De voetballers van Curaçao deden in 1952 mee aan de Olympische Spelen
Curaçao en Nederland doen allebei mee aan het WK voetbal. In 1952 gebeurde iets vergelijkbaars op de Olympische Spelen, toen nog namens de Nederlandse Antillen.

Opening van de Olympische Spelen van 1952 in Helsinki. Foto via Finnish Heritage Agency / Helsinki
De Nederlandse Antillen stuurden een eigen delegatie naar de Olympische Spelen van 1952 in Helsinki – het debuut van deze Caribische eilanden op dit sportevenement. Alleen de voetballers deden mee, die zich niet hoefden te kwalificeren. Nederland moest dat wél – met succes.
Het is dus niet voor de eerste keer dat voetballers van Curaçao en Nederland meedoen aan hetzelfde internationale voetbaltoernooi, waarbij er een theoretische mogelijkheid ontstaat dat ze tegen elkaar moeten spelen.
Zij zijn gewend aan harde gronden, waarop de bal zeer springerig is en het kost hun grote moeite de bal op de grasvelden in Nederland in bedwang te houden
Selectiewedstrijden
Curaçao had al de nodige regionale successen geboekt, met keeper Ergilio Hato als boegbeeld. In 1946 won het een vijflandentoernooi op het eigen eiland door Feyenoord te verslaan. Twee jaar eerder had het brons gewonnen op de Midden-Amerikaanse en Caribische Spelen, zo schreven Valdemar Marcha en Nancy van der Wal in 2003 in het boek Ergilio Hato, simpel, sierlijk, sensationeel. Bij de editie van 1950 eindigde het zelfs op de eerste plaats.
Toch werd dit olympisch elftal samengesteld met ook spelers van Aruba, namens de Nederlandse Antillen. Een elftalcommissie kondigde op 31 maart 1952 gezamenlijke trainingen aan, waarna de definitieve selectie voor Helsinki zou plaatsvinden.
Op Curaçao werd getraind voor oefenwedstrijden tegen Aruba en gelegenheidsteams. ‘De volgende spelers dienen hierbij aanwezig te zijn,’ meldde Amigoe di Curaçao op 4 april: ‘Hato (Jong Holland), E. Vlinder (SUBT), E. Pinedo (Uniao Portuges), Ganword (SUBT), De Lannoy (Jong Holland), Matrona (PSV), Mercera (SUBT), Giribaldi (Sithoc), Korps (SUBT), Adoptie (Jong Holland), Ignacio (Estudiantes), Borgschot (Sithoc), Heiliger (SUBT), Forrester (Veendam), Coffie (Sithoc), Conquet (Jong Curacao), Gomez (SUBT), Merced (SUBT), Bisentini (SUBT), Puriel (Jong Holland), Bernardina (Jong Holland), Lopez (Jong Holland).’
Eind april was er zo’n wedstrijd tussen Aruba en Curaçao, met een verslaggever van Amigoe langs de lijn. ‘Er werd zeer goed en sportief gespeeld. Curaçao en Aruba zullen gezamenlijk een zeer sterke ploeg kunnen vormen, welke als Nederlands Antilliaanse ploeg onze kleuren op de Olympische Spelen te Helsinki zeker zal kunnen verdedigen.’
Dat was nogal optimistisch, want een elftal dat is samengesteld uit de beste spelers van twee verschillende teams kan net zo goed een verzwakking betekenen. Op voorhand kan je alleen maar hopen dat het goed afloopt, en vooral veel trainen.
De openingsceremonie van 1952. Foto Harry Pot via het Nationaal Archief
Proefwedstrijden
Het programma voor de volgende maanden begon met proefwedstrijden op de eilanden zelf. Daarna volgde een toer door Nederland met extra uitstapjes naar Boulogne, Kopenhagen en Stockholm. Op die manier konden de Antilliaanse spelers wennen aan het Europese klimaat met grasvelden en tegelijk ontdekken wat daar de heersende voetbaltactieken waren. Het slotstuk was natuurlijk de Olympische Spelen zelf.
Tijdens die proefwedstrijden werd de samenstelling van het olympisch elftal duidelijk.
Namens Curaçao: E. Hato (Jong Holland), W. de Lannoy (Jong Holland), P. Matrona (PSV), L. C. Adoptie (Jong Holland), E. Vlinder (SUBT), G. Giribaldi (Sithoc), W. Heyliger (SUBT), P. Coffie (Sithoc), P. Conquet (Jong Curagao), F. Gomez (SUBT), J. Merced (SUBT) en W. Canword (SUBT).
Namens Aruba: Hernandez, E. Kemp, C. Helder, J. Brokke, C. Brion, J. Briezen en L. Rodriguez.
Omdat veel spelers al wisten dat ze naar Helsinki zouden gaan, viel de kwaliteit van de wedstrijden zeer tegen. ‘Speciaal de voorhoede stelde teleur,’ vond Amigoe. ‘Het bekende productieve kanon Brion had zijn kogels op Aruba gelaten. En Briezen en Brokke (…) keken met ontzag op tegen keeper Hato en daarmee schakelden ze hun kansen uit. En toch is keeper Hato ook maar een doodgewone Curaçaose jongen die zich ook wel door simpele gevallen laat verschalken.’
Dat moest snel anders: ‘Wij kregen (…) de indruk dat enige spelers in de combinatie het spel niet ernstig opvatten. Dit is jammer, daar deze proefwedstrijden van groot belang beschouwd moeten worden, ook al in verband met de juiste samenstelling van het elftal, dat toch in ieder geval op zijn sterkst in Europa zal moeten uitkomen.’
Grasvelden
Na aankomst in Europa belandden de spelers van het Antilliaanse elftal in een cultuurshock. Het spelen op gras was onbekend. Amigoe: ‘Zij zijn gewend aan harde gronden, waarop de bal zeer springerig is en het kost hun grote moeite de bal op de grasvelden in Nederland in bedwang te houden. Uit angst om op de grasvelden uit te glijden hebben de spelers hoge doppen onder de schoenen, hetgeen zij niet gewend zijn.’
Nog erger waren de tactische inzichten in het voetbal, waarbij in Europa werd gespeeld met de zogenaamde stopperspil, wat op de Antillen nauwelijks bekend was, ‘zodat men moest zoeken naar het juiste tegenspel.’
De eerste wedstrijd was dan ook een drama. In het Olympisch Stadion had Blauw-Wit geen enkele moeite met de tegenstander, wat niet zo gek was. Tenslotte was echt alles anders. Tegen Feyenoord werd dan weer wel gewonnen, mede omdat de Rotterdammers één van de slechtste wedstrijden speelden sinds de val van het Romeinse Rijk.
Een overwinning op NEC zorgde voor extra zelfvertrouwen, zag de verslaggever van Amigoe. ‘Het spel van de Antilliaanse voetballers heeft een prettige indruk gemaakt op de ruim 6000 toeschouwers, die gul waren met applaus voor de goede staaltjes voetbal van de gasten en vooral voor doelman Hato, die vaak wonderbaarlijke reddingen verrichtte.’ Ook de Arubaanse spelers hadden inmiddels hun draai gevonden.
Helsinki
De laatste etappe voerde naar Finland, wat de Antillianen uitstekend beviel. ‘De spelers hebben enkele malen getraind. Over de accomodatie is men zeer tevreden en de maaltijden zijn overvloedig en voortreffelijk.’ Zij kregen alle kamers van de tweede verdieping van een flat in het Olympisch Dorp, waar ze uitstekende bedden hadden. ‘De jongens slapen dan ook prima.’
In dezelfde flat zaten de Braziliaanse voetballers, die Nederland in de eerste wedstrijd met 5-1 hadden uitgeschakeld. De Antilliaanse ploeg zat toen op de tribune, in afwachting van hun debuut met Turkije als tegenstander.
Het Olympisch dorp van 1952, foto Harry Pot via het Nationaal Archief
En dit was het olympisch elftal.
Van Curaçao: Ergilio Hato, Pedro Matrona, Eddy Vlinder, Guillermo Giribaldi, Willys Heyliger, Wilhelm Canword, Wilfred de Lanoi en Guillermo Krips.
Van Aruba: Jani Brokke, Jorge Brion en Juan Briezen.
Het werd een eervolle nederlaag, zoals Amigoe zelf omschreef. De Antillianen stonden stijf van de spanning, nog meer dan de tegenstander. Zelfs Hato miste een strafschop, wat voor hem uitzonderlijk was. Turkije won zo met 2-1 en ging door naar de volgende ronde, waar het genadeloos door Hongarije met 7-1 werd weggespeeld.
De Antilliaanse ploeg kreeg lof, maar ook enkele dringende tips: zorg voor meer geld, een vaste coach en veel internationale wedstrijden. Daar was Amigoe het helemaal mee eens, maar onduidelijk was waar dat geld dan vandaan moest komen. De Nederlandse Antillen behoorden toen nog tot het koloniale rijk van Nederland, maar het moederland was niet van plan om de sportieve infrastructuur van de eilanden te verbeteren. Het verdienmodel van kolonialisme is tenslotte niet om iets te brengen, maar om alles weg te halen.
Het was daarmee een kort optreden op de Olympische Spelen, maar de hele toer was wel zeer intensief en leerzaam geweest met maar liefst negen wedstrijden in Europa in korte tijd. En uiteindelijk met net zoveel optredens in het olympisch voetbaltoernooi als Nederland.



