Voetbal

De Nederlandse voetbalidentiteit bestaat niet

De Nederlandse voetbalidentiteit van nu is compleet anders dan die van 1927. “Onze volksaard kenmerkt zich door een gebrek aan spontaniteit,” zei de voetbalbond toen. “Dit is mede de oorzaak van te langzaam spel.”

Bij de Radboud Universiteit is een onderzoeksgroep Sportgeschiedenis, die zich bezig gaat houden met de Gelderse voetbalclubs NEC, De Graafschap en Vitesse. Het gaat dan niet om de sportieve prestaties van deze BVO’s, maar vooral om het zelfbeeld van de supporters. Kort gezegd gaat het dan om de identiteit van deze clubs en daarmee van de steden waar ze vandaan komen.

Met de klomp’n onder de koei’n

In Doetinchem bijvoorbeeld noemen de supporters zich Superboeren, verwijzend naar het imago van De Graafschap als plattelandsclub. Het is tegelijk een geuzennaam om zich af te zetten tegen de Randstad. Een supporter van De Graafschap identificeert zich zo als een boer van de bovenste categorie, ongeacht of hij dagelijks met zijn klompen onder de koeien ligt of juist een braaf kantoorbaantje heeft.

Zo heeft elke voetbalclub een eigen identiteit: de Joden van Ajax, de werkers van Feyenoord, de Friezen van Heerenveen, de koempels van Roda JC. Het gaat dan meer om gevoel dan om historische juistheden, want dat Feyenoord in de vooroorlogse jaren waarschijnlijk meer joodse leden heeft gehad dan Ajax speelt hier geen rol.

 

De Nederlandse voetbalidentiteit bestaat niet

In de nationale piramide van voetbalidentiteiten staat Oranje natuurlijk bovenaan, vooral in succesvolle perioden met miljoenen Nederlandse supporters tijdens de grote wedstrijden. Dan staat het Nederlandse voetbal voor creatief en gedurfd spel met extreem getalenteerde spelers als cultuurdragers. En daar zijn we trots op, waarmee we in feite zeggen dat Nederland zelf een creatief land is met creatieve inwoners.

Wat we in onze tijd beschouwen als onze nationale voetbalidentiteit bestond een halve eeuw geleden echter nog niet. Zo schreef C. Wedema in 1947 het boek Voetbaltactiek. Een sport-studie. Van een nationale speelstijl was volgens Wedema ruim een eeuw geleden helemaal geen sprake in Nederland. En dat kón ook niet, omdat er toen amper onderling contact was tussen de voetballers uit de verschillende regio’s. Er was geen nationale overkoepelende competitie waarin de spelers wekelijks tegen elkaar uitkwamen. Verder bestond er vóór 1905 geen officieel Nederlands elftal, zodat de beste voetballers van het land elkaar ook daar niet tegenkwamen.

Regionale voetbalidentiteiten

In de oertijd van het Nederlandse voetbal was er daarom vooral sprake van verschillende regionale identiteiten. Wedema omschreef de voetballers uit het Westen als rad van tong en doortastend op het veld. De Zuiderlingen hielden van ‘enthousiaste explosies en tempo’. In het Oosten was een voetballer vooral stoer, ‘qualiteiten welke hij deelt met de Noorderlingen, wiens wilskracht daarnaast in bijzondere gevallen tot uitzonderlijke resultaten kan leiden’.

Pas nadat voetballers uit verschillende regio’s werden opgeroepen voor het nationale team ontstond een eerste gevoel van nationale identiteit, maar ook die was heel anders dan nu. ‘Wij, Nederlanders, zijn nuchter, geneigd tot conservatisme, koel en bedaard,’ vond Wedema in 1947. En zo werd hier gevoetbald: afwachtend, met overleg, zonder risico. ‘Zonder omhaal, zonder versiering, maar sober.’

De Nederlanders waren er trots op, maar de rest van de wereld vond er niets aan. Als de tegenstander eens iets leuks probeerde, liep die zich meteen stuk op de saaie Hollandse degelijkheid. Wedema gebruikte als illustratie een prachtig citaat van de Franse reiziger Henry Havard, die Nederland in 1874 genadeloos karakteriseerde: ‘De sleur dooft er alle geestdrift, het gezond verstand breidelt elke buitensporigheid, bedaard overleg houdt elke vervoering tegen, breng er de Etna heen en binnen acht dagen zou zij opgehouden hebben te rooken.’

Gebrek aan spontaniteit

Die saaiheid was vroeger een onmiskenbaar deel van de Nederlandse voetbalidentiteit, was ook bij de voetbalbond bekend. “Onze volksaard kenmerkt zich door een gebrek aan spontaniteit,” zei ze in 1927, “dit is mede de oorzaak van te langzaam spel.” En drie jaar later: “In het breken van aanvallen zijn Hollandsche elftallen steeds sterker geweest dan in het opbouwen ervan.”

Het verschil tussen onze tijd en 1927 laat zien dat de voetbalidentiteit niet stil staat, maar juist altijd in beweging is. Dat geldt niet alleen voor Oranje, maar ook voor clubs als NEC, De Graafschap en Vitesse. Goed onderzoek dus van de Radboud Universiteit, die hopelijk antwoord geeft op de vraag of deze clubs uit het Oosten aanvankelijk vooral stoer waren, zoals Wedema in 1947 meende. En dan wil ik ook meteen weten wat er met de Etna zou gebeuren als we die naar Nijmegen, Doetinchem of Arnhem zouden verhuizen.

Advertentie

Reserveer bij bol.com

Jurryt van de Vooren
http://Sportgeschiedenis.nl
Jurryt van de Vooren is sporthistoricus. Auteur van 'Amsterdam 1928' en de Bosatlas van het Nederlandse voetbal. Bezig met boekenserie over Amsterdam en sport. Nog steeds de enige Amsterdammer die is afgestudeerd op Feyenoord.