel energie ze erin steken om mensen te laten begrijpen dat bepaalde teksten kwetsend kunnen zijn en niet in een stadion thuishoren. Mensen bepalen zelf wat ze zeggen en iedereen heeft vrijheid van meningsuiting, maar wat mij betreft is er ook een grens die je niet moet overschrijden.”

Naschrift 22 februari 2022:

Naar aanleiding van dit verhaal heeft Joods Erfgoed Rotterdam opnieuw gekeken naar Philip David – Phida – Wolff. Hij was de zoon van Philip David Wolff en Jantje Zeepvat. De moeder kwam uit Weststellingwerf, was dochter van Johannes Zeepvat en Grietje Vrind en was een pronte Friezin en niet Joods. Volgens de halacha is Philip al niet Joods. Philip had sowieso Nederlands Hervormde ouders. Zijn naam op Joodserfgoedrotterdam is daarom verwijderd.

Jurryt van de Vooren
https://sportgeschiedenis.nl
Specialist in sporterfgoed. Schreef mee aan het boek "Nooit meer Qatar" over de FIFA en mensenrechten. Al 25 jaar de enige Amsterdammer, die is afgestudeerd op Feyenoord.