De eerste voetballers speelden met een soort slaapmuts
In de begintijd van het voetbal bestonden nog geen regels voor de shirts. De clubpet was dan soms het enige herkenpunt. Bijkomend voordeel was dat zo werd voorkomen dat een speler de bal met het hoofd zou raken.

Een tekening van een voetballer, gemaakt door Pim Mulier voor de kaft van zijn boek ‘Athletiek en voetbal’ uit 1894. Met behulp van Genspark is die tekening geïsoleerd
Nieuw onderzoek aan het Amsterdam UMC toont aan dat koppen leidt tot een verhoogd risico op hersenletsel bij amateurvoetballers. Voer de clubpet weer in, net als in de beginjaren.
Men meende vroeger, dat het levensgevaarlijk was den bal met het hoofd te spelen
Botsing met de bal
De bezorgdheid over de kopbal is niet nieuw, maar wordt al langere tijd beschreven in onderzoeken, ook buiten Nederland. Het was zelfs al bekend in de begintijd van de voetballerij ongeveer anderhalve eeuw geleden!
Zoals C.J. Groothoff in 1947 schreef in zijn boek Van de groene velden: ‘Men meende vroeger, dat het levensgevaarlijk was den bal met het hoofd te spelen. Er waren zelfs doktoren, die beweerden, dat krankzinnigheid er het gevolg van zou zijn.’
De Nederlandse voetballers hadden vroeger sowieso geen reputatie als goede koppers, aldus – opnieuw – Groothoff. ‘Er werd wel is waar reeds in de jaren van ’90 gekopt, doch dat was in veel gevallen slechts een waaghalzerig soort noodredding en nog geen algemeen en bewust gebruikt onderdeel van de techniek.’ Zijn conclusie was kort en krachtig: ‘Het was slechts een botsing tusschen den bal en het hoofd.’
Een mooi voorbeeld is van Eddy de Neve. Deze oerinternational van Oranje scoorde in 1904 met het hoofd tegen België. Het was vreselijk, schreef hij in het Indisch weekblad De Oriënt.
‘Het was een corner tegen de Belgen. Onze rechtsbuiten, Boomsma, zou hem nemen. De zon stond al laag en we keken allen, knipperend tegen de zon in, naar den komenden bal. Boomsma gaf geen boogschot, maar een kaarsrechten kogel, die linea recta op mij afkwam. „Nu of nooit”, dacht ik en bleef roerloos gespannen staan. De bal ketste van mijn kop terug en ik zag duizend sterren voor mijn oogen dansen. De bal lag in het doel! Ik was half verdoofd, maar een donderend gebrul bracht mij weer tot bezinning.’

Eddy de Neve in 1906. Foto uit tijdschrift De Sport, naam fotograaf onbekend. Originele afbeelding is gerestaureerd met Genspark
Het ijzeren hoofd
De enige Nederlandse international, die dit deel van het spel wél beheerste, was Jan Stok van Sparta. Hij wordt door deze club zelfs de Nederlandse uitvinder van de kopbal genoemd. ‘De man met het ijzeren hoofd,’ noemde zijn eigen club hem in het jubileumboek van 1948.
En dat is niet onterecht, blijkt uit de Voetbalalmanak van 1901, een uitgave van de bond. ‘Zijn fort was het koppen, waarmede hij een klein tiental jaren geleden enormen opgang maakte, zoodat in het bijzonder „het hoofd van Stok” zeer gevreesd was.’
De kopbal werd pas echt bekend op de Nederlandse velden via buitenlandse trainers, maar toch bleven er bedenkingen. De Deventer voetbalclub UD 1870 wilde juist voorkomen dat haar spelers de bal met het hoofd zouden verplaatsen, mede vanwege de kritiek van artsen dat dit krankzinnigheid kon veroorzaken. Groothof zocht naar bewijs in het archief van deze club uit Deventer. ‘Daarbij vond ik aardige dingen.’
Zo ontdekte hij dat in de negentiende eeuw de leden verplicht waren om een clubpet te dragen. ‘Er waren speciale commissarissen van orde, die opdracht hadden er op toe te zien, dat alle leden bij de oefeningen de clubpet droegen. Overtredingen werden streng gestraft.’
Het ging daarbij niet alleen om saamhorigheid en clubliefde door allemaal dezelfde pet te dragen, maar ook om te voorkomen dat een speler de bal zou koppen. De pet was daarmee een bescherming voor de voetballers tegen krankzinnigheid, aldus Groothoff.
Tekening van Pim Mulier van een voetbalwedstrijd rond 1890, waarbij de spelers verschillende petten droegen
Clubpetten
UD 1870 was niet de enige club met een pet of muts als onderdeel van het clubkostuum – naast het shirt, de broek en de sokken. Met behulp van de jaarboeken van de Voetbalbond en jubileumboeken van clubs is dit overzicht gemaakt.
- Ajax (Leeuwarden): Wit mutsje.
- Be Quick (Groningen):
- Pionierstijd: Blauw klotje.
- Rond 1900: Zwarte pet met een oranje ster.
- Brabantia (Breda): Groen en witte pet.
- Celeritas (Rotterdam): Blauwe pet.
- Concordia (Delft): Zwarte cap met een zwart-wit schild.
- Concordia (Rotterdam): Pet bestaande uit witte en zwarte banen.
- D.F.C. (Dordrecht): Roodwit petje.
- E.M.M. (Vlissingen): Rode pet met een witte ster in het midden.
- Frisia (Leeuwarden):
- Pionierstijd (1883): Blauwe pet (vier jaar lang het enige clubteken).
- Rond 1900: Gele en blauwe muts of een geel en blauw gestreepte pet.
- H.B.S. (Den Haag): Rode pet of hoed.
- H.V.V. (Den Haag): Zwarte pet met smalle gele strepen.
- Haarlem: Rode muts.
- Hercules (Leeuwarden): Zwarte muts met een gele ster.
- Lycurgus (Breda): Calotje waarop de clubnaam was geborduurd door de zusters van de leden.
- M.V.V. (Maastricht): Rood-witte petjes. De onderstaande afbeelding is gemaakt met informatie uit het jubileumboek uit 1927.

- N.O.A.D. (Breda): Geel en zwart gestreept petje.
- Neptunus (Rotterdam): Donkerblauwe pet met witte strepen.
- Olympia (Rotterdam/Middelburg): Ronde pet, half wit en half blauw.
- Rapiditas (Rotterdam): Aanvankelijk een groen en zwarte pet, later een pet met liggende lila of violette strepen.
- Sparta (Rotterdam):
- 1890: Rood-wit horizontaal gestreepte cap.
- 1891: Zwarte cap of een witte baret met een rood kruis.
- Swift (Amsterdam): Blauw-witte cap.
- T.O.P. (Amsterdam): Blauw-wit gestreepte pet.
- Tubanters (Enschede): Zwart-blauw gestreepte pet.
- Unitas / G.V.V. / S.I.O.D. / Victoria (Den Bosch): Rode pet.
- UD 1870 (Deventer): Wit calotje met een rode ster.
- V.O.C. (Rotterdam): Rood-zwart gestreept petje.
- V.V.A. (Amsterdam): Rood-zwarte pet.
- Victoria (Hilversum): Donkere pet met een blauw insigne.
- Victoria (Wageningen): Blauw flanellen pet met het clubwapen.
- Volharding (Amsterdam): Blauwe pet met smalle gele strepen.
- Voorwaarts (Den Haag): Rood-groene pet.
- Voorwaarts (Rotterdam/Tiel): Zwart en gele pet.
- Z.V.V. (Zaandam): Blauw-wit horizontaal gestreepte pet.
In de begintijd was de clubpet zelfs vaak het enige herkenbare object van een elftal, in de tijd dat de voetbalbond nog geen regels had voor clubtenues. Frisia uit Leeuwarden begon in 1883 en speelde de eerste vier jaar met een blauwe pet als het enige officiële clubteken. De rest bestond uit een bonte verzameling truien en hemden.
Er bestonden verschillende varianten, blijkt uit foto’s en tekeningen. Volgens het jubileumboek van Be Quick Groningen uit 1927 was een variant van een hoofddeksel populair, ‘zoo de Friezen lange slaapmutsen in bonte kleuren’. Zo’n voetballer met een slaapmuts plaatste Pim Mulier in 1894 op de kaft van zijn boek Athletiek en voetbal. In andere tekeningen in het boek zien we weer meer varianten.
Bij Be Quick was zelfs een eigen pet voor de aanvoerder! ‘De captain Reigersberg had drie sterren op z’n voetbalklotje,’ aldus het jubileumboek.
Na een aantal jaren verdween de clubpet uit het tenue, mede omdat de bal minder zwaar werd. Bij de zogenaamde veterballen werden de leren veters vervangen door een zachtere katoenen variant. En dan werd er ook meer getraind, zodat er een grotere kans was dat een speler de botsing met de bal overleefde.
Herinvoering
Terug naar onze tijd, waarin steeds bewijs wordt verzameld over het gevaar van koppen voor voetballers, al helemaal voor de jongste spelers. Dat kan met verboden worden geregeld, maar er is ook een creatieve manier mogelijk om het koppen zo moeilijk mogelijk te maken. Voer de ouderwetse clubpet weer in, met hetzelfde idee als eind negentiende eeuw. De sportgeschiedenis kan dan helpen met het bestrijden van een serieus probleem in de sport.
De slaapmuts is misschien niet de beste variant, maar met een paar goede ontwerpers kunnen er vast modieuze petten worden onderwerpen. Inkoppertje, toch?


