NieuwVoetbal

In de jaren zestig maakte het voetbal zich steeds meer zorgen over vuurwerk in de stadions

Na de wedstrijd Ajax – Groningen is het probleem van vuurwerk in het stadion weer zeer urgent. Dat was het in de jaren 60 ook al.

Vuurwerk bij Neurenberg – Ajax op 18 september 1968. Foto via het Nationaal Archief

Al in de tijd van zwartwit-tv staken Nederlandse voetbalsupporters vuurwerk af.

Ik vind het misselijk. Dit is een gevaar voor het publiek en de spelers

Europa Cup

Ajax en Feyenoord braken in de jaren zestig door op de Europese velden. Een belangrijk moment voor de Rotterdamse club was een uitwedstrijd op 8 mei 1963 tegen Benfica met twee boten vol supporters. Uit een foto bij het Nationaal Archief blijkt dat die bij een hoekvlag vuurwerk ontstaken, al zag dat er veel onschuldiger uit dan wat er in de Johan Cruijff Arena is gebeurd.

Heel wat ernstiger ging het eraan toe bij de doorbraak van Ajax in Liverpool in december 1966 voor de Europa Cup 1. Een week eerder was de Engelse kampioen met 5-1 in het Olympisch Stadion verslagen tijdens de Mistwedstrijd, waarna er dertien vliegtuigen nodig waren om de Amsterdamse supporters te vervoeren naar Liverpool. In de vertrekhal werd al vuurwerk afgestoken, zo schreef Het Rotterdamsch Parool in zijn verslag.

In het stadion zelf vielen er zelfs gewonden, omdat er vuurwerk ontplofte op de Spionkop-tribune. Ruim veertig mensen moesten naar het ziekenhuis, waarna Liverpool de schuld gaf aan de Amsterdammers. Dat was niet terecht, luidde de reactie, want het thuispubliek had zich hier ook aan bezondigd.

Vuurwerk bij Benfica Feyenoord. Foto Eric Koch via het Nationaal Archief

Kwalijke excessen

In beide gevallen speelde dit zich buiten de Nederlandse grenzen af, maar daarna zijn er ook in eigen land steeds meer meldingen van vuurwerk in en rond het stadion. Tijdens Feyenoord – Arsenal op 14 november 1967 wond stadiondirecteur Frits de Kimpe zich er vreselijk over op. “Ik vind het misselijk. Dit is een gevaar voor het publiek en de spelers.”

Hij hoopte dat de supporters dat zelf ook zouden begrijpen, want zelf wist hij niet wat hij ertegen moest doen. “Het nemen van maatregelen is heel moeilijk, want het is bijna ondoenlijk de daders te vinden. Toch ben ik van plan deze zaak zo snel mogelijk met de Rotterdamse politie te bespreken, opdat wij in de toekomst volledig op dit soort kwalijke excessen zijn voorbereid.”

Frans Boelen verbaasde zich op 21 april 1966 in De Tijdi over al die nieuwigheden. ‘Er is een tijd geweest waarin de toeschouwer op de tribune kon kijken naar een wedstrijd tussen twee clubs die poogden voetbal te spelen. Het merkwaardige deed zich voor dat men daarmee tevreden was.’

Sinds de invoering van betaald voetbal was alles anders geworden, meende Boelen. ‘Het publiek bedacht nieuwe stunts. Men ging vuurwerk afsteken achter de doelen, smakte ongewenste bestuursleden achteloos tegen de grond of nam onder ritmisch handgeklap en community-singing massaal bezit van het terrein. Met „voetbal” had dit alles niets meer te maken.’

Rookbommen bij Telstar – Feyenoord op 19 maart 1967. Foto Ben Merk via het Nationaal Archief

Cambuur

Ook elders in het land dook het vuurwerk op, zoals in Leeuwarden aan het einde van 1967. Al drie thuiswedstrijden achter elkaar hadden de supporters van Cambuur vuurwerk afgeschoten. Na de eerste wedstrijd, met Elinkwijk als tegenstander, kreeg de Friese club een berisping van de KNVB.

Het hielp niet echt, vatte de Leeuwarder Courant samen. ‘Tijdens de wedstrijd tegen Den Bosch moest de Cambuur-microfoniste met haar beminnelijkste stem meedelen dat de ontmoeting bij verdere ongeregeldheden zou worden gestaakt. Toen Heerenveen vriendschappelijk kwam voetballen in de Leeuwarder arena bleken de jongelui de vermaning allerminst ter harte te hebben genomen — zonder echter op de geschroeide vingertjes te worden getikt.’

In diezelfde tijd werd de doelman van ZFC bedreigd met vuurwerk tijdens een thuiswedstrijd tegen De Graafschap. Hij rende hard weg van zijn plek.

Heel veel urgentie bleek er niet te bestaan bij de KNVB om dit probleem aan te pakken. Op 25 januari 1969 sprak het Limburgsch Dagblad met Hennie van Dalen, voorzitter van de scheidsrechterscommissie. Hij beklaagde zich over het publiek, dat steeds luidruchtiger werd.

“Eerst komt er iemand met een dikke trom. Veertien dagen later blaast een ander de tuba en nog later zit er een heel orkest. De bezoekende club heeft dan ook nog een eigen ‘huis-orkest’ en beiden willen voor elkaar niet onder doen.” Over toeters had hij verder geen klachten. “Nou nee, die horen bij de entourage.”

Hij kondigde daarna nog wel aan dat de KNVB  wilde praten over het vuurwerk bij verschillende wedstrijden. ‘Ook dit „lawaai” zou de KNVB graag zien verdwijnen.’

Ruim 55 jaar later zit het er dik in dat het opnieuw een belangrijk gespreksonderwerp is bij de voetbalbond.

Waardeer deze site!

Onze content is gratis. Vond je het de moeite waard? Dan kun je dat laten blijken met een kleine financiële bijdrage.

Mijn gekozen waardering € -

Jurryt van de Vooren
https://sportgeschiedenis.nl
Specialist in sporterfgoed. Al meer dan 25 jaar de enige Amsterdammer, die is afgestudeerd op Feyenoord.