NieuwVoetbal

Het eerste Nederlandse voetbalwoordenboek was veel te Engels

In de nieuwe editie van het Groot Woordenboek van de Nederlandse taal staan te veel Engelse begrippen. Het is precies dezelfde klacht als in 1887 bij het eerste Nederlandse overzicht van voetbalwoorden. Er waren vast wel betere begrippen te verzinnen dan start en record

De Dikke van Dale en het Nederlandse voetbal zijn ongeveer even oud, beide zo’n 150 jaar. Tijdens de presentatie van het woordenboek waren er veel opmerkingen over het hoge aantal Engelse begrippen. Hetzelfde verwijt was er ook bij de opkomst van de moderne sport in ons land, vooral bij het voetbal. Veel woorden waar toen over werd geklaagd, zoals start en record, zijn daarna toch gewoon opgenomen in het dagelijkse spraakgebruik, zo blijkt uit sportbladen uit die tijd.

Hunne beteekenis

Nederlandsche Sport was in 1882 het eerste blad in Nederland dat zich specialiseerde in de sport. De eerste jaren werd er vooral geschreven over de paardensport en de jacht als de bezigheden van de absolute elite van die tijd. In de loop der jaren werden ook andere sporten opgepikt door het blad, dat daarmee een goed oog had voor de nieuwste ontwikkelingen van het moment.

In die beginjaren bereikte een combinatie van rugby en voetbal de Nederlandse velden, gespeeld door jongens uit de bovenlaag van de samenleving. Hieruit ontstond de sport, die we tegenwoordig herkennen als voetbal. Nederlandsche Sport besteedde er ook aandacht aan, nog vóór de oprichting van de nationale voetbalbond. De spelregels van het voetbal werden direct overgenomen uit Groot-Brittannië, het moederland van deze sport. Ook de Engelse taal zelf werd daarbij gebruikt, toen nog bijna niemand in ons land die machtig was. Door dat Engelse jargon maakten de eerste spelers een wereld voor zichzelf, waar ouders en opvoeders niets van begrepen. Het was niet de beste manier om nieuwe voetballers te werven.

Dat was blijkbaar ook Nederlandsche Sport opgevallen, dat daarom op 8 oktober 1887 een speciaal artikel maakte over deze merkwaardige begrippen. ‘Ten einde onze lezers, die met het Voetbalspel nog niet geheel op de hoogte zijn, in de gelegenheid te stellen de verslagen van de Voetbal-Vereeniging Amsterdam te begrijpen, geven wij hieronder een lijstje van de meest gebruikelijke woorden met hunne beteekenis.’

Het eerste Nederlandse voetbalwoordenboek

Er volgde een opsomming van begrippen, waarvan we sommige nog steeds kennen en andere allang niet meer. Het was in feite het eerste Nederlandse voetbalwoordenboek, al was het maar een kleintje met elf begrippen.

Goal: De twee palen met dwarslijnen aan beide einden van het veld.
Goal Line: De lijn van het veld waar de “goals” op staan.
Goal post: Een der palen van de “goal”.
Goal Keeper: De speler welke steeds bij “goal” blijft als laatste verdediger.
Kick: Is een schop met de voet.
Kick off: Een schop tegen den bal wanneer dezelve in rust op den grond ligt, en uit het middenpunt van het veld.
Place Kick: Is een schop tegen den bal wanneer in rust op den grond, in alle richtingen de speler dit wenscht.
Tree Kick [Hier werd Free Kick bedoeld, redactie.]: Wordt toegekend, bij inbreuken op de regels van het spel.
Corner Kick: Geschiedt uit de hoek van het veld, van uit de “goal line.”
In touch: Een bal is »in touch” wanneer dezelve op de lange zijde buiten het speelveld gaat. Een “goal” is gewonnen, wanneer de bal tusschen de “goal posten” en onder de dwarslijn is heengespeeld.

Voetbaltaal

De meeste voetballers – in die beginfase enkele honderden – trokken zich er niets van aan en bleven gewoon Engelse begrippen gebruiken. Sportpionier Pim Mulier was één van de weinigen, die hoopte op meer Nederlandse equivalenten, omdat het voetbal dan ook populair kon worden bij mensen, die géén Engels spraken – eind negentiende eeuw eigenlijk bijna iedereen. Bij de oprichting op 17 november 1889 van de Nederlandschen Voetbal- en Athletischen Bond, de huidige KNVB, legde hij daar opnieuw de nadruk op, zo meldden de oprichtingsnotulen: ‘Niemand zal wel bezwaar maken tegen de uitdrukking hoekschop voor cornerkick, grenslijn in plaats van touchlijn, enz.’

Het was een juist inzicht, maar Mulier liep wel erg ver op zijn tijd vooruit. Die taalrevolutie in het voetbal vond namelijk inderdaad plaats, maar dan wel pas rond de Eerste Wereldoorlog toen voetbal snel populair werd onder de lagere sociale klassen. Zij gaven de voorkeur aan Nederlandse begrippen als wedstrijd, scheidsrechter, vrije bal en aanvoerder. Een krant als de Nieuwe Rotterdamsche Courant vond dat ook volkomen logisch, schreef het op 4 september 1912: ‘Wanneer we werkelijk de sport – voornamelijk het voetbalspel, dat ongetwijfeld meer is ingeburgerd dan cricket – tot een volkszaak willen maken, dan moeten we beginnen met de spelnamen hun abracadabra-karakter voor de groote massa te ontnemen.’

Taalwetenschap

Het was dan ook precies in die tijd dat Jac. van Ginneken (1877 – 1945) honderden begrippen had verzameld om die te ordenen in het eerste échte Nederlandse voetbalwoordenboek. Deze man was zowel een invloedrijk als controversieel taalkundige, zoals Marc van Oostendorp in 2012 opmerkte in tijdschrift Onze Taal: ‘Van Ginneken was waarschijnlijk een van de kleurrijkste taalwetenschappers die Nederland ooit gekend heeft. Wie herinneringen van tijdgenoten leest, krijgt het gevoel dat hij niemand onverschillig liet – je verafschuwde hem of je was dol op hem.’

Zonder dat iemand het wist, had Van Ginneken onderzoek gedaan naar de voetbaltaal en daarvoor ook een inleiding geschreven. Hij had uitdrukkingen gevonden, die in onze tijd nog steeds gangbaar zijn: veld, promotiewedstrijdelftal en voorzet. Tegelijkertijd verzamelde hij inmiddels vergeten woorden als trekkesluiter, reuzenkei en headden. Allemaal werden ze voorzien van een verklaring, om zo vast te leggen welke woorden de gemiddelde voetballer in 1914 gebruikte als die op of langs het veld stond.

Dit eerste voetbalwoordenboek is alleen nooit gepubliceerd, want het bleef bij een ruwe versie, die verdween in het archief in het Meertens Instituut in Amsterdam. Taalkundige en sporthistoricus Jan Luitzen vond deze unieke taalkundige verzameling precies honderd jaar later terug, in 2014. De complete woordenlijst plaatste hij in het sporthistorische tijdschrift De Sportwereld 70.

Er zat zo ruim een kwart eeuw tussen de eerste vertaling in Nederlandsche Sport en het voetbalwoordenboek van Van Ginneken uit 1914. In die tijd was de voetbaltaal inderdaad opvallend vernederlandst met begrippen als elftal, doelman en achterhoede – precies zoals Mulier had gehoopt. Het Engels was in 1914 alleen nog lang niet verdwenen uit de Nederlandse voetbaltaal, wat in de eeuw daarna ook nooit is gebeurd met termen als penalty, hattrick, start of corner.

Het grote verschil tussen 1887 en 2022 is dat de voetbaltaal onderdeel is geworden van onze dagelijkse woordenschat. Er is tenslotte geen voetballer meer van wie de place kick per ongeluk in touch gaat. De grote overeenkomst tussen 1887 en 2022 is dan weer dat er lekker wordt gemopperd over al die Engelse leenwoorden. Onze opvolgers mogen over anderhalve eeuw uitzoeken of die daarna zijn ingeburgerd, zoals start en record, of dat ze zijn verdwenen.

Waardeer dit artikel!

Dit artikel las je gratis. Vond je het de moeite waard? Dan kun je dat laten blijken met een kleine financiële bijdrage.

 
Mijn gekozen waardering € -

Jurryt van de Vooren
https://sportgeschiedenis.nl
Specialist in sporterfgoed. Schreef mee aan het boek "Nooit meer Qatar" over de FIFA en mensenrechten. Al 25 jaar de enige Amsterdammer, die is afgestudeerd op Feyenoord.